Inhoud van Parsifal, de laatste opera’s van Richard Wagner, zijn meesterwerk

Het besef van de natuur van de muziek is noodzakelijk voor de juiste waardering van zulk een groot meesterstuk als Richard Wagner’s Parsifal, waarin de muziek en de karakters verbonden zijn als in geen ander modern muzikaal voortbrengsel.

Wagners drama is gebaseerd op de legende van Parsifal, een legende, welks oorsprong verborgen ligt in het mysterie, dat de kindsheid van het menselijke ras overschaduwt. Het is een dwaalbegrip als men denkt, dat een mythe een vinding van de menselijke verbeelding is, zonder daadwerkelijke grond. Integendeel, een mythe is een kistje, dat soms de diepte en kostbaarste juwelen van geestelijke waarheid bevat, parels van schoonheid zo zeldzaam en fijn, dat zij het niet verdragen om aan het stoffelijk verstand te worden overgeleverd.

Teneinde hen te beschermen en tegelijkertijd op de mensheid te laten inwerken voor haar geestelijke opheffing, geven de grote leraren, die de evolutie leiden, ongezien de geestelijke waarheden aan de ontstaande mensheid, gehuld in het schilderachtige symbolisme van mythen, zodat zij op onze gevoelens zullen kunnen inwerken tot aan het tijdstip, waarop onze ontluikende verstandelijke vermogens voldoende ontwikkeld en vergeestelijkt zijn, zodat wij ze zowel kunnen voelen als begrijpen.

Hetzelfde beginsel passen wij toe, als wij onze kinderen zedelijke leringen geven door middel van prentenboeken en feeënvertelsels, de meer directe lering voor later jaren achterhoudend. 

Wagner deed meer dan eenvoudig de legenden nabootsen. Evenals alle dingen, worden legenden door overzetting verhard en verliezen hun schoonheid en het is weer blijk van Wagner’s grootheid, dat hij in zijn uitdrukking nooit door mode of geloof gebonden werd. Hij handhaafde steeds het voorrecht van de kunst in onbelemmerde en vrije uitbeelding. 

In ‘Godsdienst en kunst’ zegt hij zowaar: ‘Men kan zeggen dat, waar godsdienst kunstmatig wordt, het de kunst is voorbehouden om de geest van de godsdienst door erkenning van de zinnebeeldige waarde van het mythische symbool te redden, hetwelk de godsdienst ons in een letterlijke betekenis wil doen geloven en door haar diepe en verborgen waarheden door een ideale voorstelling te openbaren. Terwijl de priesters verkondigen, dat elke godsdienstige beeldspraak als daadzaak moet worden aangenomen, bekommert de kunstenaar zich daar in het geheel niet over, daar hij zijn werk vrij en openlijk als zijn eigen vinding uitgeeft. 

Maar de godsdienst is tot een kunstmatig leven verzonken, als hij zich maar steeds verplicht vindt om zijn gebouw van dogmatische symbolen te vergroten en aldus de ene goddelijke waarheid er in onder een steeds aangroeiende massa aanbevolen ongeloofwaardigheden te verbergen. Dit gevoelend, heeft hij steeds de hulp van de kunst gezocht, die op haar beurt niet tot hogere ontwikkeling kon komen, zolang zij aan de aanbidder die de werkelijkheden in de vorm van afgodische zinnebeelden moest voorstellen, terwijl zij haar ware roeping slechts kon vervullen door een ideale voorstelling van de zinnebeeldige figuur, die tot begrip van haar innerlijke kern – de onuitsprekelijke, goddelijke waarheid – leidt.’

EERSTE AKTE

Het drama van Parsifal in beschouwing nemend, vinden wij dat het aanvangstoneel op het kasteel van Mont Salvat gespeeld wordt. Dit is een plaats van de vrede, waar alle leven heilig is; de dieren en vogels zijn tam, want evenals alle werkelijk heilige mensen, zijn de ridders ongevaarlijk, daar zij niet doden om te eten, noch voor de sport. Zij passen de stelregel ‘Leven en laten leven’ op alle levende schepsels toe. 

De dageraad breekt aan en wij zien Gurnemanz, de oudste van de graalridders, met twee jonge schildknapen onder een boom. Zij zijn juist uit hun nachtelijke slaap ontwaakt en zij krijgen Kundry op een afstand in het oog, die op een wild strijdros komt aan galopperen.

In Kundry zien wij een schepsel, dat twee levens leidt, een als dienaar van de graal, gewillig en volijverig om de belangen van de graalridders, met alle middelen onder haar bereik, te dienen; dit schijnt haar ware natuur te zijn. In het andere bestaan is zij de onwillige slaaf van de tovenaar Klingsor en wordt door deze genoodzaakt de graalridders, welke zij verlangt te dienen, in verzoeking te brengen en te kwellen. de poort van het ene naar het andere bestaan is ‘de slaap’, en zij is verplicht degene te dienen, die haar vindt en opwekt. Als Gurnemanz haar vindt, is zij de gewillige dienares van de graal, maar wanneer Klingsor haar door zijn slechte toverformule oproept, heeft hij recht op haar diensten of zij wil of niet. 

In de eerste akte is zij gekleed in een gewaad van slangenvellen, het symbool van de grondstelling van de wedergeboorte, want zoals de slang haar vel aflegt, keer op keer, en dit vanzelf wordt afgescheiden als deze hard geworden is, onbeweeglijk en gekristalliseerd, zodat zij haar nut heeft verloren, zo komt op de ontwikkeling-levensreis van het ego het ene lichaam na het andere uit hemzelf voort. Dit denkbeeld is ook verbonden met de leringen van de wet van oorzaak en gevolg, welke ons doet oogsten, wat wij hebben gezaaid. Het luidt in het antwoord van Gunemanz op de bekentenis van wantrouwen van de jonge schildknaap in Kundry:

‘Zij moge onder de vloek staan
Van een vroeger leven, dat wij niet zien,
Zoekend de keten van de zonde te ontgaan
Door daden, welke ons van het betere voorzien;
Gewis is ’t goed, dat zij zo doet,
Helpend zichzelf, en dienend ons.’

Als Kundry op het toneel komt, haalt zij een flesje uit haar boezem, dat zij zegt van Arabië te hebben meegebracht en dat, naar zij hoopt, een balsem zal zijn voor de wond in de zijde van Amfortas, de koning van de graal, welke hem ontzaglijk dot lijden en niet genezen kan. De lijdende koning wordt dan op het toneel gedragen, liggend op een rustbed. Hij is op weg naar zijn dagelijks bad in het meer dichtbij, waar twee zwanen zwemmen, die het water genezend maken, hetgeen zijn vreselijke innen verzacht. Amfortas bedankt Kundry, maar drukt zijn mening uit, dat er voor hem geen hulp is totdat de bevrijder gekomen zal zijn, door de graal voorspeld als ‘een reine dwaas, door medelijden verlicht’. Maar Amfortas denkt dat hij, vóór de bevrijding komt, gestorven zal zijn.

Amfortas wordt weggedragen en vier van de jonge schildknapen verdringen elkaar om Gurnemanz en vragen hem om hun de geschiedenis van de graal en Amfortas’ wond te vertellen. Zij leunen allen onder tegen de boom en Gurnemanz begint:

‘In de nacht toen onze heer en verlosser, Christus Jezus, het laatste avondmaal met zijn discipelen gebruikte, dronk hij de wijn uit een zekere kelk en die werd later door Jozef van Arimathea gebruikt om het bloed op te vangen, dat uit de wond in de zijde van de verlosser vloeide. Hij bewaarde ook de beloofde speer, waarmee de wond was toegebracht en voerde deze religieuze relikwieën door vele gevaren en vervolgingen met zich mee. Tenslotte werden zij door de engelen overgenomen, die ze bewaarden, totdat op een zekere nacht een van God gezonden mystieke boodschapper verscheen en aan Titurel, Amfortas’ vader, verzocht om een kasteel voor de ontvangst en veilige bewaring van de relikwieën te bouwen. Zo werd het kasteel van Mont-Salvat gebouwd op een hoge berg en de relikwieën daar bewaard onder de hoede van Titurel met een korps van heilige en kuise ridders, welke hij om zich heen verzameld had. Het werd een middelpunt, vanwaar machtige geestelijke invloeden naar de buitenwereld uitgingen.’

Maar er woonde in het gindse heidendal een zwarte ridder, die niet kuis was, maar toch ridder van de graal wenste te worden en zich tot dat doel verminkte. Hij beroofde zichzelf van het vermogen om zijn hartstocht te bevredigen, maar de hartstocht bleef. Koning Titurel zag, dat zijn hart met zwarte begeerte vervuld was en weigerde hem de toegang. Klingsor zwoer daarop, dat, als hij de graal niet kon dienen, de graal hem zou dienen. Hij bouwde een kasteel met een tovertuin en bevolkte het met verrukkend schone maagden, die geurden als bloemen en deze belaagden de ridders van de graal, (die het kasteel moesten passeren bij het gaan naar of de terugkeer van Mont Salvat, hen verlokkend om hun trouw te verzaken en hun belofte van kuisheid te verbreken. Aldus werden zij de gevangenen van Klingsor en slechts weinigen bleven er als verdedigers van de graal over.’

‘Ondertussen had Titurel de bewaking over de graal aan zijn zoon Amfortas overgegeven en deze besloot, naar aanleiding van de ernstige verwoesting door Klingsor aangericht, er op uit te trekken en de strijd met hem aan te binden. Hij voerde daartoe de heilige speer met zich mee.’

‘De sluwe Klingsor trad Amfortas niet persoonlijk tegemoet, maar riep Kundry op en veranderde haar van het lelijke wezen, dat als de dienaar van de graal verscheen, in een vrouw van voortreffelijke schoonheid. Onder Klingsors betovering ontmoette en verleidde zij Amfortas, die bezweek en in haar armen viel, zijn houvast aan de heilige speer prijsgevend. Toen verscheen Klingsor, deze greep de speer, bracht de weerloze Amfortas een wond toe en zonder de heldhaftige inspanning van Gurnemanz, zou hij Amfortas als gevangene naar zijn toverkasteel gebracht hebben. Hij heeft evenwel de heilige speer en de koning verlamd van het lijden, want de wond wil niet genezen.’

De jonge schildknapen springen op, met vuur bezield, zwerend dat zij Klingsor willen verslaan en de heilige speer opnieuw in bewaring nemen. Gurnemanz schudt droevig het hoofd, zeggend dat die taak buiten hun bereik ligt, maar herhaalt zijn voorspelling, dat de verlossing zal worden volvoerd door een reine dwaas, door medelijden verlicht.’

Nu hoort men roepen: ‘De zwaan! O, de zwaan!’en een zwaan fladdert over het toneel en valt dood neer aan de voeten van Gurnemanz en de schildknapen, die zeer bewogen zijn door dit gezicht. Andere schildknapen brengen een stoere jongeling met pijl en boog gewapend binnen en op Gurnemanz droevige vraag ‘Waarom schoot u het onschadelijke schepsel? Antwoordde hij onnozel: ‘Was dat verkeerd?’Gurnemanz vertelt hem dan over de zieke koning en het aandeel van de zwaan in het bereiden van het genezende bad. Parsifal wordt diep bewogen door dit verhaal en breekt zijn boog. 

In alle godsgiensten is de levende geest als een vogel gesymboliseerd. Toen, bij de doop, Jezus’lichaam in het water was, daalde de Geest van Christus als een duif er in neer. ‘De Geest beweegt zich op het water,’een vloeibare middenstof, zoals de zwanen zich bewegen op het meer beneden de Yggdrasil, de boom des levens uit de Noorse mythologie, of op de wateren van het meer in de graallegende. De vogel is daarom de rechtstreekse vertegenwoordiging van de hoogste geestelijke invloed en de ridders betreuren het verlies diep. 

De waarheid is veelzijdig. Er zijn op zijn minst zeven deugdelijke verklaringen voor elke mythe, een voor iedere wereld, en gezien van de stoffelijke, letterlijke zijde tekent het mededogen in Parsifal opgewekt en het breken van zijn boog, een besliste stap in het hogere leven. Niemand kan waarlijk mededogend zijn en een helper in de evolutie, terwijl hij doodt om te eten, hetzij in persoon of bij volmacht. Het onschadelijke leven is een absoluut wezenlijke noodzakelijkheid, die het behulpzame leven voorafgaat. 

Gurnemanz begint hem dan over hemzelf te ondervragen: wie hij is en hoe hij naar Mont Salvat kwam. Parsifal legt de meest verbazende onwetendheid aan de dag. Op alle vragen antwoordt hij: Ík weet het niet.’Tenslotte spreekt Kundry vrij uit: ‘Ik kan u zeggen, wie hij is. Zijn vader was de edele Gamuret, een vorst onder de mensen, die in Arabië in het gevecht stierf, terwijl dit kind zich nog in de schoot van zijn moeder, vrouwe Herzleide, bevond. Met zijn laatste, stervende ademtocht noemde zijn vader hem Parsifal, de reine dwaas. Uit vrees dat hij opgroeiend de kunst van het krijgsvoeren zou leren en van haar zou worden weggenomen, bracht zijn moeder hem groot in een dicht woud, onbekend met wapens en krijg.’

Hier valt Parsifal in: ‘Ja, en op een zekere dag zag ik enige mannen op mooie beesten; ik wilde zijn zoals zij, daarom volgde ik hen vele dagen tot ik uiteindelijk hier kwam en ik vele menselijke monsters bekampen moest. ‘

In deze geschiedenis hebben wij een uitstekende schildering van het zoeken van de ziel naar de werkelijkheden van het leven. Gamuret en Parsifal vertegenwoordigen verschillende fasen in het leven van de ziel. Gamuret is de man van de wereld, maar hij werd bijtijds nauw met Herzleide verbonden, met andere woorden, hij werd door hartesmart getroffen. Terwijl het levensschip over de rustige wateren glijdt en ons bestaan op een grote zoete zang lijkt, is er geen prikkel om ons tot het hogere leven te wenden; elke vezel in ons lichaam roept: ‘Dit is voor mij goed genoeg.’ Maar wanneer de baren van de tegenspoed rond ons loeien en elke opvolgende golf ons dreigt te verzwelgen, dan zijn wij met de hartesmart verbonden en worden wij mensen met zorgen, gereed om als een Parsifal te worden geboren, de reine dwaas of de ziel, die de wijsheid van de wereld heeft vergeten en naar het hogere leven zoekt. 

Zo lang een mens geld zoekt op te hopen of genoegens nastreeft, wordt hij volgens de wijsheid van de wereld verkeerdelijk wijs genoemd, maar wanneer hij zijn aangezicht naar de dingen van de geest richt, wordt hij in de ogen van de wereld een dwaas genoemd. Hij vergeet alles uit zijn verleden en laat zijn zorgen achter, zoals Parsifal Herzleide achterliet en men zegt, dat zij stierf, toen Parsifal niet tot haar terugkeerde. Zo sterven de zorgen, als zij de strevende ziel in het leven geroepen hebben, die de wereld vermijdt; hij mag zijn plicht vervullen in de wereld, maar hij is niet van de wereld. 

Gurnemanz is nu vervuld geworden van het denkbeeld, dat Parsifal de bevrijder moet worden van Amfortas en neemt hem mee naar het kasteel van de graal. En op Parsifal’s vraag: ‘Waar is de graal? Antwoordt hij:

Dat zeggen wij niet, maar als u door hem uitgenodigd bent,
Zal de waarheid voor u niet verborgen blijven.
Mij dunkt, uw aangezicht heb ik terecht verstaan.
Tot hem leidt geen pad om langs te gaan
Door ’t zoeken wordt de afstand wijder
Wanneer hijzelf niet is geleider.

Hier worden wij door Wagner naar de dagen voor Christus teruggevoerd, want voor Christus, stond inwijding niet open voor een ieder die wil zoeken op de juiste wijze, maar was voor zekere uitverkorenen, zoals de brahmanen en de levieten, voorbehouden, die bijzondere voorrechten genoten in ruil voor hun toewijding aan de tempeldienst. De komst van Christus evenwel bewerkte zekere bepaalde veranderingen in de lichaamsgesteldheid van de mensheid, waardoor nu allen geschikt zijn om het pad van inwijding te betreden. Inderdaad moest het zo gaan, toen de internationale huwelijken de kasten deden verdwijnen. 

In het kasteel van de graal wordt Amfortas van alle zijden lastig gevallen om de gewijde ritus van de graal-dienst te vervullen, de heilige avondmaalsbeker te onthullen, opdat het zien daarvan de ijver van de ridders zou vernieuwen en hen tot daden van geestelijke dienst aansporen, maar hij huivert uit vrees voor de pijn, welke het gezicht van de graal hem zal veroorzaken.  De wond in zijn zijde begint altijd bij het zien daarvan opnieuw te bloeden, zoals de wond van de wroeging ons alleen pijnigt, wanneer wij tegen ons ideaal hebben gezondigd. 

Tenslotte evenwel zwicht hij voor de gezamenlijke verzoeken van zijn vader en de ridders. Hij verricht de heilige ritus, ofschoon hij onderwijl de meest folterende kwellende ondergaat en Parsifal, die in een hoek staat, voelt sympathisch dezelfde pijn, zonder te beseffen waarom en wanneer Gurnemanz hem na de plechtigheid ongeduldig vraagt wat hij zag, blijft hij stom en wordt door de teleurgestelde en daardoor boze oude ridder het kasteel uitgestoten. 

De gevoelens en aandoeningen, onbeteugeld door kennis zijn vruchtbare bronnen van beproeving. De ware onschadelijkheid en argeloosheid van de strevende ziel maken haar dikwijls tot een gemakkelijke prooi van de zonde. Het is voor de zielegroei nodig, dat deze beproevingen komen, ten einde ons de zwakke punten te tonen. Als wij vallen, lijden wij zoals Amfortas, maar de pijn ontwikkelt geweten en geeft afkeer van de zonde. Zij maakt ons sterk in beproeving. Ieder kind is onschuldig, omdat het niet beproefd is, maar deugdzaam zijn wij alleen dan, als wij beproefd geworden en zuiver gebleven zijn of als wij gevallen zijn, berouw gevoeld en ons gebeterd hebben. Daarom moest Parsifal beproefd worden. 

TWEEDE AKTE

In het tweede bedrijf zien wij Klingsor bezig Kundry op te roepen, omdat hij Parsifal op zijn weg naar het kasteel heeft waargenomen en hem meer vreest dan alle anderen, omdat hij een dwaas is. Een wereld wijs man wordt door de snaren van de bloemenmeisjes gemakkelijk verstrikt, maar Parsifal’s argeloosheid beschermt hem en wanneer de bloemenmeisjes om hem heen zwermen, vraagt hij onschuldig: ‘Zijn jullie bloemen? Jullie ruiken zo lekker.’ Tegen hem zijn de superieure listen van Kundry noodzakelijk en ofschoon zij pleit, protesteert en zich verzet, wordt ze gedwongen Parsifal te beproeven en daartoe verschijnt zij als een bovenmate schone vrouw en noemt Parsifal bij zijn naam. 

Die naam roept in zijn boezem herinneringen uit zijn jeugd op, de liefde van zijn moeder  en Kundry wenkt hem om aan haar zijde te komen en begint arglistig op zijn gevoel te werken door visioenen in zijn geheugen terug te roepen van zijn moeders liefde en het verdriet, dat zij had bij zijn vertrek, dat een einde aan haar leven maakte. Dan vertelt zij hem van die andere liefde, welke hem schadeloos kan stellen, van de liefde van de man voor de vrouw en tenslotte drukt zij hem een lange, vurige en hartstochtelijke kus op zijn lippen. 

Toen heerste er stilte, dien en verschrikkelijk, alsof het slot van de wereld door die vurige kus in de weegschaal lag en terwijl zij hem in haar armen houdt, ondergaat zijn gelaat een geleidelijke verandering en vertrekt van pijn. Plotseling springt hij op, alsof die kus hem met nieuwe pijn getroffen had, de lijnen van zijn bleek gelaat worden dieper en beide handen worden tegen zijn kloppend hart geklemd, als om een verschrikkelijke zielsangst te smoren –  de graalbeker verschijnt voor zijn gezicht en dan Amfortas in dezelfde hevige zielesmart en tenslotte roept hij uit: Ámfortas, o, Amfortas! Ik weet het nu, de speerwond in uw zijde  – hij brandt mijn hart, hij schroeit tot diep in mijn ziel. O, kommer! O, ramp! Onzeggelijke angst! De wond bloedt hier uit mijn eigen zijde!’

Dan nogmaals, in dezelfde hevige spanning: ‘Neen, dit is niet de speerwond in mijn zijde, want dit is vuur en vlam binnen in mijn hart, dat mijn hoofd tot waanzin brengt, de vreselijke dolheid van de kwellende liefde. Nu weet ik hoe de gehele wereld wordt bewogen, verontrust, geschokt en zich dikwijls door de schrikkelijke hartstochten in schaamte verliest.’

Kundry beproeft hem nogmaals: als deze ene kus u zoveel kennis heeft gebracht, hoeveel meer zal dan uw deel zijn, als u zich aan mijn liefde overgeeft, als is het maar gedurende een uur.’

Maar nu is er geen aarzeling. Parsifal is ontwaakt; hij onderscheidt het goede van het slechte en hij antwoordt: ‘De eeuwigheid zou voor ons beide verloren zijn, indien ik zelfs maar een uur voor u bezweek: maar ik wil u redden en u ook van de vloek van de hartstocht bevrijden, want de liefde die in u brandt is slechts zinnelijk en tussen deze en de ware liefde van de zuivere harten gaapt een afgrond als tussen hemel en hel.’

Als Kundry zich tenslotte overwonnen moet geven, overvalt haar een grote angst. Zij roept Klingsor te hulp en deze verschijnt met de heilige speer, welke hij naar Parsifal toewerpt. Maar deze is zuiver en onschadelijk zodat niets hem treffen kan. De speer zweeft zonder hem kwaad te doen boven zijn hoofd. Hij grijpt hem, maakt er het teken van het kruis mee en Klingsor’s kasteel en tovertuin vallen in puin. 

DERDE AKTE

Het derde bedrijf vangt vele jaren later op een goede vrijdag aan. Een reizend krijgsman, gekleed met zwarte maliënkolder, betreedt de omgeving van Mont Salvat, waar Gurnemanz in een hut leeft. Hij neemt zijn helm af en plaatst een speer tegen een nabijzijnde rots en knielt in gebed neer. Gurnemanz die juist met Kundry thuis komt, die hij even te voren in een bosje slapende had aangetroffen, herkent Parsifal met de heilige speer en verwelkomt hem zeer verblijd en vraagt waar hij vandaan komt. 

Hij had dezelfde vraag gesteld bij Parsifal’s eerste bezoek en het antwoord was geweest: ‘Ik wee het niet.’Maar deze keer is het geheel anders, want Parsifal antwoordt: ‘door zoeken en lijden kwam ik.’De eerste gelegenheid beschrijft een van de voorbijgaande beelden, welke de ziel van de werkelijkheden van het hogere leven krijgt, maar de tweede is de bewuste bereiking van een grotere hoogte van geestelijke werkzaamheid door een man, die door zorg en lijden ontwikkeld is en Parsifal gaat voort te vertellen hoe hij dikwijls door vijanden omringt was en zich dikwijls door het gebruik van de speer had kunnen redden, maar terugdeinsde, omdat zij een werktuig voor genezing en niet voor verwonding was. De speer is de geestelijke macht, welke tot het zuivere hart en leven komt, maar moet alleen voor onzelfzuchtige doeleinden gebruikt worden; onzuiverheid en hartstocht veroorzaken zijn verlies, gelijk het geval was met Amfortas.  

Ofschoon de mens die hem bezit, hem bij gelegenheid mag gebruiken om vijfhonderd hongerige mensen te voeden, mag hij er geen enkele steen mee in brood veranderen om zijn eigen honger te bevredigen en ofschoon hij hem mag gebruiken om het bloed te stelpen, dat van het afgesneden oor van een kaper vloeit, mag hij hem niet bezigen om het bloed te stoppen, dat uit zijn eigen zijde stroomt. Van dezulken werd immer gezegd: ‘Hij redde anderen, zichzelf kon (of wilde) hij niet helpen. 

Parsifal en Gurnemanz gaan het graalkasteel binnen, waar Amfortas aanhoudend lastig gevallen wordt om de heilige ritus te volbrengen, maar weigert om zichzelf te bevrijden van de pijn, welke het zien van de heilige graal veroorzaakt; zijn borst ontblotend smeekt hij zijn volgers om hem te doden. Op dit ogenblik treedt Parsifal op hem toe en raakt de wond met de speer aan, waardoor deze geneest. Hij onttroont echter Amfortas en neemt zelf de bewaking van de heiloge graal en de heilige speer op zich.

Alleen zij die de volmaakte onzelfzuchtigheid bezitten, gepaard met het nauwkeurigste inzicht, zijn geschikt om de geestelijke macht te bezitten, gesymboliseerd door de speer. Amfortas zou haar gebruikt hebben op een vijand aan te vallen en te verwonden. Parsifal zou haar zelfs niet voor zelfverdediging hebben gebruikt. Daarom is hij in staat om te genezen, terwijl Amfortas in de kuil viel, die hij voor Klingsor had gegraven.

HET LAATSTE BEDRIJF

Kundry, die de lagere natuur voorstelt, zegt slechts een woord: dienst. Zij helpt Parsifal, de geest, door haar volmaakte dienst te slagen. In het eerste bedrijf ging zij slapen toen Parsifal de graal bezocht. Op die trap kan de geest niet hemelwaarts zweven, behalve als het lichaam te slapen gelegd is of sterft. Maar in het laatste bedrijf, gaat het lichaam ook naar het graalkasteel, want het is  aan het hoger zelf toegewijd en als de geest is geslaagd zoals Parsifal, heeft hij de staat van bevrijding bereikt, waarvan in de openbaring gesproken wordt; ‘Hem die overwint zal ik een pilaar in het huis van mijn God maken: hij zal daar niet meer uitgaan.’

Zulk één zal van de hogere werelden uit voor de mensheid werken; hij heeft in het geheel geen stoffelijk lichaam meer nodig; hij is buiten de wet van wedergeboorte en daarom sterft Kundry. 

Oliver Wendell Holmes heeft in zijn schone gedicht ‘The chambered Nautilus’ dit denkbeeld van aanhoudende vooruitgang in steeds betere voertuigen en eindelijke bevrijding weergegeven. De nautilus bouwt haar spiraalvormige schaal in afdelingen met kamers, aanhoudend de kleinere, welke zij ontgroeid is, verlatend voor degene die het laatste gebouwd werd.    

Jaar na jaar ging ongestoord
In stilte de opbouw der kronkels voort;
Steeds wijder werd der spiralen boog,
Terwijl hij van woning tot woning toog,
Zich zachtkens naar ’t nieuwe voortbewoog,
De vergank’lijke deur weer gesloten had
Van het laatste tehuis, en het oude vergat. 

Gij bracht ons een hemelse boodschap mee,
Heb dank daarvoor, kind van de woelige zee,
Hulp’loos gespoeld op ’t strand, daar verloren,
Kondt ge stervend met schoner geluid ons bekoren,
Dan ooit Triton’s omkranste hoorn deed horen.
En terwijl dit in mijn ziel weerklinkt,
Hoor ik diep in mijn gedachten een stem, die zingt:

‘Bouw u, o mijn ziel, in de loop der tijden
Een waardiger woning, een schone, wijde;
Verlaat uw bekrompen verleden, en leer
Ieder nieuw verblijf te verbeteren weer. 
’t Zij ruimer van welving dan dat van weleer;
Totdat gij, van uw omhulsel bevrijd,
’t Laat liggen op ’t strand der oneindigheid.’  

Bron: De mysteriën der grote opera’s van Max Heindel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *