12. Karl von Eckartshausen

 

Rond de wisseling van de 18 naar de 19 eeuw schrijft Karl von Eckarshausen uit Beieren in Duitsland een aantal invloedrijke werken over christelijke theosofie. Zijn bronnen noemt hij nergens, maar het is duidelijk dat hij geïnspireerd wordt door in ieder geval de Bijbel, Paracelsus (fakkeldrager 1) en Jacob Boehme (fakkeldrager 7). Zijn geschriften hebben dan ook een authentieke rozenkruis-signatuur, en zijn op hun beurt belangrijke inspiratiebronnen voor bijvoorbeeld Louis-Claude de Saint-Martin (fakkeldrager 10), Arthur Edward Waite (fakkeldrager 15) en Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager 21). In het fonds van uitgeverij Rozekruis Pers zijn vier in het Nederlands vertaalde titels van hem opgenomen.

In het Europa van de 18e eeuw domineert een cultureel-filosofische stroming die wordt aangeduid als de verlichting. Die heeft niets te maken met spirituele verlichting, maar met een grote nadruk op het verstandelijke denken en logica. De verlichting is te zien als een reactie op het autoriteitsgeloof, en heeft positieve gevolgen zoals ontwikkeling van wetenschap en technologie, bestrijding van bijgeloof en intolerantie, en totstandkoming van zekere grondrechten.

In dat proces van verstandelijke ontwikkeling wordt wel het kind met het badwater wegegooid: men gaat er steeds meer van uit dat de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid de enige realiteit is, en ontkent het bestaan van andere werelden, geestelijke wezens en God. Enerzijds is dat gunstig omdat mensen zo energetisch los komen van de greep van kerken, anderzijds leidt de verlichting tot een zekere blindheid en doofheid voor impulsen vanuit geestelijke werelden en is in die zin eerder een ‘verduistering’. Eckartshausen schrijft in het eerste hoofdstuk van De wolk boven het heiligdom:

‘Vanwaar hebt u het licht, waarmee u anderen zo graag wilt verlichten? Zijn al uw ideeën niet geleend van uw zinnen, die u niet de realiteit geven, doch louter de verschijnselen? Is het niet waar, dat in tijd en ruimte alle kennis slechts betrekkelijk is? Is het niet waar, dat alles wat wij realiteit noemen of werkelijkheid, ook betrekkelijk is, want de volkomen waarheid wordt niet gevonden in de wereld van de verschijnselen.’

Eckartshausen is duidelijk een mens van zijn tijd omdat hij rationeel en systematisch te werk gaat, maar tegelijkertijd behoudt hij wel zijn openheid voor universele wijsheid zoals die zich manifesteert in onder andere mystiek, alchemie en kabbalah. Op zijn school werkt iemand die aanvankelijk een grote invloed op hem uitoefent: Adam Weishaupt. Deze man richt in 1776 de geheime orde van de illuminaten op, met verschillende graden en stappen zoals in de vrijmetselarij.

Aan de (adspirant)leden van de illuminaten wordt voorgehouden dat ze in de hogere graden belangrijke spirituele of geestelijke geheimen te horen krijgen. Karl von Eckarthausen is ontvankelijk voor die belofte en wordt op 24-jarige leeftijd lid. Hij komt echter bedrogen uit, want hij ontdekt dat het genootschap een dekmantel is voor een politieke organisatie die niet zulke nobele doelststellingen heeft: de koning afzetten, de religie afschaffen en de rede op de troon zetten. Karl onderneemt actie en zorgt ervoor dat de Beierse orde van de illuminaten wordt ontmanteld. Zijn negatieve ervaringen met de orde prikkelen hem tot verder onderzoek naar wat wel waar en juist is.

In de 18e eeuw zijn er verschillende bewegingen en groeperingen die de benaming Rozenkruis gebruiken. De grootste is de orde van de Gouden Rozenkruisers (Gold- und Rosenkreuzer) in Duitsland, waarvan in 1785 een indrukwekkend geestelijk testament beschikbaar komt in de vorm van het fraai en kleurrijk geïllustreerde boek Geheime Figuren der Rosenkreuzer. Daarnaast bestaan er groepen van theosofen en alchemisten, vooral in Frankrijk (onder de naam Réau Croix) en Italië. Evenals in Engeland in de 17e eeuw vindt er in de 18e eeuw op het vasteland van Europa een vermenging plaats van vrijmetselarij en rozenkruiserij.

Voor zover bekend wordt Karl von Eckarthausen geen lid van een rozenkruis-organisatie, maar hij staat wel in contact met leden van de Gold- und Rosenkreuzer en beschouwt hen als bondgenoten. Op verschillende plaatsen schrijft hij over een algemene wijsheidsschool die een hemelse leerstoel bezit in het binnenste van de geest, van wie alle kennis uitgaat. In ‘De mysteriën van de ware religie’, dat waarschijnlijk één of twee jaar voor zijn dood is geschreven, schrijft Eckartshausen het volgende.

‘De school, die zich uitsluitend met de bestudering van de goddelijke wetten bezighoudt en tracht deze in de mens, in het universum en in God zelf te leren kennen, wordt de goddelijke school van de wijsheid genoemd; een school, waar ieder die lichtgevoelig is leerling kan worden en die slechts één, nimmer falende leraar heeft: de Geest van God. Het onderwijs van deze school heeft de kennis van de mens, de kennis van de natuur en de ware kennis van God als doel; en de taak van de goddelijke leraar bestaat uit de ontwikkeling, de vorming en de hoogste vervolmaking van de fysieke, morele en verstandelijke natuur van de mens.’

Deze passage is duidelijk geïnspireerd op de hermetische wijsheid, waarin gesteld wordt dat God, de kosmos en de mens onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Ook in de wijsheidsschool is een drievoudigheid te onderkennen. In ‘Enkele woorden uit het binnenste’, gepubliceerd in 1797, onderscheidt Eckartshausen de uiterlijke school die zich richt tot de zintuiglijke mens, de innerlijke school die zich richt tot de mens die begiftigd is met verstand en de binnenste school die zich richt tot de mens die begiftigd is met rede.

De binnenste school is de school van de profeten, de school van de openbaring door de Geest van God en houdt verband met het heiligdom. De innerlijke school is de school van openbaring door de natuur en de religie en houdt verband met de tempel. En de uiterlijke school is de school van de zinnebeelden waardoor de stoffelijke mens altijd de weg kan vinden vanuit het uiterlijke naar het innerlijke en van het innerlijke naar het binnenste. De uiterlijke school houdt verband met de voorhof.

‘Alleen zij die door de eeuwen heen in het binnenste heiligdom waren, keken vanuit de tempel naar de voorhoven. Voor hen die in de voorhoven en de tempel waren, was het binnenste heiligdom nog gesloten. Er waren in alle eeuwen maar weinigen die van het innerlijke konden doordringen tot het binnenste. De meeste verbleven in de voorhoven, en alle veranderingen en verwikkelingen die zich in deze school voordeden hadden alleen betrekking op de voorhof. De tempel en het heiligdom bleven altijd onveranderd. Alleen de vorm is onderworpen aan de wetten van de tijd en aan haar veranderingen. De geest in het binnenste is onveranderlijk en eeuwig. De voorhoven konden ontwijd, ontsierd en ontheiligd worden, de tempel en het binnenste heiligdom echter nooit.’

Wie is de mens die dit schrijft? Dankzij de uitgebreide studie van de Franse onderzoeker Antoine Faivre is er vrij veel bekend over Karl von Eckartshausen en zijn werk. Hij wordt geboren als de zoon van een kasteelheer Karl von Haimhausen en diens hoofd van de huishouding Maria Anna Eckart. Aangezien zijn adellijke familie hem niet erkent, neemt hij later de naam Von Eckartshausen aan. Hij gaat rechten en filosofie studeren aan de universiteit van Ingoldstad die onder leiding staat van de jezuïeten in het katholieke Beieren. Op 24-jarige leeftijd wordt hij lid van de in 1759 opgerichte Beierse Academie van Wetenschappen en geesteswetenschappen.

Van 1780-1783 werkt hij als ‘Bücherzensur-Rat’, een soort financial controller. Daarna, in 1784, het jaar waarin hij ook trouwt met Gabriéle von Wolter, de dochter van de lijfarts van de keurvorst van Beieren, wordt hij benoemd tot ‘werkelijke geheime archivaris’ en drie jaar voor zijn dood in 1799, tot ‘eerste geheime huisarchivaris’. Binnen het vorstenhuis van Beieren zet hij het staatsarchief op en onderhoudt het. Een ander belangrijk deel van zijn baan bestaat uit het bijhouden van de persoonlijke correspondentie van zijn meesters.

Voor zijn werkgever schrijft Eckartshausen veel teksten en ook verzorgt hij lezingen en officiële redevoeringen. Naast zijn baan is hij in de gelegenheid om boeken te schrijven over onderwerpen die hem interesseren. Hij heeft contacten met vooraanstaande natuurwetenschappers, juristen, dichters en filosofen. Eckartshausen schrijft meer dan honderd titels waaronder boeken over zedenleer, jeugdboeken, toneelstukken en zeer diepzinnige spirituele boeken waardoor hij bekend is geworden en gebleven. Zijn bekendste werk is ‘De wolk boven het heiligdom’ en bestaat uit zes brieven. Hij streeft naar innerlijke verlichting en spoort zijn lezers aan om daar ook naar te streven.

Hoewel hij belangrijke functies bekleedt en invloedrijke werken schrijft (waarvan sommige postuum worden uitgegeven), is hij vaak arm en lijdt hij gebrek. In 1803 sterft hij onder trieste omstandigheden. Na Gabriéle was hij voor een derde keer getrouwd, ditmaal vrij ongelukkig, en hij laat zes kinderen in behoeftige omstandigheden na. Gelukkig laat hij ook na: een christelijk-hermetisch oeuvre dat tot op de dag van vandaag waardevol wordt gevonden. Pas aan het einde van zijn leven vindt Karl von Eckartshausen de werkelijke sleutel tot de hogere wereld. Hij schrijft:

‘Sinds enige maanden ontvang ik veelvuldige leringen van boven en sinds de 15e maart werden deze steeds merkwaardiger; ik ken in onze taal geen woorden om te verklaren hoe dat gebeurt, want de geheimen van de pneumatische wereld kunnen door het verstand zonder aanschouwing niet begrepen worden.[…] Ik ontving de volgende openbaringen:

  1. Dat er een wisselwerking bestaat tussen de wereld van de geesten en de fysieke wereld.
  2. Dat men hogere wezens, door de Heer, werkelijk spreken kan en verschillend onderricht van hen kan verkrijgen.
  3. Dat er een pneumatische wereld is waarvan het verstand geen idee heeft, tenzij het in deze wereld heeft leren schouwen.
  4. Hoe de mens deze aanschouwing werkelijk kan verkrijgen, ze kan beproeven en zich werkelijk overtuigen kan.
  5. Ik leerde dat ieder mens een geestelijk getal kan hebben waarmee hij door de innerlijke mens in de hemel in verbinding kan komen.
  6. Ik werd onderricht hoe drie met vier, en vier met drie verenigd wordt, zodat daarmee de driehoek in het vierkant staat.
  7. Ik werd in de natuurtaal en de karakters en de regels van de dingen ingeleid, die slechts het Lam opent, en die ik aan allen die Hem in geest en waarheid eren meedelen mag.’

Zeven aforismen van Karl von Eckartshausen

  1. Het is altijd de bedoeling van de wijsheidsschool geweest de mens uit de voorhof van zijn eigen zelf naar de tempel van de natuur te leiden en door de natuur heen, naar het binnenste heiligdom, naar God.
  2. Liefde, waarheid en wijsheid, de dochters van de hemel, hebben zich teruggetrokken in het innerlijkste heiligdom.
  3. Onder wijsheid verstaan we de goddelijke verlichting: wijs is hij van wiens innerlijk het goddelijke licht bezit heeft genomen.
  4. De mens kan het innerlijkste wezen van de natuur binnendringen; hij kan haar geheime werkplaats diepgaand onderzoeken; hij kan gebruik maken van haar principes om nieuwe scheppingen te doen ontstaan.
  5. Absolute waarheid bestaat niet voor de tot de zinnen sprekende mens; zij bestaat alleen voor de innerlijke en geestelijke mens die een geschikt vermogen bezit om de transcendentale wereld te ontvangen.
  6. De verlichting voltrekt zich niet met behulp van studie, niet door het geheugen, ook niet door bewijzen, noch door tijd, maar plotseling, in een oogwenk, zodra de ziel rein geworden is en in staat is het licht aan te trekken.
  7. Zoekt een mens de binding met de geest, dan wordt hij een goddelijke magiër.

Bron: Mysteriën fakkeldragers van het Rozenkruis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *