Inleiding van de cursus ‘Van wijsheidsstromingen naar innerlijke wijsheid’ van Stichting Rozenkruis

Juist nu alle zogenaamde ‘grote verhalen’ zijn verstomd, achterhaald of buiten het momentele blikveld zijn gevallen, komt deze cursus met een oud-nieuw ‘groot verhaal’. Oud in de zin dat het sinds onheuglijke tijden is doorgegeven, meestal mondeling, later vooral ook schriftelijk. Nieuw, omdat het in zijn geheel, terugblikkend op een eeuwenlange, onvoorstelbaar rijke traditie, niet of nauwelijks is verteld.

Dit ‘in zijn geheel’ is momenteel nog te pretentieus. Ten eerste, omdat deze cursus zich heeft moeten beperken tot Europa, en ten tweede, omdat het onderwerp van deze ‘traditie’, de ont- wikkeling van het menselijk bewustzijn of de ziel en de daarmee verbonden wijsheid, feitelijk onuitputtelijk is. Wat meer is: pas sinds de tweede helft van de 20e eeuw beginnen de contouren hiervan zich voor het eerst duidelijker af te tekenen, worden telkens nieuwe schatten aangeboord en breidt het veld van onderzoek zich verder uit.

Bekend zijn de ‘grote verhalen’ van de ‘Verbeelding van het denken’; van de opkomst en geleidelijke neergang van het christelijk geloof in orthodoxe zin, de ‘godenschemering’. Een ander voorbeeld is het verhaal van de eeuwige vooruitgang van de menselijke levenscondities, die door de ontwikkeling van wetenschap en techniek zou zijn verzekerd.

In de tweede helft van de in alle opzichten revolutionaire 20e eeuw zijn vooral de Europese volkeren er getuige van geweest, dat al deze ‘grote verhalen’, ook die van de bloei en grootsheid van de cultuur en het idealisme van het menselijk geslacht, één voor één uitdoofden. Het boek van de -ismen werd definitief dichtgeslagen, het ‘einde van de geschiedenis ’als een onontkoombaar feit verkondigd.

Bewust van het feit, dat tegen de tijdstroom wordt opgeroeid, brengt deze cursus een ‘verhaal’ dat niet is uitgestorven. Ja, dat eigenlijk de laatste decennia na een soort van doodsslaap weer tot leven begint te komen. Het is zowel een verhaal dat in zijn tijdloosheid en universaliteit alle eeuwen overspant als een feitelijke geschiedenis, waarvan de sporen over tweeduizend jaar beschaving zijn terug te vinden. Een geschiedenis die, verborgen onder het oppervlak van de wisselingen van voor- en tegenspoed, oorlog en vrede, vertelt van de spirituele impulsen erachter, die we zouden kunnen omschrijven als de impulsen van de gnostieke bewustwording van de mensheid. Het is de geschiedenis die actueel wordt, als de mens leert omhoog te kijken. Niet zozeer omhoog naar de sterren, maar boven het dal uit van de grenzen die het ik-bewustzijn hem stelt, de grenzen van de mens, die op basis van zijn stukgelopen ervaring durft te erkennen dat er meer is dan het schijnbaar eeuwigdurende spel van wisseling, de nooit aflatende chaos van verandering die wordt verbeeld door het altijd wentelende wiel van ‘opgaan, blinken en verzinken’.

De geschiedenis van deze wielwenteling is bekend. Maar daarachter ontdekt men de geschiedenis van de daden van de wetenden, van de vrijgemaakten, die de oorspronkelijke bestaans- grond van de mens kennen. Die van daaruit keer op keer, impuls na impuls afgeven om te proberen anderen bewust te maken van het element van vrijheid dat in iedere mens ligt, maar door slechts weinigen wordt gevonden.We kunnen haar ook de geschiedenis van de ‘verborgen’ of ‘geheime’ leer noemen. Verborgen of geheim niet als een mystificatie, maar vanwege het niet kunnen of willen wegrukken van de sluiers die het bewustzijn bedekken.

Zo zonder meer is deze geschiedenis niet zichtbaar, ondanks het feit dat er grote namen mee verbonden zijn. Brokstukken van die geschiedenis zijn vaak gedurende vele eeuwen bewaard binnen de muren van stille kloosters, in bibliotheken of onder dikke lagen woestijnzand. Het grote overzicht echter ontbrak; de ononderbroken lijn van bevrijdende impulsen die deze brokstukken met elkaar verbindt, kwam pas aan het licht toen in de 20e eeuw een andere werkelijkheid zichtbaar werd. Een werkelijkheid die vele etiketten opgeplakt kreeg: occult, verborgen, esoterisch, geheim, hermetisch, volslagen dicht. Kortom, een werkelijkheid die, althans volgens populaire opvattingen, slechts aan een handjevol anonieme ingewijden was geopenbaard.

Toch hebben gedurende alle eeuwen voor en na Christus de getuigenissen ervan als ‘openbare geheimen’ onder ons gestaan. Zij zijn vastgelegd in oude geschriften en in bouwwerken die uitdrukking geven aan goddelijke ideeën en proporties. Beschouw de Egyptische piramides of de steencirkels uit de prehistorie, omvat de oorspronkelijke pracht van de Griekse tempels of stap een kathedraal binnen en tracht de symboliek daarvan te zien: het zijn in steen gehouwen afbeeldingen van volmaakte scheppingen. Zij wijzen op de machtige analogie met de schepping van de macrokosmos. Maar zij wijzen ook op de menselijke microkosmos die eens in glorie en harmonie bestond, voordat zij zo deerlijk geschonden werd.

Er is niets verborgen of onzichtbaar aan die bouwwerken. Ze zijn we l‘innerlijk’, in die zin dat zij gebaseerd zijn op een ‘innerlijke leer’, zoals Eduard Schuré in zijn inleiding tot De Grote Ingewijden uiteenzet. Het is deze ‘innerlijke leer’ die door leraren, profeten, bouwmeesters en kunstenaars is en wordt gebracht, zonder ophouden, aan de mens die er telkens niets ziend en niets horend aan voorbij loopt. Een verborgen geschiedenis, die de mens reeds vanaf het begin van zijn ontwikkeling begeleidt, maar die pas tastbaar en herkend wordt als die mens er aan toe is. Als hij geleerd heeft dat er in hem een element van vrijheid ligt, dat op een gegeven dag de herinnering in hem wakker schudt: je bent niet slechts een kind van de aarde, een voorbijgaande bezoeker van een slagveld, nee, je bent in wezen een vrije geest, een autonome uitbreiding van het goddelijke, dat alles in allen is.

Dan ontsluit zich waarheid, die universeel en boven alle speculatie verheven is, die in de innerlijke leringen van alle godsdiensten en de grote wereldmythen als bindend element wordt herkend. De wijzen, leraren en bouwmeesters wisten dat men haar niet kon bevatten en behouden zonder beknopte kennis van de fysieke wereld. Maar, zoals Schuré schrijft:

‘Zij wisten dat de waarheid vóór alles in de mens zelf woont, in het intellectuele bewustzijn en geestelijk leven van de ziel.Voor hen was de ziel de enige, goddelijke werkelijkheid, de sleutel van het Heelal. Door het volle meesterschap over hun wil en de ontplooiing van hun sluimerende vermogens bereikten zij dat brandpunt van leven, dat zij God noemden en welks Licht mensen en wezens doet begrijpen. Voor hen was, wat wij noemen de geestelijke groei, namelijk de geschiedenis van de wereld en het mensdom, slechts de evolutie in tijd en ruimte van deze Kernoorzaak en Einddoel […] Zij schitteren als sterren van de eerste grootte in de hemel van de zielen. Zij noemden zich: Krishna, Boeddha, Zoroaster, Hermes, Mozes, Pythagoras, Jezus, en waren machtige geestesvormers, onweerstaanbare bewerkers van zielen, zegenrijke grondvesters van gemeenschappelijk leven […]; zij hebben Kennis en Godsdienst in het leven geroepen, waaruit letteren en kunst voortvloeien en waarvan de innerlijke kracht ons nog voedt en doet leven […] ‘Aan hun vruchten zult gij ze kennen’, heeft Jezus gezegd. Dit woord van de Meester der Meesters is zowel van toepassing op de leerstelsels als op de mensen. Ja, de gedachte dringt zich op: of de waarheid is nooit voor de mens te bereiken, of zij is in ruime mate het eigendom geweest van de grootste wijzen. Zij rust in het hart van alle grote godsdiensten en in de gewijde boeken van alle volken. Men moet haar echter weten te vinden en los te maken.’

De innerlijke verlichting waardoor de waarheid werd vrijgemaakt in de vele groten van geest over wie in deze cursus gesproken wordt, is  – zo moet met nadruk gezegd worden – het erfdeel van iedere mens. Het is evenwel niet zo, dat de mensheid automatisch naar die bewustzijnsstaat toegroeit, want het gaat om een andere ontwikkeling dan de evolutie waarvan de gewone geschiedenis verhaalt. Op elk moment van de geschiedenis kon de mensen kan hij nog steeds ^ zich uit zijn natuurgebonden staat losmaken en de god-menselijke staat naderen. Het is daaraan, dat de leraren, kunstenaars en schrijvers van de werkelijke geschiedenis werkten en nog steeds werken.

Vandaar, dat de universele wijsheid, het onderwerp van deze cursus, zo’n geweldige zeggingskracht heeft.Vandaar, dat ook vandaag de Zend-Avesta’s van Zarathoestra, de godsdienst van Mani, de Phaido van Plato, de poëtische schoonheid van de Evangelie« n, de Poimandres van Hermes, de Ethica van Spinoza, Heinrich von Ofterdingen van Novalis en vele andere geschriften een ontvankelijke mensenziel nog altijd kunnen treffen. Het zijn de getuigenissen in schrift van de impulsen van de vrijmakende opvoeding van de mens, aanknopend bij dat wat altijd vrij is geweest in de mens: de Lichtvonk.

Met deze cursus wordt beoogd dit verleden, die rijke wijsheidstraditie, in de tegenwoordige tijd te plaatsen. Plaatsvervangend voor de innerlijke verlichting, waar zo velen in deze tijd naar haken, kan zij zeker niet zijn. Maar heeft men de geschiedenis van de ‘innerlijke leer’ eenmaal leren kennen en herkennen in zichzelf, dan, zo schrijft Schuré , ‘Rijst zij te voorschijn, duidelijk en klaar, bezield, steeds in harmonie met zichzelf.We kunnen haar ook noemen de geschiedenis van de eeuwige en universele religie. Dáár vinden we de occulte eigenschappen van de dingen, het verborgen deel van het menselijk bewustzijn, waarvan de historie ons alleen de werkende oppervlakte te zien geeft. Dáár komen wij aan het punt, waar religie en wijsbegeerte een aanvang nemen en zich aan het andere eind van de ellips weer verenigen door de volkomen kennis.’

In deze cursus Van Wijsheidsstromingen naar innerlijke Wijsheid duiden wij deze innerlijke leer aan als de Gnosis.‘Oorspronkelijk was de Gnosis de samenvatting van de oerwijsheid, de samenbundeling van alle kennis die direct heen wees naar het oorspronkelijke, goddelijk leven. Zo werd – en wordt – de goddelijke wijsheid gebracht aan de mensen, en de weg gewezen aan hen die wilden terugkeren naar het oorspronkelijke Vaderland.’

De cursus toont hoe het menselijk bewustzijn zich ontwikkelt van een kosmisch-mythisch bewustzijn via een persoonlijk, individueel bewustzijn naar een innerlijk bewustzijn dat zichzelf herkent in twee werkelijkheden: evenals als bewoner van de natuur die hem gevormd heeft en hem begrenst. En anderzijds als deelhebber aan de eeuwige wordingswereld die in de mens nog latent is, maar onbegrensde mogelijkheden in zich draagt. Daarmee is de gnostieke mens gekenmerkt.

Gnosis betekent ook letterlijk: ‘kennis’. Kennis van het zelf, ook wel ‘kennis des harten’ genoemd. Kennis, die het mysterie van de mens en de reden van zijn bestaan onthult. Een alles ontmantelende kennis en een alles vervullend inzicht. Een kennis die, voortkomende uit het hart, een nieuwe bezieling met zich meebrengt. Niet in het keurslijf van een dogma, niet als de leringen van een of andere autoriteit, maar gebaseerd op een herkennen vanuit een ontluikende, innerlijke rede. Universaliteit is het kenmerk van deze kennis. Daarom is zij van- zelfsprekend toegankelijk voor iedereen. Zij is de bron van al het religieuze en wijsgerige denken en is terug te vinden in de vele stromingen die door de eeuwen heen tot ontwikkeling kwamen. Zoals die van de Indische wijsheid, vastgelegd in de Upanishads, die van de Chinese wijsheid van Lao Zi en Zuhang Zi. Maar ook in die van de Griekse wijsheid, die van het oude Perzië , die van Egypte (de Driemaal Grote Hermes), de joodse wijsheid, overgeleverd in de Zohar en de Kaballa. En er is de oerchristelijke gnosis die werd herontdekt in de apocriefe en gnostiekeevangeliën. En tenslotte zijn er de christelijk-gnostieke stromingen van Mani, van de Graalmysteriën en van de Rozenkruisers. Op enkele van deze stromingen komen we in de cursus terug.

Zoals hierboven al werd gezegd, zijn wij pas sinds de tweede helft van de 20e eeuw in staat dit alles in een nieuw, wijder perspectief te plaatsen. Dit onder meer dankzij enkele bijzondere archeologische vondsten. In 1945 werd in Nag Hammadi in Egypte een bibliotheek met gnostiek-christelijke evangeliën ontdekt. Maar er werden daar ook hermetische teksten en een passage uit Plato’s Republiek gevonden. In 1947 volgde de ontdekking van de zogenaamde Dode-Zeerollen, een verzameling heilige teksten afkomstig van onder andere de joodse Essenen. Verder werden er in 1910 in China en in 1930 in Egypte al Manichese geschriften gevonden. De laatste, de zogenoemde Keulse Mani-Codex werd in 1969 ontdekt. Reken daarbij ook de herontdekking in het Westen van de Oosterse wijsheid, met hernieuwde belangstelling voor onder meer het Taoïsme, het Zen boeddhisme en het Tibetaanse Dodenboek en er ontstaat een volledig nieuw beeld van de gnostieke wijsheid die in de afgelopen jaren ook op universitair niveau onderwerp van studie is geworden.

‘Lange tijd’, zo schrijft W.J. Hanegraaff (Faculteit godsdienstwetenschappen te Amsterdam), ‘waren het voornamelijk de kerkvaders die de [christelijke] gnostiek bestreden, en die in hun geschriften vaak lange citaten weergaven van gnostische teksten waarvan de originelen later verloren zijn gegaan. Op grond van het door hen geschetste beeld werd de gnostiek door specialisten vooral gezien als een type van metafysische speculatie, gekenmerkt door een extreem dualisme tussen de lichtwereld van de goede God en de kwade materiële wereld […] Op grond van dit beeld werd gnostiek gezien als gekenmerkt door een diepgeworteld pessimisme ten aanzien van de schepping […] In deze vereenzelviging van gnostiek met een dualistisch systeem kwam verandering door de ontdekking in 1945 van een complete gnostische bibliotheek bij Nag Hammadi in Egypte. Het corpus van Nag Hammadi gaf het onderzoek naar de gnostiek een nieuwe impuls, en heeft geleid tot een genuanceerder beeld. Over het algemeen kan men zeggen dat de nadruk bij de omschrijving van de gnostiek tegenwoordig minder is komen te liggen op dualisme en wereldvijandigheid, en meer op de gnosis waarop de gnostici zich beriepen en waarvan de term gnostiek is afgeleid.’

Nu er voor het eerst serieus historisch onderzoek naar gnostieke geschriften wordt gedaan, is het mogelijk onderscheid te maken tussen de vaste, de blijvende en de dynamische, dat wil zeggen de zich aan het tijdsgewricht aanpassende kenmerken. In zijn standaardwerk over Gnosis vat Hans Jonas de vaste, universele kenmerken als volgt samen:
à
à
à
à

à

à à

Daarin is een aantal dynamische kenmerken te onderscheiden:

het dualistisch wereldbeeld, met een streng of gematigd onderscheid tussen de onkenbare God en de Demiurg, de lagere wereldschepper, ook wel aangeduid als Lucifer;

de voorstelling van een boze wereld;
apocalyptische gevoelens en ideeën, voortkomende uit de verlossingsleer.

een individuele relatie tussen God en mens;
de leer van de twee natuurorden;
het element van verlossing;
inzicht in en beleving van een werkelijkheid die als ‘niet van deze wereld’ wordt ervaren.

Binnen het dualistische wereldbeeld zijn verschillende opvattingen te zien. In bijvoorbeeld de gnostieke wijsbegeerte van Valentinus en Plotinus speelt het dualisme een minimale rol. Hermetische geschriften zoals de Poimandres bevatten naast dualistische ook pantheïstische passages van een kosmische religiositeit. Nadat tijdens de Renaissance het Corpus Her-meticum opnieuw was ontdekt, werd dit gnostieke geschrift vermengd met neoplatonische en christelijke invloeden en kreeg het overwegend monistische trekken. Dat wil zeggen: er is één God, één Schepping.

Bij de Gnosis van de klassieke Rozenkruisers ontbreekt een dualistische kosmologie. Typisch dualistisch daarentegen, van gematigd tot streng, zijn de meeste vormen van joodse, joods- christelijke en Manichese gnosis. In sommige gevallen, zoals bij de Bogomielen, is na te gaan hoe tijds- en leefomstandigheden het dualisme in hun scheppingsmythen kleurden.

Ondanks al deze nuanceverschillen mag men de idee van twee natuurorden als wezenlijk voor de gnostiek beschouwen. Met nadruk moet hier gezegd worden, dat het niet gaat om een theologisch vraagstuk. Het dualisme, in welke vorm dan ook, kwam altijd voort uit de elementaire strijd tussen licht en duisternis die in het eigen wezen van de gnosticus werd doorleefd en door- streden. Toch mag men hieruit niet de gevolgtrekking maken dat deze innerlijke strijd op de buitenwereld werd geprojecteerd en dat daaruit een dualistische kosmologie werd geschapen.

Wanneer nu de menselijke ziel in wezen goddelijk is en hetzelfde kan worden gezegd van de Wereldziel  – de eenheid waarin alle zielen opgaan – en tevens het goddelijke gelijk is aan het ‘Alleen-Goede’, dan wordt de vraag naar de oorsprong van het kwaad wel bijzonder urgent. Door deze vraagstelling krijgt het kwaad een veel dramatischer karakter dan het gewone ‘burgerlijke’ kwaad, dat op het horizontale vlak vaak met hetzelfde kwaad bestreden wordt en bestreden moet worden.

De gnosticus plaatst in zijn schouwend bewustzijn de tweedeling van licht en duisternis, goed en kwaad in een kosmisch perspectief.Voor hem dient het kwaad in de wereld en de menselijke ziel tot op de bodem te worden gepeild en verdragen, om vervolgens in het eigen wezen over- wonnen te kunnen worden. De gnosticus kan door zijn intuïtief schouwen doordringen tot de werkelijke polariteit die achter het tweeledige wereldbeeld van de twee natuurorden staat.Voor hem verrijst dan het beeld van de Oerschepper, of het Oerbegin als een centraal vuur, waar- omheen twee spiegels tegenover elkaar staan. Deze spiegels weerkaatsen het ene centrale vuur, maar ook elkaars spiegelbeeld tot in het oneindige. In religieuze termen: het centrale vuurbeginsel is de ene, ongedeelde God, Brahman,Tao, of hoe Het ook genoemd wordt. De filosoof zou zeggen: het is de Grond van het Zijn, terwijl de mysticus of devote gelovige slechts kan spreken over de ‘Onkenbare’, de ‘Onuitsprekelijke’ of het ‘Gans Andere’.

De spiegelbeelden zijn van het Oerbegin afgeleid. Zij zijn ‘als’ de bron die zij weerkaatsen, maar zij ZIJN het Oerbegin niet. Of zoals Plotinus het zegt: ‘want terwijl de natuur van het Ene alles voortbrengt, is het zelf niets van dat alles.’ Ziehier de Oerschepper in zijn twee gedaanten: enerzijds het centrale, ondeelbare vuurbeginsel – anderzijds de ontelbare, zich eindeloos uitbreidende spiegelbeelden daarvan. Hierin verschilt de Gnosis van de katholieke, joodse en islamitische dogmatiek, die uitgaan van een schepping uit het niets. De Gnosis kenmerkt zich door de idee van de Oerbron en haar ontelbare uitvloeiingen.

Maar er zijn twee spiegels. Dit heeft tot gevolg, dat er behalve de weerkaatsing van het vuur ook weerkaatsing van de weerkaatsing plaatsvindt. Met als gevolg, dat de twee spiegels en hun eigen spiegelbeelden een leven gaan leiden. Zij scheiden zich af van hetgeen zij weerkaatsen. Zij ontkennen als het ware hun oorsprong. Het is daarom, dat de gnosticus Mani het kwaad ‘het principe van de leugen’ noemde of ‘het misbruik van het Woord’. Door echter essentieel onder- scheid te maken tussen het wezen van het ‘Alleen-goede’ en het principe van het ‘kwaad’, stelde Mani – stelt de gnosticus – deze dus niet op gelijke hoogte. ‘Wezen’ en ‘principe’ zijn voor hem ongelijkwaardige begrippen.

Alles hangt af van het standpunt dat men inneemt. Plaatst men zich op het horizontale vlak en beschouwt men de realiteit van de verschijnselen van onderen op, dan lijken al het beweeg en gedoe een zinloos en wreed spel. En men zal, tenzij men onverschillig is, deze vorm van kwaad willen beschuldigen, aanpakken en de wereld uit helpen. Maar beschouwt men de zaken van bovenaf, kijkt men, geruggesteund door het besef van de ene Werkelijkheid, naar de realiteit van de dingen, dan ontdekt men dat de wortel van het kwaad onwetendheid is. Een fundamentele onwetendheid, die de spiegelbeelden afscheidt van hun bron. Maar ook de spiegelbeelden van de spiegelbeelden. Of concreet gezegd: de onwetendheid die de mens scheidt van God. En die iedere mens scheidt van zijn medemens. Met alle tragische gevolgen van dien.

Wie zich dit realiseert, zal die onwetendheid en afgescheidenheid willen opheffen. Om te beginnen in zichzelf. Dat is de strijd die dan innerlijk gestreden wordt. Dán is de leer van de twee natuurorden geen concept of model meer, niet langer het strenge dualisme dat leidt tot wereld-ontvluchting, maar zij is dan een prikkel om de beide naturen in zichzelf te overwinnen en de oorspronkelijke eenheid – het ene Vuur – te bereiken. Dan zal de persoonlijkheid de zuivere weerkaatsing van het Goddelijke kunnen worden en werkelijk kunnen evolueren, terwijl de Ziel ziet ‘van aangezicht tot aangezicht’, één met haar Geest. Kenner is dan de persoon, kennis is de Ziel, het gekende de Geest. Zij zijn dan drie-in-een! Zo komen wij weer bij de drievoudige kennis die pas als eenheid Gnosis genoemd mag worden.

Gnosis is altijd onlosmakelijk verbonden met zekerheid, met realisatie. Want in de Gnosis vallen de scheidsmuren tussen object en subject weg.Wat voor de bespiegelende geest als onmogelijk wordt gehouden, wordt werkelijkheid dankzij dit ‘innerlijke weten’ dat boven elke speculatie en boven elk geloof uitgaat. De oude Rozenkruisers baden daarom: ‘Heer, schenk mij de vreugde van het weten!’

Gnosis leidt tot zelfverwerkelijking. Het ‘ik’ is dat afgescheiden wezen, dat kijkend in de spiegel, zijn spiegelbeeld voor de ultieme werkelijkheid houdt. Maar het ware Zelf van de mens identificeert zich niet met het beeld dat hij van zichzelf heeft, maar met zijn Schepper, met het Oerbegin. Want het Zelf en God zijn één en dezelfde. Dit is het principe van alle religies.

Ditzelfde principe werd ook gehanteerd bij de magische rituelen van de zogenaamde heidense mysteriën uit de oudheid. Zij beoogden hetzelfde: namelijk de mens wederom te verbinden met zijn Schepper, om zijn Zelf in de eenheid van Schepper-schepping-schepsel op te laten gaan.

Wat leerden, of beter gezegd, brachten die oude mysterie« n? In principe: de vreugde van het leven en de wijsheid van de dood. Dood en inwijding waren in de oude mysteriën identiek. Inwijding betekende sterven bij bewustzijn. En opstaan uit die dood betekende leven als een vernieuwde, herboren mens. In de vreugde en zaligheid van de eenwording met al het geschapene. Het was de oer-polariteit van leven en dood, die in de mysteriën overwonnen werd.

Zo beschrijft Apuleius zijn inwijding in de Egyptische mysterie« n van Isis: ‘Ik naderde de grenzen des doods. Ik betrad de tempel van Persephone. Ik werd door alle elementen heen gedragen en keerde terug naar de aarde. Ik aanschouwde de Zon, stralend in heldere schittering, in het holst van de nacht; ik naderde de goden boven, en de goden daarbeneden, en vereerde hen van aangezicht tot aangezicht.’

‘Soms’, zo schrijft Andrew Welburn, ‘lagen de technieken van initiatie op het psychologische en geestelijke vlak; soms behelsden zij ook fysieke beproevingen van moed en onbevreesdheid; soms schijnt men dramatische taferelen en voorstellingen van de voornaamste mythen gebruikt te hebben.’

Het waren de grote mythen die de kandidaat nieuwe zin voor het leven en de hoop op onsterfelijkheid moesten geven. Welburn geeft aan dat het christendom in zekere zin de erfgenaam van de esoterische wijsheid van de mysterie« n is. Hij doet dit aan de hand van het gnostieke evangelie van de Pistis Sophia, dat een gedetailleerd verslag geeft vanJezus’ inwijding na zijn opstanding. In andere gnostieke teksten treedtJezus op als de goddelijke hiërofant. Dat wil zeggen, als een inwijder die voor de apostelen de geheimen van het Pleroma, de Wereld van Volheid, de éne Werkelijkheid, kan ontsluiten.

Welburn: ‘Door de hele westerse geschiedenis heen heeft het christendom een rol gespeeld in de zelfontdekking van de mens, de ontwikkeling van dit zelfbewustzijn en dit individualisme, dat het kosmische christen- dom onderscheidt van de godsdiensten van het oosten.’

Het besef dat de Gnosis in de geschiedenis en cultuur van het Avondland een derde ‘centrale’ component was tussen wetenschap en geloof, begint langzamerhand door te dringen. Een van de belangrijke verworvenheden is de erkenning, dat het oorspronkelijke christendom de essentie van de mysterie« n uit de oudheid in zich heeft opgenomen en tot haar kern heeft terug- gebracht. Is dan het mysterie van dood en opstanding in deze religie niet het grandioze sluit- stuk? Bovendien plaatst de herontdekking van de Gnosis het moderne christendom in een nieuwe actualiteit. De voordien gepredikte ‘Navolging van Christus’ (Thomas a’ Kempis) wordt nu verbonden met een nieuwe opgave en een nieuwe belofte, die voorheen aan de anonieme en bekende groten van geest was voorbehouden, maar nu ook door anderen kan worden gerealiseerd: de zelfverwerkelijking.

Samenvattend kunnen we stellen, dat de innerlijke leer of Gnosis geen ‘doctrine’ is. Het is geen filosofische of intellectuele vingeroefening. In haar verwijzingen naar het goddelijke, dat de grenzen van de menselijke logica en ratio te boven gaat, bevat zij opzettelijk aangebrachte paradoxen en raadsels. Niet alleen overbruggen die het in het Westen lange tijd gekoesterde verschil tussen het rationele en het irrationele, zij bieden vooral stof om doorworsteld te worden. Want in die worsteling met het raadsel ligt de inwijding verscholen. De Gnosis komt voort uit levende traditie. Zij is altijd verbonden met een manier van leven, die gebaseerd was en is op een praktijk van handelen en verwerkelijken.

Een beroemde hermetische tekst, de Asclepius, geeft ons als sleutel om tot die leer door te dringen de volgende aanwijzing: ‘Wees nu geheel en al aanwezig, geef je volledige aandacht, met alle begrip dat je in je hebt, met alle subtiliteit die je op kunt brengen.Want de onderwijzing over de godheid vereist een goddelijke concentratie van het bewustzijn om begrepen te worden. Het is als een woest stromende rivier, die zich zo gewelddadig naar beneden stort vanaf de hoogte, dat het met zijn gezwindheid en snelheid de aandacht niet alleen van wie ernaar luistert maar ook van die erover spreekt, verre achter zich laat.’

Deze gehele oud-nieuwe innerlijke leer is onlosmakelijk verbonden met een proces van constante vernieuwing en transformatie van de totale mens. De gevolgen van dat proces zijn nauwelijks onder woorden te brengen. Zij behoren tot het gebied van de persoonlijke ervaring, zoals bijvoorbeeld de Griekse wijsgeer Plotinus dat weergeeft:

‘Vaak, als ik ontwaak tot mijzelf uit het lichaam, en buiten alle dingen en binnen mijzelf kom, heb ik een visioen van onmetelijke schoonheid. Ik gevoel met zekerheid dat ik dan, zo ooit, in het betere deel van mijzelf woon en het beste van alle levens tot aanzijn breng. Dan ben ik verenigd met het goddelijke leven en ben vast daarin geworteld.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *