De pansofie van Comenius – voordracht van H.E.S. Woldring in symposionreeks 35: De grootsheid van de geest

Hieronder volgt de tekst van de voordracht over pansofie die H.E.S. Woldring heeft gehouden op een symposion in Amsterdam. Woldring Deze is opgenomen in het symposionboek De grootsheid van de geest (Symposionreeks 35). Prof. dr. H.E.S. Woldring is emeritus hoogleraar politieke filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij is vicevoorzitter van de Stichting Comenius Museum in Naarden en auteur van onder andere een trilogie over Jan Amos Comenius

1. Harmonie en analogie

Als kind was Comenius (1592-1670, fakkeldrager van het Rozenkruis 9) die destijds nog Jan Komenský werd genoemd, met zijn schoolvriendjes aan het spelen in een bloeiende wei die met talloze bloemen een kleurrijk aanblik opleverde. Hij vertelde zijn vriendjes dat in Gods schepping veel kleuren te zien zijn en dat elke bloem haar eigen kleur heeft die, overeenkomstig haar natuur, na verloop van tijd verandert. Later zou hij eraan toevoegen dat mensen de schoonheid van veelkleurigheid als harmonisch ervaren.

Als jong predikant en rector van de Latijnse school in de Oost-Moravische stad Fulnek sprak hij over de tegenstellingen tussen rijken en armen, en over het onrecht dat armen werd aangedaan. Onrecht was volgens hem in strijd met een normatieve maatschappelijke orde, die wordt gekenmerkt door harmonische verhoudingen.

Deze twee expressies vormen de beginakkoorden van de symfonie van Comenius’ pansofie. Als kind en jongvolwassene had hij iets ervaren van harmonie en schoonheid, recht en rechtvaardigheid. Hij had een beeld van de wereld, waarin de pansofische idee van een universele harmonie behoort te bestaan.

Beïnvloed door de traditie van de hermetische filosofie, beschouwde Comenius de mens als microkosmos, die zijn plaats heeft in het omvattend en dynamisch universum van de macrokosmos. Bewegingen van sterren en planeten, en het leven van mensen en dieren vormen in hun verwevenheid met de macrokosmos een harmonisch geheel. Het was volgens Comenius mogelijk dat de mens overeenkomstig zijn ware bestemming in harmonie met de macrokosmos kan leven; de mens is naar zijn aard ingebed in de hem omringende macrokosmos.

Deze inbedding zou een omvattende educatieve vorming met zich meebrengen, vanwege analogieën tussen de mens als microkosmos en de macrokosmos. Deze gedachten omtrent de mens als microkosmos, opgenomen in het dynamisch universum van de macrokosmos, komen ook in onze tijd tot uitdrukking. Ik breng in herinnering de begrafenis van prinses Diana in 1997. Tijdens de begrafenisceremonie zong Elton John het lied ‘Candle in the wind’, waarin de woorden voorkomen:

Now you belong to heaven
and the stars spell out your name.

De laatste zinsnede vrij vertaald: je levensloop en levenslot staan in de sterren geschreven. Vanwege zijn plaats in de harmonische orde van de wereld, de macrokosmos, kan de mens ook in zijn mens-zijn orde en harmonie ontdekken. In Comenius’ pansofie bestaat een innerlijke correspondentie en correlatie tussen de macrokosmos en de microkosmos. Dat wil zeggen dat tussen macrokosmos en microkosmos bepaalde analogieën bestaan.

De eerste analogie is dat Comenius de wereld (macrokosmos) typeert als ‘beeld van God’, en met deze woorden dezelfde typering gebruikt die in de heilige boeken van het jodendom en het christendom uitsluitend van de mens (microkosmos) wordt gegeven: naar Gods beeld geschapen. Met de typering ‘beeld van God’ geeft Comenius aan dat zowel de mens als de wereld het stempel van zijn oorsprong draagt. Zoals deze oorsprong een mysterie is, zo is ook het stempel van de oorsprong een mysterie – geen geheim dat op een of andere manier kan worden onthuld, maar een mysterie dat voor het menselijk kennen een mysterie blijft.

Een mysterie laat zich als zodanig niet adequaat in woorden uitdrukken; het is met woorden slechts enigszins te duiden of te benaderen. Om het mysterie van het ‘beeld van God’ enigszins te duiden, gebruikt Comenius het woord harmonie. Hij schrijft dat ‘de mens niets dan harmonie’ is en dat de wereld en het universum worden gekenmerkt door de ‘harmonie der bewegingen’.

Zo stelt hij dat de mens ‘innerlijk en uitwendig’ een harmonisch geheel vormt. De mens heeft namelijk een kunstzinnig gevormd lichaam, waarvan de bewegingen samenhangen met de kracht en het ritme van het hart en met het functioneren van de hersenen via een ragfijn stelsel van zenuwen. Bovendien beleeft de mens van nature vreugde aan harmonie, zoals schoonheid in de natuur die zich toont in allerlei kleuren van planten en bloemen, in muziek, in combinaties van bepaalde geuren en smaken en in de afwisseling warmte en verkoeling.

De tweede analogie tussen macrokosmos en microkosmos die Comenius bespreekt, heeft betrekking op de orde in de macrokosmos en de orde in de mens. Zo is de mens toegerust met de goddelijke gave van het verstand, dat een eigenschap is van de ziel. Met behulp van het verstand kan de mens kennis opdoen van de macrokosmos. Zoals alle dingen zijn ontstaan en geordend naar hun eigen aard, gewicht en maat, en in onderlinge verscheidenheid en samenhang, zo gaat de mens op analoge wijze met deze orde om. Hij kan dit doen omdat hij met behulp van het verstand beschikt over ‘aangeboren begrippen’ of door de natuur gevormde ‘fundamenten van het verstand’ om dingen te kunnen tellen, wegen en meten, en aan elkaar te relateren. 

Op deze wijze is de mens in staat om de wereld en de orde van de dingen te onderzoeken. Op grond van deze kennis kan hij handelend optreden en onderscheid maken tussen waar en onwaar, goed en kwaad. Er moet volgens Comenius daarom wel zoiets zijn als een besef van ‘aangeboren normen’. 

Overigens noemt Comenius niet alleen het verstand en aangeboren begrippen eigenschappen van de ziel, maar ook de vrije wil en het geheugen. De mens bewaart in het geheugen wat derede en de vrije wil zich hebben eigen gemaakt, en wat hij in de toekomst opnieuw kan gebruiken. Ook in zijn handelen heeft de mens enkele oriëntatiepunten. In de natuur van de mens zijn namelijk ‘kiemen van deugden’ aanwezig, waardoor hij een aangeboren elementair moreel besef heeft. Ook spreekt Comenius over een aangeboren ‘liefde tot vrijheid’, die dermate onaantastbaar is, dat de mens altijd zal zoeken naar mogelijkheden om aan onderdrukking te ontsnappen. 

2. Mens tussen God en wereld

Vanwege de hoge kwalificatie van de mens als ‘naar Gods beeld geschapen’, en zijn kenvermogen om de wereld (macrokosmos) te kunnen onderzoeken, heeft Comenius in zijn pansofie aan de mens een bijzondere plaats en taak toegewezen. De mens staat namelijk in een bijzondere relatie tot de wereld en tot God. Hij staat niet slechts tussen God en de wereld, maar hij vormt ook een verbinding (Vermittlung) tussen God en de wereld. Vermittlung wil in dit verband zeggen dat God en wereld niet zonder elkaar kunnen worden gedacht en dat de relatie tussen God en wereld in essentie niet adequaat kan functioneren zonder bemiddeling van de mens. 

Het is de mens die de nood van de wereld uitschreeuwt en die in zijn zorg voor de wereld zichzelf zichtbaar maakt om als ‘middelaar’ tussen God en wereld op te treden. Zoals Jezus Christus optreedt als ‘middelaar’ tussen God en mens om de mens met God te verzoenen, zo treedt de mens op als ‘middelaar’ tussen God en wereld om de wereld met God te verzoenen; in zijn op- treden streeft de mens ernaar om de woorden en handelingen van Jezus Christus na te volgen. In zijn bemiddelende positie dient de mens God door middel van een zorgvuldig beheer van deze wereld en dient hij de wereld door middel van zijn handelen, dat verwijst naar haar oorsprong en bestemming. Zolang hij in deze positie in dienst staat van God en de wereld, kan hij zijn menselijke waarde en waardigheid tot uitdrukking brengen. 

3. Begin van pansofische theorievorming

Comenius’ pansofie kwam aanvankelijk tot uitdrukking in een pansofisch georiënteerde wereldbeschouwing. Deze wereldbeschouwing bevatte enkele beginselen die geleidelijk uitwerking kregen in een pansofische theorievorming omtrent de samenhang en orde van de werkelijkheid. Een pansofisch georiënteerde wereldbeschouwing wil zeggen: een beschouwde wereld, zowel individueel als collectief. Het gaat om een samenhangende beschouwing van de wereld, die op grond van zintuiglijke waarneming en elementaire gedachten een beeld bevat van de wereld en van de plaats van de mens daarin, alsmede van de wereld in haar gedifferentieerdheid en samenhang, harmonie en disharmonie.

In Comenius’ pansofisch georiënteerde wereldbeschouwing zijn enkele beginselen van een pansofische theorievorming aanwezig. Dit begin van theorievorming wordt uitgewerkt, wanneer men spreekt over analogieën tussen micro- en macrokosmos – zoals we hebben gezien. Deze uitwerking vindt met name plaats wanneer men verschijnselen die tot verschillende terreinen van de werkelijkheid behoren met elkaar vergelijkt en tussen deze verschijnselen analogieën ontdekt, die men vervolgens nader onderzoekt.

Zo wordt de theorievorming volgens Comenius geleidelijk uitgebreid, omdat ‘wij de weldaad die de wetenschappen ons bieden, moeten maken tot gemeenschappelijke kennis van de werkelijkheid, (…) dat wil zeggen tot een alomvattende en universele wijsheid’. De intentie van zijn pansofie is het streven naar een wijsheid die een alomvattende kennis omtrent de hele kosmos bevat, en een wijsheid die universeel is en dus voor alle mensen is bedoeld en alle mensen aangaat.

De wijze waarop de wetenschappen in feite worden beoefend, verwijst volgens Comenius echter niet naar een alomvattende en universele wijsheid. De verscheidenheid van objecten in de werkelijkheid is groot, zonder dat wetenschappers er blijk van geven een visie op de werkelijkheid als geheel te bezitten. Ook de kennis van de wetenschappen is zeer uiteenlopend en fragmentarisch, en de wetenschappers geven er geen of onvoldoende blijk van dat zij zoeken naar gemeenschappelijke beginselen van onderzoek en van samenwerking en (wat tegenwoordig heet) interdisciplinariteit van onderzoek.

Comenius stelt dat alle dingen naar hun eigen aard bestaan en dat hij de dingen als zodanig wil onderzoeken. Bovendien schrijft hij dat het kennen van een ding behoort te gebeuren in de ordelijke samenhang met andere dingen, omdat in deze samenhang de ware identiteit van de afzonderlijke dingen kan worden onthuld en gekend.

Dat Comenius de dingen naar hun aard en onderlinge orde wil leren kennen, duidt op de ontologische grondslag van zijn pansofie. Dat wil zeggen dat zijn pansofie in beginsel een ontologisch karakter heeft en niet een resultaat is van ordenende ideeën van het menselijk kenvermogen.

Zijn pansofie berust dan ook op een kentheoretisch realisme, dat wil zeggen een kentheorie die het primaat toekent aan de werkelijkheid boven het denken en die vervolgens een betrokkenheid van het denken (kennen) op de werkelijkheid erkent. In Comenius’ kentheoretisch realisme gaat een bijzonder probleem schuil omtrent het verkrijgen van kennis van de werkelijkheid en omtrent de waarheid van deze kennis.

4. Kennis en waarheid

Wetenschappers zijn vaak bezig met gespecialiseerd onderzoek. Hun methodisch ingesnoerde onderzoek en vakjargon kunnen tot wetenschappelijke uitspraken leiden die op hun wetenschapsgebied een waarheidsfunctie hebben. In Comenius’ publicaties zal men geen kritiek vinden op gespecialiseerd wetenschappelijk onderzoek en gespecialiseerde kennis op zichzelf, mits

  • deze kennis kan worden verwoord in een taal die ook voor andere wetenschappers en buitenstaanders verstaanbaar is of kan worden gemaakt, 
  • deze kennis kan worden geïntegreerd met kennis van andere wetenschappen, en 
  • deze kennis kan worden gebruikt ter onderbouwing van menselijk handelen om de wereld te verbeteren. 

Zoals gezegd is Comenius’ onderzoek van de eigen aard en orde van de dingen van ontologische aard, maar dit betekent niet dat het zich slechts bezighoudt met de bestaande dingen en een normatieve visie op deze dingen uitsluit. Integendeel, hij wilde zijn onderzoek niet slechts richten op de dingen zoals zij zijn, maar zoals zij zouden kunnen en zelfs zouden behoren te zijn. Mede onder invloed van het neoplatonisme zocht hij naar een vorm van ‘emanatie’ in de wetenschap, dat wil zeggen naar een ‘weg’ om te leren open te staan voor het mogelijke of om het mogelijke te leren kennen.

Derhalve verzet hij zich tegen een verengde rationalistische benadering van de werkelijkheid en tegen rationalistische kennis van de dingen. Hij beschouwt de rationalistische benadering en kennis als in strijd met de transcendentale openheid van zijn werkelijkheidservaring: zijn ervaring en visie op een werkelijkheid die verwijst naar openheid voor verandering. In deze zin wil hij de wereld als een ‘wereld van mogelijkheden’ uitwerken in een metafysica die als een pansofie kan worden begrepen.

Naarmate wetenschappers en anderen meer betrokken zijn bij pogingen tot vernieuwing van maatschappelijke en politieke processen, des te minder hanteren zij wetenschappelijk geformaliseerde of technische waarheidsbegrippen. Deze betrokkenheid komt tot uitdrukking in een bepaalde manier van spreken, en de daarin vervatte wens om te handelen naar wat zij beschouwen als recht en rechtvaardigheid.

Wanneer Comenius antwoord geeft op de vraag naar waarheid, dan breekt hij met zijn antwoord geformaliseerde en vertechniseerde waarheidsconcepten open. Dan doet hij een beroep op de kennende mens om de theoretische samenhang tussen waarheid en rechtvaardigheid om te zetten in praktisch handelen. Bij Comenius krijgt de waarheid van kennis dan haar vertaling in betrouwbaar handelen in het perspectief van de toekomst van de samenleving.

Op grond van zijn respect voor het onderzoek dat in diverse wetenschappen wordt gedaan, verdedigt Comenius de stelling dat uit ‘alle deelwetenschappen uiteindelijk een universele wetenschap der wetenschappen (…) tot stand moet komen: de pansofie’. Bij het opstellen van zijn pansofie, zo voegt hij er expliciet aan toe, moeten christenen, moslims, joden en andersdenkenden worden betrokken, ja allen die ‘iets goeds’ kunnen inbrengen. Op de vraag wat ‘iets goeds’ betekent, kom ik terug.

5. Vorming van humaniteit

Om zijn beroep en andere verantwoordelijkheden in de samenleving zo goed mogelijk te realiseren, is voor elk mens, in alle fasen van zijn leven, onderwijs van beslissende betekenis. Met name voor kinderen is een school belangrijk om allerlei kennis op te doen, maar belangrijker is volgens Comenius dat een school een ‘werkplaats van humaniteit’ behoort te zijn, waar kinderen worden gevormd om te zijner tijd als evenwichtige volwassen in de samenleving te kunnen functioneren.

Zo vindt in elke fase van het leven een voortgaande groei van het mens-zijn plaats. Mede in verband met dit groeiproces verdedigt Comenius dat kennis van de natuur van betekenis is om het onderwijs te kunnen verbeteren. Expliciet zegt hij dat inzicht in processen van de natuur de ‘vaste rots’ is waarop hij zijn didactiek heeft gebouwd.

Analoog aan de gedifferentieerdheid van de natuur spreekt hij over de verscheidenheid van mensen – kinderen en volwassenen, jongens en meisjes, mannen en vrouwen – die allemaal onderwijs nodig hebben. In zijn pansofie culmineert deze verscheidenheid in een harmonie die uitdrukking krijgt in de typering van man en vrouw ‘naar het beeld van God geschapen’, en die Mozart later heeft verwoord in zijn opera Die Zauberflöte: Mann und Weib, und Weib und Mann, reichen an die Gottheit an.

6. Pansofische methode

Comenius geeft zijn visie op de harmonie in de wereld meer verdieping, wanneer hij ervoor pleit dat kinderen enige elementaire kennis moeten opdoen van verschillende terreinen van de werkelijkheid, bijvoorbeeld van de natuur (planten en dieren), van ambachten (hoveniers, bouwmeesters en schilders) en van andere beroepen. Bovendien is inzicht in de samenhang van die kennis van belang, zowel voor leerlingen als voor onderwijsgevenden. 

Docenten kunnen de didactische kant van hun werk verbeteren door middel van het gebruik van voorbeelden uit de natuur en uit andere terreinen van de werkelijkheid. Bovendien komt hij op grond van zijn inzichten in de natuur tot nieuwe onderwijspedagogische inzichten, die tot verbeteringen van het onderwijs kunnen leiden. Zijn onderwijspedagogiek kon alleen maar succes krijgen, indien zij tot onderwijshervorming zou leiden. Deze hervorming, waartoe hij voorstellen deed, is echter afhankelijk van het invoeren van een nieuwe universele of pansofische theorie en methode in het onderwijs en in de wetenschap. 

Om meer inzicht te krijgen in zijn pansofie presenteert Comenius de synkritische of vergelijkende methode, die de analytische en synthetische methode aanvult. De analytische methode legt een verschijnsel in zijn onderdelen uiteen. De synthetische methode voegt de onderdelen weer bijeen om een verschijnsel als geheel beter te kunnen begrijpen. 

Na het zorgvuldig gebruik van deze twee methoden wordt de synkritische methode toegepast. Deze methode is van hoger niveau dan de analytische en de synthetische methode, omdat zij afzonderlijke verschijnselen met elkaar vergelijkt. Men gebruikt de synkritische methode niet om een verschijnsel slechts uit elkaar te leggen, noch om de onderdelen weer bijeen te voegen, maar om bepaalde punten van vergelijking (analogieën) tussen afzonderlijke verschijnselen als eenheden te ontdekken.

Om het gebruik van deze drie methoden in hun onderlinge samenhang duidelijk te maken, bespreek ik kort enkele voorbeelden die Comenius in zijn Didactica magna heeft gegeven. Met behulp van de analytische methode beschrijft hij de opeenvolgende fasen en bijbehorende kenmerken van het bebroeden van een ei, het planten van jonge boompjes en het bouwen van een huis – verschijnselen die tot verschillende terreinen van de werkelijkheid behoren.

Vervolgens gebruikt hij de synthetische methode om de uiteengelegde kenmerken weer samen te voegen, teneinde de betreffende verschijnselen beter te begrijpen. Daarna gebruikt hij de synkritische methode om de kenmerken van de genoemde verschijnselen met elkaar te vergelijken en om analogieën tussen deze verschijnselen te ontdekken.

Zo bespreekt hij de volgende analogieën als de belangrijkste: zowel een vogel als een hovenier en een bouwmeester treffen voorbereidingen voor wat gaat gebeuren, doen alles met zorg en geleidelijk (zonder een stap over te slaan) en beschermen hun objecten, teneinde een zo goed mogelijk resultaat te bereiken.

De cruciale vraag is vervolgens: hoe kan men duidelijk maken dat deze analogieën tussen verschijnselen die tot verschillende werkelijkheidsterreinen behoren, kunnen worden toegepast op een verschijnsel dat tot een ander terrein van de werkelijkheid behoort, bijvoorbeeld op schoolonderwijs. Samengevat kan men het volgende antwoorden:

  1. Wanneer de leerlingen worden verwacht, behoort ook een school de nodige voorbereidingen te treffen, zoals het beschikbaar hebben van boeken, pennen, papier en ander lesmateriaal,
  2. het onderwijs moet geleidelijk verlopen in op elkaar volgende klassen, zonder dat een onderdeel van de leerstof wordt overgeslagen,
  3. het onderwijs moet aansluiten bij het niveau van de intellectuele ontwikkeling van de leerlingen,
  4. in het onderwijs moet men niet te veel onderwerpen aan de orde stellen en zeker geen onderwerpen die leerlingen in verwarring kunnen brengen,
  5. men moet leerlingen niet belasten met teveel verplichtingen
  6. leerlingen moeten worden gemotiveerd om gestelde onderwijsdoelen te halen en om zich voor te bereiden op hun latere verantwoordelijkheden in de samenleving.

Ik laat niet onvermeld dat de zwakheid van Comenius’ synkritische methode is dat het ontdekken van een analogie reeds de plaats inneemt van een bewijs. Het onderzoeken van een bepaalde analogie gaat gepaard met de pretentie van waarheid van het onderzoeksresultaat. Het gebruik van de synkritische methode kan mijns inziens niet tot meer leiden dan tot het formuleren van hypothesen omtrent de essentiële analogie waarvan wordt verwacht dat deze het beoogde resultaat van vernieuwing (bijvoorbeeld in het onderwijs) tot stand kan brengen. Vervolgens zal men die hypothesen moeten onderwerpen aan een kritisch sociologisch, psychologisch of ander empirisch onderzoek.

7. Theorie, praxis en handelen

De mens komt in de wereld niet tot zijn ware bestemming, indien hij alleen maar theoretische kennis van de dingen heeft en niet tot handelen komt. Daarom moet de theorie worden aangevuld met de praxis. Volgens Comenius is het verkrijgen van theoretische kennis geen doel op zichzelf, maar is het bedoeld om door middel van handelen te worden verwerkelijkt in nieuwe politieke, maatschappelijke en onderwijssituaties. Vanuit pansofisch oogpunt betekent praxis een theoretische totaalvisie op en een doordenking van een politieke en maatschappelijke constellatie, teneinde deze constellatie structureel te vernieuwen en te verbeteren.

Praxis is dus niet hetzelfde als praktijk of praktisch handelen dat slechts bestaat uit concrete en fragmentarische beslissingen en activiteiten. Weliswaar gebeurt elke maatschappelijke, politieke en onderwijsverandering door middel van concrete menselijke acties, maar in pansofisch perspectief staan deze veranderingen niet los van elkaar. Zij zijn ingebed in een praxis of een totaalconcept van handelen, dat uiteindelijk gericht is op structurele veranderingen. In het totaalconcept van de pansofische praxis krijgen deze handelingen tot verandering en verbetering hun samenhang. Men kan zich voorstellen dat Comenius’ pansofie, die bedoeld is om tot wereldverbetering te leiden, niet alleen getuigt van een grootsheid van geest, maar daarin ook iets heeft van een faustische drang – een drang die Faust (in de gelijknamige tragedie van Goethe, fakkeldrager van het Rozenkruis 11) als volgt verwoordt:

Nog is de aarde niet te klein
Voor wie naar grootse daden smacht. (…) Niet roem, de daad bevleugelt mij. 

Ik heb gesproken over Comenius’ zoektocht naar een pansofie of een alomvattende en universele wijsheid. Universeel, omdat zijn pansofie iedereen aangaat. Omvattend, omdat beoefenaars van alle wetenschappen hun bijdragen kunnen leveren, evenals aanhangers van verschillende religies – christenen, joden, moslims en andersdenkenden die ‘iets goeds’ kunnen bijdragen. Het goede is om aanhoudend te streven naar het verbeteren van de menselijkheid van de wereld. Het is de kracht van Comenius’ intellectuele creativiteit en morele overtuiging die de bronnen van inspiratie vormen voor zijn onvermoeibaar streven naar humaniteit, en die getuigen van de ‘grootsheid van zijn geest’.

Bron: De grootsheid van de geest, Symposionreeks 35

BESTEL HET SYMPOSIONBOEK DE GROOTSHEID VAN DE GEEST

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *