20. Zwier Willem Leene

 

 

Zwier Willem Leene (Wim, 1892-1938) is in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw onbetwist de leider van het Rozekruisers Genootschap in Nederland, een beweging die later zal uitgroeien tot de Internationale School van het Gouden Rozenkruis, het Lectorium Rosicrucianum. Daarin wordt hij vooral bijgestaan door zijn broer Jan Leene (fakkeldrager 21) en zijn hartsvriend Cor Damme. Deze drie pioniers worden gedreven door een grote aspiratie en hebben uiteenlopende kwaliteiten, waardoor ze elkaar uitstekend aanvullen.

Wim en Jan worden geboren en groeien op in een orthodox hervormd gezin in Haarlem en krijgen zo een flinke portie bijbelkennis mee, die hen later goed van pas komt. Ze hebben allebei zo hun twijfels over de calvinistische leer die ze met de paplepel krijgen ingegoten. Als ze hun bezwaren uiten, wordt daar in hun kring niet altijd even enthousiast op gereageerd. Zo concludeert een oom na een gesprek met de broers resoluut: ‘Wim kan misschien nog wel in de hemel komen, maar Jan zeker niet!’

Toch is er in ieder geval één hervormde predikant door wie Wim en Jan geïnspireerd worden: professor A.H. de Hartog. Deze theoloog wordt in 1910 predikant in Haarlem, waar hij volle kerken trekt omdat hij de geïmproviseerde kunst van het woord machtig is. Hij is filosofisch goed onderlegd. Hij en zijn vrouw – Luc de Hartog-Meyes – zijn bewonderaars van de geschriften van de Duitse protestantse mysticus Jacob Boehme (fakkeldrager 7), en hebben allebei een bloemlezing uit zijn werken samengesteld en gepubliceerd: ‘Uren met Boehme’ (later uitgegeven onder de titel Levend in de eenvoud van Christus) en De roede des drijvers verbroken. Wim en Jan Leene raken dankzij professor De Hartog ook onder de indruk van Jacob Boehme, en verzorgen later zelfs een Nederlandse uitgave van zijn eerste geschrift Aurora, morgenrood in opgang.

In 1917 zegent dominee De Hartog het huwelijk in van Zwier Willem Leene en Hendrica Edelijn. Uit dit huwelijk wordt één kind geboren: Han Leene (1928-2017). Han blijft zijn hele leven trouw aan de School van het Rozenkruis en neemt in 2012 het boek in ontvangst waarin toespraken, brieven en andere geschriften van zijn vader zijn opgenomen, en dat geschreven en samengesteld is door Peter Huijs. De titel luidt De vuurgloed van de ontstijging – een beschouwing over het leven en werk van Z.W. Leene in drie delen.

Wim voltooit een opleiding als stuurman en Jan werkt na het voltooien van zijn mulo-opleiding als kantoorbediende. Als in 1920 hun vader overlijdt, nemen zij zijn groothandel in textiel over. In de jaren dertig heffen zij die onderneming op omdat deze niet rendeert in de crisisjaren, en bijna al hun tijd gaat zitten in het werk voor het Rozenkruis.

BESTEL DE VUURGLOED VAN DE ONTSTIJGING

Wim en Jan worden sterk gevormd door de realistische theologie van professor De Hartog, maar als ze de Nederlandse afdeling van The Rosicrucian Fellowship en het daaraan verbonden gedachtegoed van Max Heindel (fakkeldrager 19) leren kennen, beseffen ze pas goed wat ze missen in het exoterische christendom waarmee ze zo vertrouwd zijn.

De Nederlandse afdeling van The Rosicrucian Fellowship staat dan onder leiding van mevrouw A. van Warendorp in Amsterdam. Zij is in 1916 leerling geworden. Als de gebroeders Leene in april/mei 1924 voor het eerst op een bijeenkomst in Amsterdam komen, zijn er ook al centra van The Rosicrucian Fellowship in Den Haag en in Baarn. De activiteiten bestaan dan vooral uit bijeenkomsten bij leerlingen thuis waarbij de deelnemers gezamenlijk de leringen van Max Heindel bestuderen en bespreken.

Wim en Jan zijn bijzonder enthousiast over de leringen van Heindel en worden lid op 24 augustus 1924. Daarom wordt die dag beschouwd als de oprichtingsdatum van de Internationale School van het Gouden Rozenkruis. De broers verlangen naar meer dan alleen wat huiskamer-esoterie, maken plannen en verzorgen in 1927 hun eerste lezing in een gehuurd zaaltje in Haarlem. In het boek De gnosis in actuele openbaring lezen we over die beginperiode het volgende.

‘Wij huurden met ongeveer 15 belangstellenden een gedeelte van het pand aan Bakenessergracht 13 te Haarlem, dat er toen heel anders uitzag dan nu. Hier kon een kleine tempel worden ingericht, en in het achterhuis een cursuskamer; alles op uiterst bescheiden schaal. Hier, in deze eigen omgeving, kon orde en een geregeld werktempo in de arbeid worden gebracht, hier kon het werk zijn eigen noodzakelijke ritme ontvangen, dwars door alle teleurstellingen heen, zoals die vooral aan het begin dikwijls voorkomen, wanneer er, bijvoorbeeld als de zaal gereed is en de bijeenkomst aangekondigd, niemand komt. Dwars door dergelijke en vele andere teleurstellingen heen ontwikkelde zich iets wat wij thans een krachtveld noemen.’

Wim is een charismatische man met een stevig postuur en een vurig karakter. In zijn vele toespraken bindt hij de strijd aan met de mystificaties en begoochelingen van zijn toehoorders, die veelal ouder zijn dan hijzelf. Zijn broer Jan is in de periode voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog veel ingetogener: hij houdt zich meer op de achtergrond en manifesteert zich sterker als schrijver dan als spreker. Wim besluit zijn eerste voordracht met de volgende woorden:

‘Rozenkruisers brengen geen godsdienst naar eigen bevinding of goeddunken. Zij zijn geen mensen die aan occultisme doen. Nee, we zijn ook geen boeddhisten. Zeker is Boeddha een verheven leraar geweest, en misschien het licht voor Azië. Maar de rozenkruisers willen zijn: christenen naar de ware zin van het woord. Zij leren dat de leer van de rozenkruisers, de leer van Christus is. Dat de rozenkruisers openlijk in hun vaandel schrijven: rozenkruis-christendom. De rozenkruisers leren dat het mogelijk is om eerstehands kennis omtrent de onzienlijke dingen op te doen. Maar als u omhoog wilt streven, zult u moeten werken en studeren.’

In 1925 starten de beide broers een uitgeverij annex verzendboekhandel voor het vervaardigen en distribueren van Nederlandse vertalingen van geschriften van Max Heindel. In 1928 komt daarvoor in de plaats het ‘Publicatiebureau van het Rozekruisers Genootschap’. In 1927 starten ze het maandblad ‘Het Rozekruis’ dat wordt uitgegeven onder auspiciën van de Fellowship. Dat tijdschrift vormt samen met de bijeenkomsten in de centra van Haarlem en Den Haag een grote samenbindende factor.

Van 1927 tot 1948 is Cor Damme voorzitter van het Rozenkruis-centrum in Den Haag. Als de beide broers hem leren kennen, is hij al een wereldburger want hij spreekt zijn talen en reist veel. Ook beschikt hij over een grote esoterische en zakelijke kennis. Dankzij die combinatie van talenten slaagt hij er later in om het gedachtegoed van het Rozenkruis uit te dragen op de continenten aan de andere kant van de Atlantische Oceaan.

Als Wim en Jan voor het werk van het Rozekruisers Genootschap in Den Haag zijn, overnachten ze nogal eens bij Cor. Tijdens de maaltijden bespreken ze uitgebreid de filosofie, de kosmologie en de universele leringen. Wanneer zij hun lezingen vergelijken, blijkt vaak dat zij alledrie onafhankelijk van elkaar hetzelfde onderwerp hadden gekozen.

Na de dood van Max Heindel in 1919 ontstaan er op het hoofdkwartier van The Rosicrucian Fellowship in Oceanside onenigheden over de opvolging en het beleid. Dat heeft tot gevolg dat er afsplitsingen plaatsvinden en dat uiteindelijk de weduwe van Max Heinde  Augusta Foss, de leiding krijgt. Zij heeft kritiek op de Nederlandse afdeling omdat die volgens haar het werk veel te veel vorm geeft naar eigen inzichten. Cor Damme reist daarom in 1934 naar Oceanside om te overleggen. Mede op basis van de resultaten van dat bezoek besluiten de leiders van de centra in Haarlem en Den Haag om zelfstandig verder te gaan als een Nederlandse organisatie. Door die verzelfstandiging komt er een stuwende en sprankelende kracht in het werk. De Nederlandse overheid erkent de organisatie vanaf dat moment en tot op de dag van vandaag als officieel kerkgenootschap.

In 1934 koopt het Rozekruisers Genootschap een stuk grond op de Veluwe bij Doornspijk met de naam De Haere. Van 1935 tot en met 1940 wordt daar jaarlijks een zomerschool gehouden die vier en later vijf weken duurt en waar diverse groepen steeds één week verblijven in een tentenkamp. De tempeldiensten worden gehouden in een speciaal daarvoor neergezette tent. Elke dag worden er voordrachten gehouden. Wim Leene is steeds de kampleider en hij wordt in die taak vooral bijgestaan door Jan Leene en Cor Damme. Later wordt op het terrein van De Haere het conferentiecentrum Noverosa (letterlijke betekenis: nieuwe roos) gebouwd, dat nu nog steeds als zodanig in gebruik is.

Wim Leene onderstreept in zijn voordrachten en artikelen steeds het belang van de realisatie van een spiritueel brandpunt van waaruit het werk met de inmiddels zo’n zeshonderd Nederlandse leerlingen verder gestalte kan krijgen. Het lukt hem de leerlingenschare te motiveren gul te geven vanuit het hart en de portemonnee voor de bouw van de eerste vuurtempel van het Rozenkruis in Haarlem. Bij de eerste steenlegging op 20 maart 1937 zegt hij:

‘Wij bouwen vanuit de aarde de toren die geen Babeltoren zal zijn, maar die werkelijk hemel en aarde als een eenheid zal verbinden.’

Op zaterdag 4 september 1937 wordt de nieuwe tempel gewijd door Jan Leene. Zijn broer Wim kan daar wegens ziekte niet bij aanwezig zijn, maar schrijft wel een brief die tijdens de dienst door Jan Leene wordt voorgelezen. Wim Leene geneest niet meer van zijn ziekte: in 1938 overlijdt hij aan een hartkwaal. Tijdens Kerstmis 1937 richt Wim Leene zich voor de laatste keer tot de leerlingenschare. Dat doet hij via een toespraak in de vorm van een geluidsopname vanaf zijn ziekbed, die wordt afgespeeld tijdens de kerstdienst. Daarin zegt hij onder andere:

‘Als wij het geboortefeest met Christus in waarachtigheid vieren, dan worden wij niet alleen door het licht beschenen, maar dan doet het ons aan, het verandert ons. […] Dan worden wij zo waar, dat andere mensen onze waarheid opmerken, zo, dat de in onwaarachtigheid bedrogene zich weer veilig weet in de waarheid. […] Uit God geboren, in Christus wedergeboren en door de Heilige Geest wassende, bid ik u toe dat de rozen mogen bloeien op uw kruis.’

Zeven aforismen van Wim Leene

  1. Inwijding is het zelf stichten van het koninkrijk van God in u.
  2. De mens kan de wijdende kracht van de liefde begrijpen door zich van natuurlijke mens om te zetten in geestelijke mens.
  3. De Christus-ontvanger dient de waarheid en er is niets dat hem hiervan kan doen afwijken, noch dood, noch miskenning, noch iets anders.
  4. Wanneer iemand niet met heel zijn enthousiasme en liefde, met heel zijn wezen, zit in dat wat hij gaat scheppen, kan er van schepping geen sprake zijn.
  5. Er is een waarheid in de wereld van ons mensen, die zó hoog, zó goddelijk is, dat we deze waarheid alleen maar kunnen vinden wanneer we opklimmen tot deze hoogte.
  6. Laten wij onszelf weten als een klein onderdeel van God, als een vonk van de goddelijke vlam en laat ons daarnaar handelen.
  7. De tempeldienst van de rozenkruisers is een magische ritus, die voor een ieder die er deel aan heeft van buitengewoon belang geacht kan worden.

Bron: Mysteriën en fakkeldragers van het Rozenkruis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *