Essay 4

    Uitdagingen van geboorte, leven en dood – Het bewustzijn verruimen

hoofdstuk 13 van Mysteriën en uitdagingen van geboorte, leven en dood

De geestesschool stelt geen populair geloof, doch een klaar en positief weten. Geen weten in de zin van een verzamelen van feitenmateriaal, van dogma’s, frasen, stellingen, hypothesen enzovoort, dat de mens uiteindelijk toch met lege handen laat staan, maar een weten begrepen als ‘omvatten’, doorschouwen, innerlijk bezitten, onweerstaanbaar en volstrekt.
Als de verhouding tussen de School van het rozenkruis en de belangstellende bestudeerder zich op deze basis ontwikkelt, is er geen sprake van autoriteit en van stupide volgzaamheid, doch van een innerlijk herkennen, van het bewust volgen van een in het eigen zelf gewaarmerkt pad.
Drie sluimerende vermogens moeten zich in het leven van de leerling openbaren: het vermogen tot een nieuwe wil; het vermogen tot een nieuwe wijsheid; het vermogen tot een nieuwe werkzaamheid. De nieuwe wil wordt in de geestesschool in de leerling ontwikkeld door de geestwet, de nieuwe wijsheid door de filosofie van de geestwet; de nieuwe werkzaamheid door de toepassing van de geestwet.

J. van Rijckenborgh, Elementaire wijsbegeerte, hoofdstuk 1

Wat in jou is het dat je aanzet om dit boek te lezen? Wat in jou zorgt ervoor dat je in de keurig gerangschikte vlekjes drukinkt op deze bladzijde letters en woorden herkent, en begrijpt welke gedachten door de auteurs worden weergegeven? Wat in jou merkt op dat er bij het lezen van de zinnen gedachten bij je opkomen? Wat in jou zet je aan om in je leven misschien wel iets te gaan doen met wat je in dit boek leest? Al deze vragen kun je beantwoorden met: mijn bewustzijn! In zekere zin is dat juist, want het gaat inderdaad om bewustzijn, een benaming die eigenlijk meer een werkwoord is dan een zelfstandig naamwoord: bewust zijn!

Het is echter de vraag of het gaat om jouw bewustzijn. Als persoonlijkheid zijn we van nature geneigd om alles wat we ervaren onszelf toe te eigenen, om ons te identificeren met gedachten, gevoelens en wilswerkingen die in ons opkomen. Bewustzijn manifesteert zich in en door de persoonlijkheid, en bepaalt de staat van zijn van de persoonlijkheid, maar het is meer dan de persoonlijkheid.

Voor mensen die een spirituele weg willen gaan is een juist begrip van bewustzijn essentieel. Alle authentieke spiritualiteit is er namelijk op gericht om het bewustzijn van de mens en de mensheid te verruimen. Veel problemen waarmee we op aarde te maken hebben vloeien voort uit een gebrek aan bewustzijn. In het godsplan ligt besloten dat ons diepste wezen groeit in bewustzijn, tot in het oneindige!

BESTEL MYSTERIËN EN UITDAGINGEN VAN GEBOORTE, LEVEN EN DOOD

Maar wat is nu eigenlijk bewustzijn? De internet-encyclopedie Wikipedia definieert: ‘Bewustzijn is het vermogen om te kunnen ervaren of waarnemen, oftewel een beleving of besef hebben van jezelf en de omgeving. Bewustzijn is een reflectie op indrukken uit de buitenwereld, bijvoorbeeld van mensen, voorwerpen of licht, en uit de binnenwereld, bijvoorbeeld van emoties, gedachten of behoeften. Het bewustzijn is weten of ervaren wat er zowel zintuiglijk als cognitief in jezelf omgaat, met eventueel de mogelijkheid om daarover op een bepaalde manier te kunnen communiceren.

Teneinde een breder beeld te geven van bewustzijn, volgen hieronder zeven citaten van spirituele leraren en onderzoekers.

  • Bewustzijn is het meest fundamentele dat bestaat. Het universum en alles wat zich daarin bevindt wordt gecreëerd door de energie en de beweging van bewustzijn. De microkosmos en de macrokosmos zijn niets meer dan bewustzijn dat zichzelf ordent. (Sri Aurobindo)
  • Alles in het universum, door alle rijken heen, is bewust, is voorzien van bewustzijn van zijn eigen soort en op zijn eigen vlak van perceptie. (Helena P. Blavatsky)
  • Als we ophouden om primair te denken aan onszelf en onze zelfhandhaving, ondergaan we werkelijk een heroïsche transformatie van bewustzijn. (Joseph Campbell)
  • Als we groeien in bewustzijn, zal er meer compassie en meer liefde zijn, en dan zullen de grenzen tussen religies en naties vervagen. Ja, we moeten afgescheidenheid overwinnen. (Ram Dass)
  • Datgene in onszelf wat we niet in ons bewustzijn laten doordringen, doemt in ons leven op als het noodlot. (Carl Gustav Jung)
  • Iedere poging tot meditatie is de ontkenning ervan. Alleen gewaar zijn van wat je denkt en doet is meditatie en niets anders […] Meditatie betekent het bewustzijn ontdoen van zijn inhoud. (Jiddu Krishnamurti)
  • Laat gewoon los. Laat je gedachten los over hoe je denkt dat je leven zou moeten zijn en verwelkom het leven dat een weg probeert te vinden in je bewustzijn. (Caroline Myss)

Bewustzijnsstaat is levensstaat

Al deze uitspraken zijn in overeenstemming met de visie die Jan van Rijckenborgh uitdraagt in zijn boeken. In het eerste hoofdstuk van zijn boek De gnosis in actuele openbaring schrijft hij on-der andere:

‘In de zin van de gnosis is beoefende theorie nimmer praktijk. Voor de gewone wereld, in onze gewone natuur, is praktijk altijd toegepaste theorie. Men leert een poos wat, en wanneer het geleerd is brengt men het in toepassing. In ons levensveld gaat het individu van het theoretische in het praktische stadium over.
Maar in de zin van de gnosis is praktijk altijd het gevolg van een bewustzijnsstaat! En een bewustzijnsstaat brengt consequenties met zich. Immers een bewustzijnsstaat is een werkelijkheid, en uit die werkelijkheid van het bewustzijn tracht men te leven. De levensstaat die zich zo ontwikkelt, waaruit men dus gaat werken en streven, is dan even werkelijk als de bewustzijnsstaat en heeft niets te maken met toegepaste theorie.
Daarom zeggen wij tot u: bewustzijnsstaat is levensstaat! De ene werkelijkheid moet zich projecteren in en door de andere. Dan is er evenwicht. Blijft dat evenwicht uit, dan voelt de mens zich altijd dood- ongelukkig, zeer ontevreden, hevig ongerust. Dat is een natuurwet. Bewustzijnsstaat is dus levensstaat, en bepaalt als zodanig het levensgedrag. Daarom is bewustzijnsstaat tegelijkertijd bloedsstaat.’

De klassieke rozenkruisers uit het begin van de zeventiende eeuw leefden in een tijd waarin veel nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen werden gedaan en waarin nieuwe kerkgenootschappen werden opgericht. Zij streefden ernaar om op basis van nieuw bewustzijn de kennis van de wetenschap, van de religie en van de mens met elkaar te verbinden, want zij ervoeren dat zo’n vernieuwing hard nodig was omdat velen vasthielden aan verouderde concepten en er mede daardoor veel strijd was. In het manifest Fama fraternitatis R.C.’ uit 1614 noemen zij de mens een microkosmos en maken zij gewag van drie symbolische boeken: het boek M (dat verwijst naar Mundi, wereld of kosmos), het boek T (dat verwijst naar Theos of God) en het boek H (dat verwijst naar Homo of de mens).

Dit idee ontleenden de klassieke rozenkruisers aan de hermetische filosofie, waarin de verhouding tussen kosmos, Theos (God) en antropos (de mens) centraal staat. Aan het einde van de twintigste eeuw is dit idee verder uitgewerkt door de Spaanse theoloog Raimon Panikkar (1918-2010). Hij is een groot voorstander van de interreligieuze dialoog en beschouwt de zogeheten kosmotheandrische intuïtie daarvoor als een goed uitgangspunt. Pannikar bouwt voort op de klassieke idee dat het ongedeelde gewaarzijn van de totaliteit wordt gekenmerkt door een kosmische dimensie, een goddelijke dimensie en een menselijke dimensie.

Dit kosmotheandrische wereldbeeld gaat er dus van uit dat we leven binnen één dynamische werkelijkheid waarin het goddelijke, het kosmische en het menselijke op elkaar betrokken zijn en elkaar toebehoren. Bij de mens staan die drie dimensies bekend als respectievelijk het de geest, de ziel en het lichaam. Deze drie dimensies kunnen niet los van elkaar worden gekend, maar kunnen uitsluitend in hun samenhang worden ervaren door de mens met een actieve ontvankelijkheid, vanuit gewaarzijn.

Jan Amos Comenius (1592-1670) verwerkt de samenhang tussen kosmos, God en mens in zijn ‘pansofie’ die hij omschrijft als ‘universele wijsheid, namelijk de kennis van alle dingen die er zijn, van de manier waarop zij bestaan en de wetenschap omtrent hun doel en gebruik, waartoe zij er zijn.’

Hierover schrijft Comenius in 1641 in zijn geschrift Via lucis:

‘Volgens de doelstellingen van de Schepper is de wereld niets anders dan een voorspel tot de eeuwigheid, als het ware een lagere school waar wij heen worden gezonden voordat wij tot de hemelse hogeschool kunnen worden bevorderd. En daarom heeft hij zijn school rijkelijk uitgerust met zijn boeken. Want aangezien het hier onze taak is te leren, en leren zonder boeken of mondeling onderricht niet mogelijk is, onderwijst hij ons, daar dat laatste is voorbehouden aan de eeuwigheid, in de tussentijd met behulp van zijn boeken.
Drie boeken heeft hij ons geschonken, alle drie afschriften van zijn eeuwigheid, dat wil zeggen van hemzelf, als het ware als van een origineel. Het eerste en grootste boek van God is de zichtbare wereld, geschreven in even veel letters als daarin schepselen van God te zien zijn. Het tweede boek is de mens zelf, geschapen naar Gods beeld. Voor hem, bezield door de adem van goddelijk leven, dat wil zeggen door de redelijke geest gemaakt tot de maat van alle dingen.
God heeft de mens evenwel nog een derde boek ter hand gesteld, als het ware een toelichting op het uiterlijke boek van de wereld en als richtsnoer voor het geweten, dat het innerlijke boek is: de Heilige schrift, waarin Hij licht werpt op sommige meer verborgen zaken in beide andere boeken, en het ware doel en gebruik van alle dingen onderwijst. In dit drievoudige boek van God is alles begrepen wat wij mensen moeten weten of niet weten, en tot nut van allen helder uiteengezet.’

Materie en geest

Het door de klassieke rozenkruisers en Comenius gewenste samengaan van wetenschap en religie vond niet plaats. Integendeel! De beide domeinen groeiden vanaf de zeventiende eeuw steeds meer uit elkaar omdat materie en geest als twee tegengestelde principes werden gezien. De Franse filosoof René Descartes (1596-1650), die twintig jaar van zijn leven in Nederland woonde, wordt vaak gezien als de initiator van dit dualisme. Van hem is de beroemde uitspraak ‘Cogito ergo sum’ of ‘Ik denk, dus ik ben’. Descartes ontleende zijn identiteit dus aan zijn denken, waarmee hij zich blijkbaar identificeerde. Hij was een overtuigd christen en schreef onder andere een manuscript waarin hij onthult een werk te schrijven dat opgedragen zou worden aan alle geleerden in de wereld, maar aan de broeders van het Rozenkruis in het bijzonder.

René Descartes was op zoek naar een vast punt in een voortdurend veranderende wereld en vond, heel paradoxaal, zijn zekerheid in zijn twijfel. Hij redeneert: ‘Ik twijfel, dus denk ik, dus ben ik.’ Deze positionering wekt de indruk alsof hij zich bevindt tegenover en los van een objectieve werkelijkheid, die object is, voorwerp van zijn zien, zijn horen, zijn ruiken, zijn proeven, zijn voelen en zijn kennen. Dat idee verwerkte hij in een eigen filosofisch systeem waarmee hij de basis legde voor de stroming van het rationalisme.

Mede dankzij Descartes’ methode van en visie op wetenschappelijk onderzoek konden natuurwetenschappen en technologie zich tot grote hoogte ontwikkelen. Maar daar is wel een hoge prijs voor betaald: een ontwikkeling die de socioloog Max Weber (1864- 1920) aanduidt met ‘de onttovering van de wereld’. We zouden het ook kunnen noemen: de ontheiliging van de mysteriën van het leven. Binnen de natuurwetenschappen wordt het bestaan van goddelijke krachten immers niet erkend en wordt ervan uitgegaan dat we alles rationeel kunnen doorgronden en verklaren als we maar voldoende wetenschappelijk onderzoek doen.

Als we de mens louter zien als een diersoort die min of meer bij toeval gedurende een lange evolutie is ontstaan en een bepaald bewustzijn heeft als gevolg van fysisch-chemische en biologische processen in het brein, wat voor zin heeft het leven dan? Als er geen verticale dimensie is waar je als mens contact mee kunt hebben, als er geen goddelijk plan is, als er geen groots perspectief is voor de mensheid, als we weten dat we er over honderd jaar niet meer zijn en als we weten dat het eens afgelopen zal zijn met al het menselijke leven op aarde, waar kunnen we ons dan nog door laten inspireren?

Volgens Max Weber kan de moderne wetenschap zingevingsproblemen niet oplossen, maar ze slechts veroorzaken en versterken. Aangezien er in deze geen weg terug is, zo concludeert hij, kan de moderne mens niets anders doen dan dit tragische lot zonder illusies aanvaarden – de zinloosheid van het bestaan op heroïsche wijze zien ‘uit te houden’ zonder zijn toevlucht te nemen tot utopische dromen of beloften.

Kan de wetenschap ons echt geen perspectieven bieden op basis waarvan we ons leven zin kunnen geven? De Franse paleontoloog, theoloog en filosoof Pierre Teilhard de Chardin (1881-1955) was ervan overtuigd dat wetenschap en religie wel degelijk samen kunnen gaan en dat we als mens zijn opgenomen in een machtig geheel dat zich steeds verder ontwikkelt.

Teilhard was jezuïet en katholiek priester, en schreef boeken waarin hij het christelijk geloof in overeenstemming probeerde te brengen met de evolutietheorie waarvan de basis is gelegd door Charles Darwin (1809- 1882). Zijn aanhangers beschouwden hem als een geniale visionair, maar door zijn orde, zijn kerk en ook door vele wetenschappers werd hij in de ban gedaan omdat zijn visie niet strookte met het religieuze leergezag en de wetenschappelijke paradigma’s.

Teilhard de Chardin gaat ervan uit dat de natuur kan verinnerlijken omdat de materie beschikt over een ‘binnenkant’ die hij aanduidt als ‘psychisme’. Alle manifestaties herbergen dit psychische element, maar in verschillende gradaties en concentraties. Volgens deze zienswijze, die bekend staat als het panentheïsme – niet te verwarren met pantheïsme – is God immanent in het gehele universum, is het universum deel van God en is God de drijvende kracht in het universum. Deze monistische opvatting treffen we ook aan in onder andere het hermetisme, in enkele stromingen van het jodendom, in de meeste stromingen van het hindoeïsme, bij de kerkvader Origenes (185-254) en bij de filosoof Spinoza (1632-1677). De soefi-mysticus Roemi (1207- 1273) formuleert dit principe poëtisch als: ‘God slaapt in de rots, droomt in de plant, beweegt in het dier, en ontwaakt in de mens’.

Kosmogenese, biogenese, antropogenese en christogenese

Volgens Teilhard is de verinnerlijkende energie de stuwende kracht achter de evolutie die leidt tot drie processen: de kosmogenese (het ontstaan van het universum), de biogenese (de sprongmutatie van levenloze tot levende materie) en de noögenese (de sprongmutatie naar zelfbewustzijn). Zo kunnen er voor de aarde drie sferen worden onderscheiden die na elkaar tot ontwikkeling kwamen: eerst de geosfeer met de materie van de planeet, vervolgens de biosfeer met alle aardse organismen en daarna de noösfeer die verband houdt met het menselijke bewustzijn en die tot uitdrukking komt in de maatschappij.

Vaak wordt er tegenwoordig ook nog een vierde sfeer onderscheiden die betrekking heeft op technische voorzieningen die de mens heeft gecreëerd, zoals land- en tuinbouwgronden, woningen, fabrieken, infrastructuur, voertuigen, apparaten en computers. De menselijke activiteiten hebben een enorme impact op de natuur en het milieu. Zo sterk zelfs dat de aarde dusdanig veranderd is door de mens, de antropos, dat er door meerdere geleerden al wordt gesproken over een nieuw geologisch tijdperk: het Antropoceen (zie afbeelding 15).

Met de noögenese, de wording van het zelfbewustzijn, ontstaat de biologische soort die bekend staat als Homo sapiens, de wetende mens die wordt gekenmerkt door zelfbewustzijn dat zich steeds verder kan ontwikkelen. Teilhard betoogt dat de mens is uitgestegen boven het dierlijke niveau door de kracht van de verinnerlijking en dat hij door zijn mogelijkheid tot reflectie in staat is om de kosmos en zichzelf te overstijgen.

Rudolf Steiner onderscheidt in de maatschappij drie levenssferen waarin het menselijke bewustzijn tot uitdrukking komt en dat bekend staat als de sociale driegeleding. Daarbij gaat het ten eerste om het economische leven met productie, distributie en consumptie. Daarin zou het principe van broederschap centraal moeten staan. Ten tweede is er het rechtsleven met wetten, regels en afspraken om alles in goede banen te leiden. In dit domein is het beginsel van gelijkheid essentieel. En ten derde is er het culturele leven met onder andere wetenschap, religie, kunst en opvoeding, dat in het teken dient te staan van vrijheid.

In die drie maatschappelijke levenssferen hebben zich in de loop van de geschiedenis ingrijpende ontwikkelingen voorgedaan. In het economische leven is de productiviteit met sprongen vooruit gegaan. Mensen in uiterst primitieve samenlevingen jagen en verzamelen om in hun levensonderhoud te voorzien. Met de opkomst van de landbouw kon één persoon misschien wel vijftig keer zoveel voedsel produceren dan een jager-verzamelaar. De productiviteit werd nog een keer vijftig keer vergroot met de opkomst van de industrie waarin machines worden gebruikt.

Ondernemingen die zich volledig richten op het huidige informatietijdperk kunnen wel vijftig keer zo productief zijn als vergelijkbare industriële bedrijven. In het economische leven is het bewustzijn van de mens dus een steeds grotere rol gaan spelen. Meerdere hedendaagse denkers zijn van mening dat de talloze apparaten in ons leven zijn gekomen om ons in staat te stellen om als mens te groeien.

De grote vraag is waar de genoemde evolutionaire processen toe leiden. Volgens Pierre Teilhard de Chardin zullen de ontwikkelingen uiteindelijk uitmonden in iets wat hij het punt omega of het omega-punt noemt, ontleend aan de uitspraak ‘ik ben de alfa en de omega’ uit de Openbaring van Johannes. Teilhard ziet het punt omega als de toestand van de door Christus verloste mensheid. De mensen hebben zich dan zodanig verinnerlijkt dat zij het mystieke lichaam van Christus zijn geworden. Dat is mogelijk omdat de Schepper zichzelf aan het evolutieproces onderhevig maakt door mens te worden in de vorm van Jezus Christus. Dat is een onderdeel van een ontwikkeling die Teilhard ‘christogenese’ noemt, de wording van Christus.

In de visie van Teilhard is Christus al aanwezig vanaf het begin van de schepping, de big-bang, ontvouwt zich in de vorm van bewustzijn in het universum en komt tot expliciet bewustzijn in de persoon van Jezus. Dat moment in de historie is te zien als een nieuwe oerknal die een ontwikkeling in gang zet waarin mensen groeien en de volheid in liefde bereiken in het punt omega. In zijn boek ‘Het verschijnsel mens’ schrijft Teilhard de Chardin: ‘Het succes van de evolutie van de mensheid zal niet worden bepaald door “het overleven van de sterkste”, maar door ons eigen vermogen om te convergeren en te verenigen.’

Groeien in bewustzijn

Als mens zijn we geroepen om te groeien in bewustzijn. En als ons bewustzijn toeneemt, wordt ook onze verantwoordelijkheid groter. In de Bijbel komt het begrip bewustzijn als zodanig niet voor, maar in meerdere bijbelboeken kunnen we op verschillende plaatsen wel lezen over groeien in kennis, wijsheid en genade, waarmee hetzelfde wordt bedoeld. Het proces van bewustwording leidt ertoe dat oude denkbeelden als vanzelf worden losgelaten omdat die niet meer functioneel zijn en verdere ontwikkeling zelfs belemmeren. Als gevolg van toenemend bewustzijn sterven verouderde paradigma’s en veranderen percepties.

Paulus vergelijkt groeien in bewustzijn met volwassen worden: ‘Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, overlegde ik als een kind, maar nu ik een man geworden ben, heb ik het kinderlijke tenietgedaan. Nu immers kijken wij door middel van een spiegel in een raadsel, maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten dele, maar dan zal ik kennen, zoals ik zelf gekend ben.’
(1 Korinthe 13:11,12)

Vanuit een ander gezichtspunt verruimen we ons bewustzijn door te worden als de kinderen, die alles en iedereen open, onbevooroordeeld en vol verwondering tegemoet treden, en die veel meer dan ouderen nog in contact staan met de verticale dimensie. Daarom zei Jezus: ‘Als u zich niet verandert en wordt als de kinderen, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan. Pas op dat u niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg u dat hun engelen in de hemelen altijd het aangezicht zien van Mijn Vader, die in de hemelen is.(Mattheüs 18:3,10)

Volwassen worden en tegelijkertijd worden als een kind is dus geen tegenstrijdigheid, maar een schijnbare tegenstrijdigheid, een paradox. Paradoxale spirituele uitspraken worden door een lager bewustzijn, dat gefocust is op het uiterlijke niveau, vaak ervaren als verwarrend en bedreigend omdat het behoefte heeft aan duidelijkheid en denkt in tegenstellingen als goed-slecht, bijbels-onbijbels, christelijk-heidens, wij-zij enzovoort.

Voor een hoger bewustzijn, dat gericht is op verbinden en op het ontstijgen aan tegenstellingen, zijn spirituele citaten met een paradox juist heel waardevol omdat die het onderscheid tussen het uiterlijke en het innerlijke niveau zo helder maken. Het Nieuwe Testament staat vol met paradoxen, waaronder:

  • Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het vinden. (Mattheus 10:39)
  • Veel eersten zullen de laatsten zijn, en veel laatsten de eersten. (Mattheüs 19:30)
  • Als iemand onder u denkt dat hij wijs is in deze wereld, laat hij dwaas worden, opdat hij wijs zal worden. (1 Korinthe 3:18)
  • Wanneer ik zwak ben, dan ben ik machtig. (2 Korinthe 12:10)
  • Wat voor mij winst was, dat heb ik om Christus’ wil als schade beschouwd. (Filippenzen 3:7)


Alomtegenwoordigheid

Als je de weg van de christelijke mysteriën gaat, verandert je bewustzijn. In het begin kun je bij jezelf een vrij snelle bewustzijnsgroei waarnemen. De kans is groot dat daar na enige jaren een einde aan komt. Wanneer je dan de verleiding om je spiritualiteit op te geven weerstaat en gestaag doorzet, vindt er in je stelsel progressie plaats, waarvan je je niet bewust bent. Op een gegeven moment kan er een ontmoeting plaatsvinden tussen de gereinigde ziel en de geest.

De nieuwe bewustzijnsstaat, die voortvloeit uit deze alchemische bruiloft, is moeilijk onder woorden te brengen. Jan van Rijckenborgh benoemt de meest kenmerkende eigenschap daarvan als ‘alomtegenwoordigheid’. Daarmee bedoelt hij het ervaren en bezitten van alle dimensies: kosmisch, goddelijk en menselijk. In zijn boek Het christelijke inwijdingsmysterie schrijft hij daarover:

‘De leerling ziet geen ruimte meer, geen logos, geen orde, geen rede, geen plan, geen schepsel of verschijning. Alleen maar licht, waarin hij in gelukzaligheid verdwijnt; alleen maar kracht, waarmee hij één is; een groots alomtegenwoordig niets, waarmee hij verbonden is zonder banden. Maar dat is de eerste sensatie, de eerste overrompeling van het nieuwe bewustzijn. Het is de prelude, de zegenrijke intocht van de hemelse mens in het nieuwe Jeruzalem. Het is de ontroering van de liefde, waarin de kandidaat wegzinkt als in een zalig niet-zijn.
En dan… dan wordt het oog van Shiva geopend, het oog van Dangma, het derde oog uit de mythologie, dan wordt de hemelse deur ontsloten, waarvan de Apocalyps gewaagt. Dat oog van Shiva is de binding van het hemelse denkvermogen met het tot maagd geworden dialectische denkvermogen. En dat oog van Shiva, die deur naar de hemel, naar de statica van de Godsorde, het onbeweeglijk koninkrijk waar Paulus over spreekt, wordt steeds helderder, gaat steeds meer open, naarmate de leerling erin slaagt zijn oude tempel af te breken en in drie dagen weer op te bouwen.
En zodra nu dat oog van Shiva helder en klaar blikt in de nieuwe wereld, na de opstanding op de derde dag die is als een bergbestijging, is de alomtegenwoordige geen zaligdronken lichtzwijmelaar meer in het mystieke niet-zijn, maar dan is hij, dan wordt hij een uitvoerder, een mede-erfgenaam, een medebouwer aan het godsplan voor wereld en mensheid, dan is hij een levend, bewust lid van het lichaam Christi, van de goddelijke hiërarchie, van de tempel die niet met hamerslagen is gebouwd. Het nieuwe bewustzijn maakt de leerling geschikt om deelhebber te zijn aan het geweldige scheppings- en louteringsproces, dat van godswege voor alle schepselen is aangevangen en wordt doorgezet.’

BESTEL MYSTERIËN EN UITDAGINGEN VAN GEBOORTE, LEVEN EN DOOD

4 gedachten over “Essay 4

  1. Jes Jespers

    Deze tekst is als een spiegel waarin degene die er in kijkt kan zien waar hij zich bevindt. De geest is mede nodig als instrument om te kunnen ontdekken wie we in wezen ZIJN. Ongeobserveerd overkomt de geest ons zoals het weer, zijn we soms helder van geest en dan weer buïig. Om bij de Helderheid van Sattva te kunnen komen, het Niets, de stille Bron van waaruit ons inzichten of kennis naar behoefte wordt aangereikt, zullen we ‘arm van geest’, stil en ontvankelijk moeten leren zijn.

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *