Inleiding en inhoudsopgave van het boek ‘De vuurgloed van de ontstijging’ over Z.W. Leene door Peter Huijs

BESTEL DE VUURGLOED VAN DE ONTSTIJGING

Wie de nieuwe tijd wil begrijpen waarin hij leeft en van zijn leven in de eenentwintigste eeuw het juiste profijt wil hebben, doet er goed aan zijn geschiedenis te kennen. Beter nog: de geestelijke achtergronden te verkennen, waartegen hij zich nu eenmaal profileert, om vervolgens gevolgtrekkingen te maken en inspiratie te putten uit de grote impulsen die zij die hem voorgingen hebben ingezet. 

Een dergelijke verkenning kan beginnen met de vraag of het wel mogelijk is te begrijpen dat, en waarom, men in de eenentwintigste eeuw leeft? Wat houdt dat in? Is het vervolgens mogelijk zijn verhouding te bepalen ten opzichte van vorige eeuwen die, wat men er ook van zeggen kan, voorbij zijn? En ten derde, kan men de tombola van miljarden levens om zich heen overstijgen, en eindelijk weer aanknopen bij een zinvol begin? Want het moet toch zo zijn dat slechts een zinvol begin hoop kan bieden op een zinvolle voortzetting, en een bekroond bereiken. 

Er begint zich een tweedeling af te tekenen – en dan doel ik niet op de kloof tussen arm en rijk, jong en oud, of goed en slecht opgeleid. Het is een scheiding tussen leven en bewustzijn, tussen voortbestaan en bewust deel uitmaken van een fascinerende tijd, een tijd die iedereen voor dezelfde eis stelt. Het is de eis van de tijd. Niet van deze of een vroegere tijd, maar van de tijd áán de mens. Blijft hij een mens van de tijd, of breekt hij uit de tijd, om weer verbinding te maken met een tijdloze ontwikkeling, die in het innerlijk ligt en uitgaat van het binnenste? 

Voor de onderzoekende blik van de mens die wil weten hoe het levensmysterie zich keer op keer ontrolt, tekenen zich in de loop van de eerste jaren van elke eeuw grote impulsen af, die voortkomen uit de onvernietigbare godsdienst van het Gemoed, het groots verleden van de hermetische levensvisie. In de zeventiende eeuw waren dat de ‘geestelijke schatten’, die Christiaan Rozenkruis de samenleving aanbood, en het Aurora, de nieuwe dageraad van Jacob Boehme. 

Het eerste kwart van de twintigste eeuw kondigde zich aan met een explosie van initiatieven op spiritueel gebied – nadat die zeer bijzondere vrouw, H.P. Blavatsky, vanaf 1875 een bres sloeg in het materialisme dat het gehele westerse spirituele denken vleugellam dreigde te maken. In de slipstream daarvan treedt naar voren George R.S. Mead, die de ene westerse mysteriegodsdienst, die van de Gnosis, uit zijn windselen weet te halen, en die in 1909 de Theosofische Vereniging verlaat om een nieuwe geestelijke impuls te volgen. En zoals hij zijn er meer geweest. 

In de hiernavolgende inleiding komen drie personen naar voren, die in dit opzicht van groot belang zijn geweest. Ook hun inspiratie lag in twee bijzondere jaren, 1908 en 1909. Rudolf Steiner, Max Heindel en H. Spencer Lewis werden in het hart geraakt door het ideaal van de Orde van het Rozenkruis. Alle drie ondergingen zij krachtig een gewaarwording die hen niet alleen een zoekende mens maakte in geestelijk opzicht, maar hen bovendien bepaalde bij een naam en een begrip, een geestverwantschap en een uiterst bijzondere geschiedenis. Een historie die geen tijdlijnen en geschiedkundige feiten vastlegt, maar die wel – door en met bezielde mensen – een atmosfeer, een ideaal, een bijzondere manier van denken en een werkzame kracht in de tijd plaatst, in elke tijd en elke samenleving opnieuw. Soms groots, soms in het verborgene, in het kleine. 

Drie mensen, die zich herinnerden dat ‘God met grote wijsheid begiftigde mensen heeft doen opstaan, die alle kunsten zullen vernieuwen en vervolmaken, zodat de mens zijn adeldom kan begrijpen, waarom hij microkosmos wordt genoemd, en hoe ver zijn kennis zich uitstrekt tot in de natuur’, naar de woorden van de Fama Fraternitatis R.C.

Wat zegt dat nu nog? Wat hebben zij de eenentwintigste eeuw te bieden? Welke jongere raakt hierdoor nog geboeid? Een antwoord op die vragen kan slechts in het begrip ‘verbinding’ liggen. Het is de mens niet gegeven zijn eigen tijd te overzien: hij staat erin en is er een klein onderdeel van, en hij kan slechts handelen uit zijn eigen geest, die volop is bepaald door de geest van zijn tijd en de waan van de dag. Het innerlijk kompas, het aan zichzelf gelijk blijvend richtsnoer wordt hem slechts duidelijk door de handeling, de levensdaad die hij verricht. Niet in een maand of een jaar, maar door het leven dat hij voert. En het is slechts te hopen, dat daarin iets van het zinvolle begin doorklinkt. 

De juiste verhouding tussen innerlijk en uiterlijk, de zuivere proporties en de gulden snede van zijn leven – dat wat het zinvol maakt – leert een mens in een innerlijke school. Al de genoemde figuren, en nog veel anderen die hier niet zijn genoemd maar net zo te goeder trouw zijn geweest, hebben hun nadere leerlingen innerlijk onderricht gegeven. Jaren van overdenking, verheffing en contemplatie, tezamen met spiritueel onderricht veranderen een mens, zeker als hij dat weet te combineren met een leven van de daad dat zich uitdrukt in dienst – in dienst aan het geestelijke andere, en aan de ander als mens. 

Het is de opvatting van de schrijver dat daarin de winst voor de moderne mensheid ligt. Wie onze eeuw optimaal wil begrijpen, denkt niet meer in hokjes, facties of gezindheden – ook niet in goede en niet-goede scholen – maar kijkt vooruit, door de schotten en obstakels heen, en ziet dat elk van die bewegingen, voor zover haar zuil reikt, de hemel draagt. Iedereen die in spiritueel opzicht wakker wordt in zijn eigen tijd, staat op een gegeven moment op de fundamenten die vóór hem zijn gelegd, en weet dat hij gedragen wordt door hen, die vóór hem eenzelfde weg naar zinvolheid gingen. Dat maakt bescheiden, maar ook vastberaden, zeker, en vreugdevol.

Dit boek vormt in feite de ouverture van Geroepen door het Wereldhart, uitgegeven in het jaar 2009. Het bepaalt de lezer bij de beginkracht van de twintigste eeuw, en bij de impuls die in het tweede kwart van die eeuw werd ingezet. Het blikt terug op het werk van Z.W. Leene en probeert duidelijk te maken wat die beginkracht is geweest: esoterisch christendom van een niet mis te verstane snit. 

Z.W. Leene, met zijn broer Jan Leene stichter van het Rozekruisers Genootschap, ziet Christus als een reële geestelijke energie die in het binnenste werkt. Die je stelt voor een voortdurend, nauwgezet en niet te ontlopen zelfonderzoek, een onderzoek ook naar de motieven van wat je zoekt te verwerkelijken. En hij houdt je voor dat je met dit innerlijk tribunaal niet kunt schipperen: het is een eerlijke levensvraag, een ‘ja’ of ‘nee’ – daartussen ligt niets, hoogstens een pad, een weg, een leerlingschap in de klassieke zin van het woord. 

De titel van het eerste deel van het boek, Het bloedzegel van CRC (Christiaan Rozenkruis), drukt Z. W. Leenes levensmissie uit, en tegelijk dat wat voor hem doorslaggevend is geweest. De titel van het tweede deel, De vuurgloed van de ontstijging, geeft wel aan van welke aard de voorbeelden zijn van zijn vlammende schrijvershand. De scherpzinnige voordrachten, korte overdenkingen en fragmenten die we daarin hebben opgenomen, tonen zijn vurig oprecht hart, de directheid van zijn geest, en zijn inspiratie, die put uit een zuiver begrijpen van Christus’ wezen en bedoelen. Deel III, het boek Het Rituaal van de Rozenkruisers, geeft een samenhangend beeld van voelen en denken in de filosofie van een waarachtige rozenkruiser. De Broederschap van het Rozenkruis initieert bewegingen in de samenleving, waar maar mogelijk, om het bevrijdende Licht ingang te doen vinden en de zoekende mensheid bij te staan met het befaamde universele geneesmiddel van de rozenkruisers. 

De Orde van het Rozenkruis, vanuit het geestveld haar Broederschap beschermend, biedt een sfeer van kracht, van verbinding en vernieuwing; zij vormt het hoogste aanzicht van waaruit de broeders en werkers voortkomen. De universele broederschap is de catena aurea, de gulden keten van bevrijdende werkzaamheid, die zich uitstrekt tot het verste verleden, waar haar spoor zich verliest in de nevelen van de tijd. 

Alle levensessenties komen samen in het bloed; in het bloed spreekt, getuigt en werkt het hele wezen; in het bloed openbaart zich de ziel; zoals het bloed is, zo is de mens. Z.W. Leene entte zijn harteroos op het zegel van de Orde, het zegel van CRC, zoals Heindel, Spencer Lewis en Steiner dat vóór hem letterlijk op het Rozenkruis deden. Rudolf Steiner droeg als ketting een kruis met zeven rozen om zijn hals. 

Als hart en hoofd zich verbinden met die geestelijke atmosfeer, en het levensdoel daarin opgaat, verandert ook het bloed van kwaliteit. Het kan niet achterblijven, het wordt geestelijk. En alleen wat in het bloed is, wordt tot een nieuwe levensrealiteit – niet alleen voor de persoon, maar voor de gehele gemeenschap. 

In De vuurgloed van de ontstijging vindt de lezer een verzameling van een aantal voordrachten en kortere teksten die Z.W. Leene, deze ‘mysticus van het Rozenkruis’ in de vroege jaren dertig hield. Daarin zijn voorbeelden en zinswendingen die wel eens tijdgebonden zijn, maar niettemin tot ons spreken met de spirituele tinteling en de verfrissende geest waarmee Wim Leene, tezamen met zijn broer Jan Leene het esoterisch christendom, ondersteund door kosmologie, astrologie én astrosofie, verspreidde en uiteenzette. Daarin ging het eerste werk van het Rozekruisers Genootschap geheel op. 

Opnieuw de vraag: welke twintiger, dertiger raakt hier nu door geboeid? Wie zegt dat nog wat, in het eerste kwart van de eenentwintigste eeuw? Het antwoord moet luiden: hij die weet dat niemand ooit alleen kan staan. Hij die weet dat er een keten is, een keten van Licht, waarmee hij in verbinding staat, in bewuste verbinding of eerst nog in zoekende, aftastende zin. Hij die bij intuïtie ervaart dat verbinding, broederschap, geestverwantschap de sleutelwoorden zijn, die niet alleen in zijn tijd, maar in alle tijden het leven zinvol maken. Hij voor wie de woorden ‘nu’ en ‘binnen-in’ enige betekenis hebben, en die de latente krachten hervindt die in alle tijden tot een geestelijk omvatten en een spiritueel waarnemen voeren. In die zin is ‘tijd’ nooit anders dan vandaag, nooit anders dan het heden, waarin je de beginkracht grijpt, terugvindt. 

Z.W. Leene hervond die fluïden, en zijn levensopdracht bevestigd, toen hij voor het eerst het beeldmerk, het zegel van CRC in handen kreeg. De mens van nu vindt die zuivere geestelijke levenssfeer in ruime mate voorhanden, wanneer hij door het firmament van de tijd heen breekt en zijn blik opslaat in zijn innerlijk, en in de velden van de geest, het tijdloze, het immer voortstuwende Wereldhart. In die zin is er niet een mens van toen en een mens van nu. 

Ernstige overdenking, concentratie en contemplatie, maar ook vreugde, vriendschap en geïnspireerd leven vormen het innerlijke leven, en daar vindt zo een de ware bestaansgrond van de mens. Hij ervaart altijd verbinding, want dat is het begin. Hij vindt bewustzijn. Hij neemt de mens waar met zijn grenzen en vormen zoals wij het in ons gewone leven doen, maar hij ziet tegelijkertijd hoe alles wat in zijn ziel leeft, zich uitdrukt in datgene wat wij de aura noemen. 

Hij doorziet oorzaken en motieven, terwijl alle oordeel hem vreemd is. Hij kan dat, omdat hij niet meer zichzelf als de kern ziet waaromheen alles draait en in elke verbinding die hij ziet of aangaat, helpt hij door zijn waarne- ming – en zijn daad – de ander in vreugde het beste verder. 

Het is een nieuw bewustzijn, doortrokken van gnosis, van levend weten en verbonden zijn. Hij straalt leven uit, harteleven, zieleleven, naar alle dingen om hem heen; niets is betekenisloos, niets is meer grauw; en dit alles om het schitterende feit dat de mens er is. En waar hij voorheen de bedreiging van onze planeet vormde, is hij nu de vreugde van de planeet, en de vervulling, en de glorie ervan. In hem is het immer aan zichzelf gelijkblijvende richtsnoer – Christus – een bewustzijnszekerheid en om hem heen is en ervaart hij het geestveld, dat bijzondere serene veld dat Rudolf Steiner ‘het etherlichaam van Christiaan Rozenkruis’ noemde en de klassieke rozenkruisers indertijd: het domus sancti spiritus, het tehuis van de heilige geest. 

Haarlem, 4 september 2012 

Peter Huijs

Inhoud 

Opdracht
Voor mijn broeder
Het verborgen vuur
 ‘… in dit alles is onze aspiratie onveranderd gebleven…’ 
Inleiding 

DEEL I 

HET BLOEDZEGEL VAN CHRISTIAAN ROZENKRUIS 
Een beschouwing over het leven en werk van Z.W. Leene 

  • Het vuur van Z.W. Leene 
    De beginkracht
  • De eerste lezing in Holland’ 
  • Openbare activiteiten

Een sociale paragraaf. Een rol in het maatschappelijk bestel
De geestelijke achtergronden van de rozenkruiswerkzaamheid
in de nieuwste tijd
47 

De Orde van het Rozenkruis. Een spirituele paragraaf
De nieuwe impuls van 1604

1908-1909. Jaren van vrijbreken 
Rudolf Steiner, Max Heindel, H. Spencer Lewis, George R.S. Mead 

  • Vriendschap, aspiratie, vurige bezieling, geestelijk onderzoek 
    Haarlem en Den Haag 1924-1935
  • Drie vrienden. De rol van Cor Damme
  • Het bloedzegel van CRC

Het concept van de Jehovistische natuurorde
De eerste steen

De vuurtempel van het rozenkruis

  • De wijding
  • Een Boodschap – ‘Al het oude is nieuw geworden’. Brief van Cor Damme
  • Mogen de rozen bloeien op uw kruis.Brief van Z.W. Leene 

Vrucht dragen. Het overlijden van Z.W. Leene
Vonk – Vlam – Vuur – Licht 
Een mandaat wordt manifest 

Het werk is blijvend, de mens is een voorbijganger 

DEEL II 

DE VUURGLOED VAN DE ONTSTIJGING 
Voordrachten 

  • Gebed om toewijding bij ons streven 
  • Verantwoording
  • Het vlammende vuur
  • Aspiratie
  • Tegenstellingen
  • De witte loge
  • De tempel van Salomo
  • God is Licht
  • Inwijding
  • Het onvervreemdbare geestelijk bezit
  • Waakzaamheid
  • De tempelreiniging
  • Goden in ballingschap
  • Hemeltaal
  • De zuurdesem van Aquarius
  • Ontmoeting met Krishnamurti
  • De grijze oceaan
  • De kracht van gedachten 
  • Opstanding
  • De gouden ster
  • De twee zwaarden
  • Innerlijke bewogenheid
  • Z.W. Leene, broeder C.R.C. +

DEEL III 
HET RITUAAL VAN DE ROZENKRUISERS 

  • Magische ritus
  • Het gebed
  • Het latente vuur
  • Het is volbracht
  • De wijdende kracht van de liefde
  • De duistere rede
  • Kerstfeest
  • De gekruisigde god
  • Het wezen van de geestelijke gemeenschap
  • De belangen van anderen
  • Van de vrees en de vreugde
  • Slotbede

Bronvermelding bij deel II en III

Register

Verklaring van alchemistische symbolen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *