Beschouwing 7

Mysteriën van God, kosmos, mens

Beschouwing 7: Geestelijke krachten assimileren (hoofdstuk 7 van het bijbehorende boek

 

Het leven in de moderne maatschappij van de 21ste eeuw vraagt veel. Het stelt ons voor vele uitdagingen en het is vaak een hele toer om aan alle verplichtingen te kunnen voldoen. De omstandigheden waarin we nu leven zijn vele malen beter en comfortabeler dan die van onze voorouders. Toch lijden tallozen aan bijvoorbeeld vervreemding, psychosomatische klachten, burn-out en depressie. Steeds meer wordt ingezien dat dergelijke problemen nogal eens te verklaren zijn uit het feit dat diepere behoeften niet worden vervuld.

Doen we wel voldoende om ons leven werkelijk betekenis te geven? Versnipperen we onze aandacht misschien te veel over allerlei zaken die uiteindelijk geen voldoening schenken? Verstoren we onze gemoedsrust niet door voortdurend alert te zijn op de onbelangrijke berichten die binnenstomen in onze piepende en trillende apparaten? Besteden we wel voldoende aandacht aan dat waar het in het leven werkelijk om gaat?

De markt voor aanbieders van oplossingen voor de genoemde moeilijkheden is flink gegroeid. Online en offline-media besteden ruime aandacht aan de problematiek en gaan uitgebreid in op remedies die hun waarde in de praktijk hebben bewezen zoals onthaasten, digitale communicatie drastisch verminderen, mindful leven in het nu, mediteren, bewegen, en bezittingen en verplichtingen minimaliseren. Ook klinkt steeds meer het advies om je leven niet te laten beheersen door de lineaire kloktijd, die in de Griekse mythologie wordt gesymboliseerd door de god Chronos, maar om bewust quality time, innerlijke tijd of ziele-tijd in te bouwen, die in de Griekse mythologie wordt gesymboliseerd door Kairos, de kleinzoon van Chronos.

Chronos en Kairos

Grootvader Chronos correspondeert met Saturnus en wordt vaak voorgesteld als een oude man met een lange baard die een zandloper in zijn hand heeft, een instrument waarmee de kwantitatieve tijd wordt gemeten. Chronos heerst in de zintuiglijk waarneembare wereld, in de derde dimensie of 3D. Hij staat voor de geobjectiveerde tijd, die als basis geldt voor planningen, roosters, agenda’s, afspraken en deadlines, die allemaal heel hard nodig zijn om het dagelijks leven in goede banen te leiden.

De rebelse kleinzoon Kairos heeft lak aan de gebruikelijke continuïteit, die als een trein doordendert, en kan daardoor komen tot volstrekt nieuwe inzichten en fundamentele veranderingen bewerkstelligen. Hij leeft in een ander soort tijd, die verband houdt met de vijfde dimensie of 5D, met de wereld van de ziel. Kairos heeft te maken met kwalitatieve tijd, die ertoe doet, die kansen geeft en doorbraken mogelijk maakt. Kairos wordt vaak voorgesteld als een jonge, sterke en gespierde god met een lange kuif waarbij men hem grijpen kan omdat hij anders snel weg kan zijn. Dit symboliseert dat je een kans moet grijpen als die zich aandient, dat je steeds ontvankelijk dient te zijn voor de Kairos-momenten, die zich onverwacht voordoen.

Wat betekent dit alles als je de spirituele weg wilt gaan die centraal staat in dit boek? Aandacht voor Kairos is daarin essentieel, want als je je laat leiden door Chronos, blijf je rennen in een hamsterwiel zonder vooruit te komen, totdat je erbij neervalt. Als er voortdurende onrust is in jezelf, kan het geestelijke licht je niet bereiken. Dan zul je de stille roep die uitgaat van de geestvonk in het centrum van de microkosmos die je bewoont, niet of nauwelijks vernemen.

Als je voortdurend met een stok roert in een kleine vijver, blijft het water troebel, maar als je de vijver rust gunt, bezinken de vaste deeltjes, wordt het water helder en kan het licht ongehinderd doordringen tot de bodem. Wanneer je tijd vrijmaakt voor Kairos-momenten, schep je omstandigheden waardoor je de stem vanuit je diepste innerlijk gewaar kunt worden.

Dat betekent echter niet dat het gaan van de gnostieke weg uitsluitend bestaat in het zoveel mogelijk creëren van Kairos-momenten, want het is de bedoeling dat je bewustzijn zo helder wordt, dat je je bij al je werkzaamheden en activiteiten overdag en ook tijdens je slaap ‘s nachts voortdurend bewust bent van je spirituele opdracht in deze wereld. Bovendien: tijdens onverwachte of geplande, weldadige Kairos-momenten kan je aandacht ook helemaal gericht worden op de dingen van deze wereld. En als je een bepaald contact ervaart met de verticale dimensie, met de goddelijke wereld, gaat het veelal uitsluitend om het vernemen van de roep en niet om heiliging, waartoe de mens geroepen is. In hoofdstuk 14 van haar boekje Het zegel der vernieuwing roept Catharose de Petri haar lezers op om te werken aan heiliging:

‘Wie geheiligd is, kan anderen heiligen. Wie iets heeft, kan anderen van zijn bezit meedelen. Daarom staat er in de heilige taal: “Wees heilig, want Ik ben heilig.” (1 Petrus 1:16) Dit ontzaglijke mantram is veelzeggend. Want wie in het licht staat, weerkaatst dat licht in de wijde omtrek. Zo een wordt als een baken voor hen, die de weg zoeken, en zo een accentueert ook zeer duidelijk, door de glans van zijn licht, het wezen van de duisternis en brengt daardoor waarheid en helderheid, zodat niemand zich meer zal kunnen vergissen. Daarom: heilig u met kracht, naar de maatstaven van de gnosis. Heilig u voor allen die nog zoekende zijn, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in de waarheid.’

Wie gehoor wil geven aan de oproep tot heiliging, dient zich eerst bewust te worden van de roep van het rozenhart, die uit nodigt om zich te verbinden met de goddelijke wereld. Die verbinding is er natuurlijk altijd, maar is uiterst zwak omdat het menselijke stelsel de hoge vibratie van de geest niet zomaar kan verdragen. Een leerling heeft een geconcentreerde lichtkracht nodig om zijn pad te kunnen gaan, om de vereiste reinigingen, louteringen en vernieuwingen te realiseren. Uit de atmosfeer kan hij zelfstandig alleen maar lichtkracht in zeer ‘verdunde’ vorm in zich opnemen. De benodigde geconcentreerde lichtkracht moet hem in eerste instantie geschonken worden. Door wie of door wat? Door iemand die de lichtkrachten zelf kan concentreren of door een geestesschool.

Melk of vast voedsel

Zo kunnen we begrijpen waarom de apostel Paulus schrijft aan de gemeente van Korinthe: ‘Ik heb u met melk gevoed en niet met vast voedsel, want u kon dat nog niet verdragen.’ (1 Korinthe 3:2)
Deze tekst wordt binnen de meeste kerken als volgt verklaard: Mensen die nog maar kort christen zijn, moeten het geloof op een heel eenvoudige wijze uitgelegd krijgen en later, als ze wat meer gegroeid zijn in hun geloof, kunnen de wat moeilijker te begrijpen aspecten aan bod komen.

Pasgeboren baby’s krijgen immers geen boerenkool, maar melk, die ze kunnen verdragen. In spirituele kringen wordt de melk vaak gezien als symbool voor exoterische leringen, die gebaseerd zijn op de letterlijke betekenis van heilige teksten, en de vaste spijs staat dan voor esoterische leringen, die voortvloeien uit een dieper, symbolisch begrip van diezelfde teksten.

Die beide uitleggingen zijn natuurlijk niet verkeerd, maar de interpretatie vanuit een gnostiek begrip gaat nog wat verder. Daarbij is het van belang te bedenken dat de melk waarover gesproken wordt niet afkomstig is van een dier zoals een koe, geit of schaap, maar van een mens. De melk die uit het lichaam van een moeder komt is het gevolg van een geboorte van een jong mensje.

Paulus was een man en kon natuurlijk geen kinderen baren en zijn lichaam kon geen melk geven. Hij was echter wel de geestelijke vader van de christenen die hij onder zijn hoede had, want hij wekte de ziel in hen tot leven. Hij kon hen geestelijk voedsel geven in de vorm van levensenergie met een hogere vibratie die hij in zichzelf concentreerde, die uit zijn lichaam vloeide en die hij symbolisch aanduidde met melk.

Dit fenomeen wordt ook wel darshan genoemd en heeft betrekking op het zich bevinden in het persoonlijke energieveld van een ingewijde. Darshan is een Sanskriet woord dat letterlijk betekent dat je je binnen iemands blikveld bevindt. J. van Rijckenborgh spreekt in dit verband in zijn boek De elementaire  wijsbegeerte van het Moderne Rozenkruis over de benedictio, een woord dat verwijst naar zegening. Wanneer een mens staat onder de stralingskracht van de universele Broederschap, die ook wel wordt voorgesteld als de geestelijke Zon, dan wordt die kracht in hem getransmuteerd en uitgestraald. Die uitstraling wordt in Psalm 121 aangeduid als ‘de schaduw aan uw rechterhand’ (zie lofzang 18).

Wat zou Paulus bedoelen met vast voedsel? Vast voedsel wordt gegeten door mensen die zich zelfstandig kunnen voeden, die dus geen tussenpersoon nodig hebben om zichzelf te onderhouden. Mensen die vast voedsel eten en verdragen, symboliseren die leerlingen die dusdanig gevorderd zijn op het gnostieke pad, dat zij rechtstreeks staan onder de stralingskracht van de universele Broederschap en daardoor in staat zijn om zelfstandig lichtkrachten aan te trekken, te concentreren, om te zetten en uit te stralen. Zij doen dat, deels onbewust en deels bewust, om het goddelijke in henzelf verder te laten groeien en tegelijkertijd ook om innerlijke aanraking en innerlijke groei bij anderen die daarvoor open staan, mogelijk te maken.

Het individueel en gemeenschappelijk bewust werken met lichtkracht op basis van een ontwaakte geestvonk om bij te dragen aan de verwerkelijking van het godsplan wordt ook wel gnostieke magie genoemd. Uit deze omschrijving is direct het verschil tussen ‘gewone magie’ en gnostieke magie af te leiden. Gewone magie wordt bedreven vanuit het ego, vloeit niet voort uit de roos des harten en is niet gericht op de verwerkelijking van het godsplan, maar op de verwerkelijking van de persoonlijke wensen. Gnostieke magie vindt haar oorsprong in de bede die wel wordt geformuleerd als ‘niet mijn wil, maar Uw wil geschiede’.

Paulus als gnosticus

Orthodoxe christelijke kerken beschouwen Paulus als de apostel die het zuivere evangelie bracht onder de heidenen en toen al de strijd aanbond tegen de later door de kerk van Rome zo gehate gnostici. J. van Rijckenborgh herkende al vroeg in zijn leven dat de brieven van Paulus gnostiek zijn. De vooruitstrevende Amerikaanse theologe Elaine Pagels bevestigde die veronderstelling veel later op basis van wetenschappelijk onderzoek, dat zij in 1975 in boekvorm publiceerde. Eén van de gnostieke geschriften die gevonden zijn in Nag-Hammadi, heeft de titel ‘Gebed van Paulus de Apostel’ (zie lofzang 19). Hoogst waarschijnlijk is de auteur daarvan niet dezelfde persoon als de schrijver van de brieven van Paulus die in het Nieuwe Testament zijn opgenomen, maar mogelijk was hij wel een directe of indirecte leerling van hem.

Paulus was een gnosticus die vanaf ongeveer het jaar 50 een geestesschool stichtte met diverse gemeenten in landen rondom de Middellandse Zee. Hij deed dat op basis van inspiratie vanuit de Christus-impuls, die in zijn tijd dusdanig krachtig werkzaam was, dat er nu wel gesproken wordt over de oerknal van het christendom. Paulus zag de afzonderlijke gemeenten en de leden daarvan als onderdeel van het lichaam van Christus, het corpus Christi. Aan de gemeente van Korinthe schrijft Paulus:

‘Want zoals het lichaam één is en veel leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, hoewel het er veel zijn, één lichaam zijn, zo is het ook met Christus. Ook wij allen immers zijn door één geest tot één lichaam gedoopt, hetzij dat wij joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één geest doordrenkt. Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid, maar uit vele.’
(1 Korinthe 12:12-14)

De afzonderlijke gemeenten duidde Paulus aan met het Griekse woord ‘ecclesia’ en alle gemeenten tezamen zag hij als de grote ecclesia met een zichtbaar en een onzichtbaar aanzicht. In zijn brief aan de Efeziërs noemt hij het onzichtbare aanzicht een tempel:

‘Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus zelf de hoeksteen is, en op wie het hele gebouw, goed samengevoegd, verrijst tot een heilige tempel in de heer; op wie ook u mede gebouwd wordt tot een woning van God, in de geest.’
(Efeziërs 2:21-22)

Jezus stichtte een geestesschool en Paulus was één van de vele apostelen die daarop voortbouwde om mensen in staat te stellen de binding met de geest te maken. Gewoonlijk wordt de doop waarover Jezus en Paulus spraken, gezien als een sacramentele of symbolische handeling, waarbij een leerling die toetreedt tot een gemeenschap, wordt ondergedompeld in water. Dat is natuurlijk juist, maar met dopen kan ook bedoeld worden dat de betrokkene wordt opgenomen in het krachtveld van een geestesschool, dat deel uitmaakt van het lichaam van Christus of de onzichtbare tempel. Hermes Trismegistus heeft het over precies hetzelfde proces als hij spreekt over onderdompeling in een mengvat dat omlaag gezonden is.

‘Hij heeft een groot mengvat, gevuld met de krachten van de geest, omlaag gezonden, en een boodschapper aangewezen met de opdracht aan de harten van de mensen te verkondigen: Dompel u onder in dit mengvat, u zielen die dit kunt; u die gelooft en vertrouwt dat u zult opstijgen tot hem die dit mengvat omlaag gezonden heeft; u die weet tot welk doel u geschapen bent. Allen die de verkondiging vernemen en zich laten onderdompelen in het vat van de geest, krijgen deel aan de gnosis en worden volmaakten en ingewijden, daar zij de geest ontvangen.’
(Corpus Hermeticum 7:8-9)

In de oudheid werd een mengvat gebruikt om water en wijn te mengen. Waarom? Omdat men pure, geconcentreerde wijn te sterk vond en deze niet goed kon verdragen. Het mengvat waar Hermes over spreekt, is een krachtveld waarin de krachten van de geest, gesymboliseerd door wijn, werkzaam zijn, maar in een dusdanige concentratie dat deze opgenomen kunnen worden door mensen die deel uitmaken van dat krachtveld. De vibratie in zo’n krachtveld is aanzienlijk hoger dan de algemene vibratie van geestkracht in de atmosfeer, maar kan toch verdragen worden door de mensen die deel uit maken van dat krachtveld. Doordat die vibratie in het ‘mengvat’ aanzienlijk hoger is dan normaal, kunnen de mensen die bewust daaruit leven, de weg van gnostieke bewustwording en vernieuwing relatief snel gaan.

Bloed, wijn en graal

Hermes spreekt ten aanzien van het mengvat over processen die wel enigszins in woorden kunnen worden uitgedrukt, maar nooit volledig verstandelijk kunnen worden begrepen. Het gaat hier om het mysterie van het bloed van Christus, waarover de apostel Johannes schrijft:

‘Als wij in het licht wandelen, zoals hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus reinigt ons van al onze zonden.’
(Johannes 1:7)

Zoals besproken in hoofdstuk 5 formuleert Hermes dit noodzakelijke reinigingsproces anders: het verdrijven van de twaalf tuchtigingen door de tien krachten. De tien krachten vormen tezamen in feite dat wat Johannes het bloed van Jezus Christus noemt. Dat bloed wordt in het Nieuwe Testament vergeleken met wijn. Daarbij gaat het niet primair om het werkelijke bloed van Jezus, dat vloeide bij zijn kruisiging, maar vooral om de universele Christuskracht, die zich sinds mensenheugenis via de universele Broederschap iedere seconde offert voor de mensheid. Het oeroude christelijke symbool van de pelikaan die zijn borst openrijt om zijn jongen te voeden met zijn hartenbloed om hen te laten groeien, verbeeldt iets van dit mysterie. En wanneer een leerling vordert op het pad van de gnostieke mysteriën, wordt hij geleidelijk geschikt om zijn levenskracht deels te offeren voor anderen, zodat zij op basis daarvan de geest ontvangen en volmaakten en ingewijden worden.

De mysteriën van het mengvat en van het bloed van Christus hebben betrekking op wat ook wel wordt aangeduid als het mysterie van de heilige graal. De vele verhalen, sagen en legenden daarover spreken van een queeste, een zoektocht naar de heilige graal, waaraan genezende en bovennatuurlijke krachten worden toegekend. Over de graal werd gezegd dat zij de mens onsterfelijk maakt, kennis van God schenkt en eeuwig voedsel en drank verschaft aan hen die daarnaar hongeren en dorsten. De graal wordt in verhalen vaak voorgesteld als een steen – een steen der wijzen of hemelsteen – een kelk, een beker, een schaal of een vaas. Dat zijn allemaal voorwerpen uit de zintuiglijke wereld die verwijzen naar iets hogers dat zuiver geestelijk is. Door alle tijden heen werd de graal gezien als de verbindende schakel tussen de eeuwigheid en de tijd.

In de Bijbelse evangeliën staat dat Jozef van Arimathea, een leerling van Jezus, met toestemming van stadhouder Pilatus het dode lichaam van Jezus van het kruis heeft afgenomen en het begraven heeft in een spelonk in zijn tuin. Tegen het einde van de twaalfde eeuw schreef de Fransman Robert de Boron een gedicht over Jozef van Arimathea, waarin Jozef het zweet en het bloed van de gekruisigde opvangt in de graal, een schaal of beker die ook zou zijn gebruikt tijdens het laatste avondmaal van Jezus met zijn discipelen.

Ongeveer tegelijkertijd schreef Chrétien de Troyes ‘Parsival – de geschiedenis van de graal’. Daarin ontmoet de onnozele maar leergierige jongeling Parsival ridders van de Tafelronde, waarna hij de bonte ridderwereld binnengaat en na vele avonturen de graalburcht bereikt, de graal ziet, maar verzuimt om de essentiële vraag te stellen.

Wolfram von Eschenbach schreef omstreeks het jaar 1210 mede op basis van de vertelling van Chrétien de Troyes een uitgebreider graalverhaal met de naam ‘Parzival’, waarin de hoofdpersoon uiteindelijk door koning Arthur tot koning van de heilige graal wordt gekroond. Diverse auteurs hebben de omvangrijke en diepe spirituele symboliek daarvan uitgebreid geanalyseerd en beschreven. De componist Richard Wagner (1813-1883) baseerde er in 1882 zijn laatste muziekdrama ‘Parsifal’ op.

De genoemde graalverhalen zijn ontstaan in een christelijke cultuur, maar het mysterie van de graal is universeel, tijdloos en alomtegenwoordig. Zo zijn er ook Perzische en Russische graallegenden. De Egyptische Hermes Trismegistus spreekt over een mengvat, in Keltische teksten is sprake van een ketel en de Chinese wijze Lao Zi heeft het in het negende vers van zijn Daodejing over de gevulde vaas waar men af moet blijven. Met dat laatste wordt bedoeld dat de graal ook verbonden is met een oordeelskracht die haar beschermt. Men mag de heilige krachten niet zoeken en aanwenden voor persoonlijk gewin en kan ze alleen veilig naderen vanuit een toestand van overgave. Daarom schrijft Paulus: ‘Wie op onwaardige wijze eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel’. (1 Korinthe 11:29)

Geestesschool

Binnen het mysterie van de graal kunnen drie onderling samenhangende niveaus worden onderscheiden: het niveau van de universele Broederschap, het niveau van een gnostieke geestesschool en het niveau van een leerling op het gnostieke pad. De volgorde is hier belangrijk, want zonder de universele Broederschap is er geen bevrijding in gnostieke zin mogelijk. En voor de meeste leerlingen is het niet mogelijk om de vervulling op het gnostieke pad te bereiken zonder een geestesschool.

Geestesscholen worden niet gesticht door willekeurige mensen, maar door gezondenen die uitgaan van de universele Broederschap. Zij beschikken over een bepaalde geschiktheid en ervaringsvolheid, die veelal het resultaat is van vele spiritueel strevende levens van vorige incarnaties van de microkosmos die zij bewonen. Zij zijn in staat om op relatief jonge leeftijd de graal in zichzelf te verwerkelijken. Dat is een krachtlijnenstructuur in hun persoonlijkheid waarmee zij lichtkrachten kunnen opvangen, omzetten en uitstralen.

Gezondenen die de opdracht hebben om een geestesschool op te bouwen, zijn dus verbonden met een geconcentreerde lichtkracht, met de Sophia. Op basis daarvan kunnen zij leringen, methoden en werkwijzen ontwikkelen om samen met anderen het gnostieke pad verder te bewandelen. Die uiterlijke aspecten worden aangeduid als de Pistis en worden afgestemd op de cultuur en de tijdgeest waarin zij werken. Zo komt er op basis van de Pistis en de Sophia een gemeenschap met een bijbehorend krachtveld tot ontwikkeling, een Ecclesia, die geleidelijk kan uitgroeien tot een volwaardige geestesschool, waarbinnen de inwijdingsweg kan worden gegaan, een Ecclesia Pistis Sophia (zie afbeelding 13).

Er zijn altijd meerdere geestesscholen op aarde. Hun leringen en werkwijzen verschillen, maar  hun uiteindelijke doel is altijd hetzelfde: eraan meewerken dat mensen zich weer kunnen verbinden met hun goddelijke oorsprong. Frithjof Schuon (1907-1998) formuleert die gedachte aan het einde van zijn boek ‘De innerlijke eenheid van de religies’ als volgt:

‘Leringen zijn de vaten, de waarheid is wijn. Zonder vaten zou de wijn verloren gaan, maar de vaten mogen verschillend zijn: ze moeten het zelfs, want welk vat kan voor alle mensen toereikend zijn, en wie zou kunnen verhinderen dat er vele kruiken, leren zakken en bekers zijn? Maar hoe de door God gegeven houders ook gevormd mogen zijn, overal vloeit de wijn van de kennis en de liefde. Gezien in het licht van de gnosis staat de goddelijke wijn garant voor de aardse houder, maar van buitenaf gezien staat de door God geschonken houder garant voor de aanvankelijk nog onzichtbare wijn.’

Planeettypen


Een geestesschool kan een volheid bereiken wanneer zij vele leerlingen heeft die het geestelijke licht weerkaatsen op een manier die past bij hun type. Dan is er een soort tafelronde waarin alle deelnemers met hun unieke gaven en talenten bijdragen aan het grote geheel. In heilige geschriften wordt de volheid vaak gesymboliseerd door het getal zeven, dat we ook terugvinden in bijvoorbeeld de zeven kleuren van de regenboog en de zeven tonen van het octaaf. Al in de middeleeuwen werden er zeven mensentypen onderscheiden, die verbonden waren aan de kwaliteiten van de zeven klassieke planeten en die ook samenhangen met andere symboolsystemen zoals de mercuriusstaf en de levensboom (zie afbeelding 14). Het gaat om een psychologisch model dat ook wel wordt gekoppeld aan metalen en de leeftijdsfasen van een mens, en dat als volgt heel beknopt kan worden samengevat.

Maan, zilver, het verdroomde type,
moederlijk en beschermend, 0-7 jaar,

Mercurius, kwik, het beweeglijke type,
geestig en slim, 7-14 jaar,

Venus, koper, het esthetische type,
mooi en verleidelijk, 14-21 jaar,

Zon, goud, het stralende type,
zelfbewust en hartelijk, 21-42 jaar,

Mars, ijzer, het daadkrachtige type,
uitdagend en sportief, 42-49 jaar,

Jupiter, tin, het heersende type,
liberaal en zelfverzekerd, 49-56 jaar,

Saturnus, lood, het ik-bewuste type,
ernstig en ambitieus, 56-63 jaar.

Er zijn weinig mensen met een persoonlijkheid die door één zuiver type kan worden gekarakteriseerd. De meeste persoonlijkheden zijn een combinatie van enkele typen. In principe zijn alle typen in de mens aanwezig, maar meestal manifesteert zich slechts een deel daarvan. Het zonnetype is de persoonlijkheid in wie alle zes overige typen zich op een evenwichtige wijze uitdrukken. Naarmate de ziel zich sterker gaat manifesteren in de persoonlijkheid als gevolg van een innerlijke weg, zullen de kwaliteiten van alle typen sterker tot ontwikkeling komen, waardoor onevenwichtigheden afnemen en er meer harmonie komt. Wanneer een groep mensen samenwerkt om bepaalde doelen na te streven, is het belangrijk dat de kwaliteiten van alle zeven typen aanwezig zijn, want daarmee worden de beste resultaten bereikt. Als leerlingen van een geestesschool zich tijdens een tempeldienst gezamenlijk innerlijk verheffen om geestelijke krachten aan te trekken, te transformeren en uit te stralen, dan zijn zij als een symfonieorkest waarin iedere betrokkene zijn particuliere instrument laat bespelen door de gnosis, zoals dat schitterend verwoord is in Psalm 150 (zie lofzang 18). Dan loven zij de Heer in hun uiterlijke en innerlijke heiligdom. Dan manifesteren zij iets van de goddelijke volheid in deze wereld. Dan worden er krachten ontketend die helpend, aanvurend en scheppend zijn voor henzelf en voor allen die ontvankelijk zijn voor het licht van de gnosis.

Historici zijn het erover eens dat er in de periode van het vroege christendom vele religieuze samenkomsten werden gehouden want daar zijn talloze argumenten voor. Zijn er eigenlijk ook hermetische gemeenten geweest waar men de hermetische wijsbegeerte gezamenlijk belevendigde via ritualen en gezangen? Daar bestaan geen harde bewijzen voor, maar het is wel waarschijnlijk. Het inwijdingsritueel met lofzang zoals beschreven in het Nag Hammadi-geschrift ‘Verhandeling over de achtste en negende hemelsfeer’ wijst bijvoorbeeld in die richting (zie lofzang 20). Wie de vreugdevolle en de transformerende werkzaamheid die uitgaat van gnostieke erediensten persoonlijk heeft ervaren, zal zich zoveel mogelijk willen bevrijden van de slavernij van Chronos door bijvoorbeeld Kairos-momenten in te plannen om deel te nemen aan dat heilige werk. Zo iemand komt innerlijk geleidelijk vrij van de deiningen van de stoffelijke wereld en ervaart iets van de weldadige rust waar Hermes Trismegistus over schrijft.

‘Weet dat de vereerde en verheven schepper van het universum het edelste van alles is. Verbind u dan met het edele en door één te worden met de bron in uw wezen, komt u nader tot hem die u geschapen heeft. Wees ervan overtuigd dat het onedele zich voegt bij het onedele, en het edele bij het edele. U bent in de wereld van de dingen – een wereld die in wording is, en toch zoekt u er rust. Hoe kan iets in rust zijn in een wereld die in wording is? Zolang een boot op het water drijft, is hij niet stil of in rust. Als hij op een bepaald moment stil is, is het slechts bij toeval. Even later begint het water echter weer alles op het oppervlak heen en weer te schudden. De boot komt slechts dan tot rust als hij uit het water aan land getrokken wordt. Dat is de plaats waar hij vandaan komt en die in dichtheid en gewicht gelijk is aan de boot. Dan en niet eerder is hij waarlijk tot rust gekomen. Evenzo kan de ziel, zolang zij nog verbonden is met de deiningen van de stoffelijke wereld, niet stil zijn of maar even tot rust komen. Maar als zij terugkeert tot haar bron en wortel, dan is zij stil en in rust.’
(Vermaning van de ziel, hoofdstuk 3)

 

Een gedachte over “Beschouwing 7

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *