9. Jan Amos Comenius

 

De uit Tsjechië afkomstige protestantse geleerde Jan Amos Komensky (1592-1670), internationaal beter bekend onder zijn Latijnse naam Comenius, is rozenkruiser in hart en nieren, maar presenteert zich niet als zodanig. Hij laat zich inspireren door de manifesten van de klassieke rozenkruisers. Bijna zijn hele lange en felbewogen leven wijdt hij zich aan de transformatie van mens en maatschappij; niet alleen met een helder hoofd, maar vooral ook met een brandend hart en een aantoonbare daad. 

Hij zet zich onbaatzuchtig in om de wereld en de mensheid op een hoger plan van ontwikkeling te brengen. De visies van deze bevlogen en visionaire man zijn ook nu nog van groot belang om de vele stormen die door de wereld gaan te doorstaan en omstandigheden te creëren waardoor de mens werkelijk mens kan worden.

Comenius is zo verstandig om pas tegen het einde van zijn leven openlijk uit te komen voor zijn sympathie voor de rozenkruisers en de innerlijke verbondenheid met hen. Als hij dat eerder zou hebben gedaan, had hij kunnen rekenen op nog meer weerstanden waardoor hij niet zo productief had kunnen zijn. Evenals Paracelsus (fakkeldrager 1) denkt Comenius op een wijze die we nu holistisch noemen. Een groot verschil tussen beide fakkeldragers is dat Paracelsus zich gedraagt als een rebel en het conflict aangaat, terwijl Comenius veel meer diplomaat is en zoekt naar verzoening en vrede. 

Comenius heeft weliswaar tegenstanders, maar toch wordt hij in de zeventiende eeuw alom gerespecteerd vanwege zijn wijsheid, mildheid en inzet. Hij werkt in alle lagen van de samenleving in meerdere Europese landen, van het volk tot de vorsten, en van kleuters tot vooraanstaande wetenschappers. 

Het drievoudige motto ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’ van de Franse Revolutie was nog niet geformuleeerd, maar Jan Amos spant zich enorm in om die waarden tot uitdrukking te brengen. Hij is zijn tijd ver vooruit. In de Fama Fraternitatis R.C. worden de staatshoofden, regeringen en geleerden opgeroepen om samen te werken in plaats van elkaar tegen te werken. Comenius werkt dat idee praktisch uit en kan daarom worden gezien als de mentale architect en grondlegger van wereldwijde belangenorganisaties zoals we die nu kennen als bijvoorbeeld de Verenigde Naties, de Wereldraad van Kerken en het Internationale Hof van Justitie. 

Het is niet voor niets dat UNESCO – de organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur – meerdere geschriften van en over Comenius publiceert, en dat diverse internationale uitwisselingsprogramma’s naar hem worden genoemd. Comenius stelt:

‘In ons werk, of men nu het geheel, dan wel enig onderdeel daarvan beschouwt, doen wij ons best daar te beginnen, waar geen verschil van mening ons scheidt of voor elkaar verdacht maakt. Stap voor stap gaan wij voorzichtig verder, terwijl wij alles vermijden, wat beledigend kan werken, opdat joden, Turken en heidenen, en ook wij christenen, die in onze opvattingen verstrikt zijn, onze vredesarbeid onaangevochten kunnen verrichten, en deze voortzetten, tot allen daar belanden, waar zij gevoelen, dat zij door de stralen van het licht omschenen en door het licht van de waarheid worden omvat’. 

In de achttiende eeuw raakt Comenius in vergetelheid. In de negentiende eeuw wordt hij herontdekt als pedagoog die de wereld wil verbeteren door de mens op te voeden tot een vrij wezen dat zelf beslissingen neemt en vrijwillig kiest voor het goede. Dan worden er in Europa onderwijssystemen opgezet die gebaseerd zijn op zijn publicaties. Het bekendste boekje dat Comenius schrijft voor het onderwijs is ‘Orbis sensualium pictus’, de zichtbare wereld in afbeeldingen. In het voorwoord van dit lees- en leerboekje schrijft hij: 

‘Educatie is het medicijn tegen onwetendheid. Educatie die waar, volledig, helder en duurzaam is. Waar, om te leren wat nuttig is in het leven. Volledig wanneer ze het verstand tot wijsheid leidt, de tong tot welsprekendheid, en de handen tot bezigheden die we in het leven moeten verrichten. Helder en daardoor duurzaam, wanneer alles duidelijk, geordend en geleed is zoals de vingers aan een hand.’ 

Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw gaan steeds meer mensen inzien dat Comenius veel meer was dan alleen een grondlegger van de pedagodiek en didactiek, dat hij ook theoloog, filosoof en politicus was. Sterker nog, dat hij niet in hokjes is te vatten omdat hij een universele mens was, een homo universalis die zijn denken, voelen en handelen liet bepalen door het belang van het grote geheel. Evenals andere fakkeldragers maakt Comenius geschiedenis met een vak, maar is van een veel grotere betekenis in de spirituele opvoeding en bewustwording van de mensheid dan algemeen wordt erkend. 

Teneinde een solide basis te leggen voor de algehele wereldhervorming die de klassieke rozenkruisers propageren, werkt Comenius het begrip pansofie uit, dat hij formuleert als ‘universele wijsheid, namelijk de kennis van alle dingen die er zijn, van de manier waarop zij bestaan en de wetenschap omtrent hun doel en gebruik, waartoe zij er zijn’. 

In de Fama lezen we dat Christiaan Rozenkruis reist, studeert, leert, boeken schrijft, een broederschap leidt en een samenvatting van het heelal maakt. Dat doet Comenius ook allemaal. Hij zoekt naar de orde en de samenhang van de dingen vanuit een filosofisch, religieus en spiritueel perspectief. 

Hij beschouwt de mens als middelaar tussen God en de natuur, of tussen hemel en aarde. Als beelddrager van God kan de mens heersen over de natuur en zichzelf, en de wetenschap en spiritualiteit kunnen hem helpen om die heerschappij te verwerkelijken. Toch is die heerschappij volgens Comenius geen einddoel, maar slechts voorwaardenscheppend voor geestelijke ontwikkeling. In zijn hoofdwerk ‘Via Lucis’ schrijft Comenius:

‘Pas wanneer de mens de natuur geheel onderworpen heeft, de inrichting van de wereld en de kracht van de elementen begrijpt, en ook het begin, het midden van het einde van de tijden, de wisselingen van de zonnewenden en de verscheidenheid van de seizoenen, de cirkelgang van het jaar en de posities van de sterren, de natuur van de levende wezens en de instincten van de dieren, de kracht van de geest en de gedachten van de mens, de verschillen van de gewassen en de vermogens van hun wortels, kortom al wat bekend of nog verborgen is, weest ervan doordrongen dat hij dan pas het ABC van de goddelijke wijsheid deelachtig is geworden. Of liever heeft de mens dan pas een voet gezet op de drempel van de tempel van de wijsheid van God. De voorhof evenals het binnenste zijn nog maar net in zicht. Zo zal in de mens het woord van Jezus Sirach vervuld worden: Wanneer de mens voltooid zal hebben, dan is het begin.’ 

Jan Komensky (zijn tweede naam Amos neemt hij pas later aan) wordt geboren in 1592 in een dorpje in Oost-Moravië op de grens van Tsjechië en Slowakije. Zijn ouders zijn eenvoudige boeren die deel uitmaken van de Boheems-Moravische Broeder-uniteit, een protestantse geloofsgemeenschap die was voortgekomen uit het hervormingswerk van de Tsjechische reformator Jan Hus, die in 1415 in Konstanz als ketter was verbrand. 

In deze religieuze gemeenschap leeft men volgens strenge christelijke normen en in gemeenschap van goederen, en verzorgt men eigen onderwijs. Daarbij wordt gebruik gemaakt van onder andere de bijbelvertaling in de moedertaal uit 1582. 

Als Jan twaalf jaar is, wordt hij wees. Een tante gaat voor hem zorgen en in 1608 gaat hij naar de Latijnse school van de Broederuniteit in Perov. Als hij die heeft afgerond, zendt de Broederuniteit deze begaafde jongeman in 1611 naar de door Willem van Oranje gestichte universiteit van Herborn in Duitsland. Hij zet zijn studie voort aan de universiteit van Heidelberg, waar hij in 1612 kennis maakt met de ‘Fama Fraternitatis R.C’., die een diepgaande invloed zal hebben op zijn latere werk. In 1614 keert hij terug en wordt hij rector aan de school waar hij zelf onderwijs heeft genoten. In 1616 wordt hij gewijd tot predikant van de Broeder- uniteit en in 1618 treedt hij in het huwelijk. 

In 1618 breekt ook de verschrikkelijke dertigjarige oorlog uit, waarbij katholieke legers moordend en plunderend door Europa tekken. Van 1618 tot 1648 slinkt de Tsjechische bevolking van 4 miljoen tot minder dan 800.000 als gevolg van oorlogsgeweld, epidemieën en op de vlucht zijn. Comenius vlucht en verliest zijn echtgenote en twee kinderen. Zijn bibliotheek en manuscripten gaan in vlammen op. Vanaf 1621 leidt hij als onderduiker een zwervend bestaan omdat de katholieke overheid zijn geloofsovertuiging niet erkent. In 1628 vlucht hij naar Polen en vestigt zich in de stad Leszno, waar hij zich in alle rust verdiept in didactiek, pedagogiek, theologie en de pansofische filosofie. 

In die Poolse tijd begint Comenius een briefwisseling met de Lutherse predikant Johann Valentin Andreae (fakkeldrager 8), die naast De Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis nog veel meer werken heeft gepubliceerd, omdat hij hem zeer bewondert om zijn ideeën en geschriften. Andreae heeft dan echter niet meer de kracht om zijn vernieuwingsplannen uit te voeren en draagt de fakkel over aan Comenius. 

Via contacten in Nederland bereikt Comenius het verzoek van staalfabrikant Louïs de Geer, zich in Zweden in te zetten voor de onderwijshervorming aldaar. In 1642 verblijft Comenius eerst in Amsterdam en daarna in Londen. Daar schrijft hij Via Lucis (De weg van het Licht), dat wel als ‘het enige volledige pansofische geschrift’ wordt aangemerkt en ook wel de Fama van Comenius wordt genoemd. 

Hij hoopt dat het Engelse Parlement hem de middelen wil verschaffen voor het stichten van een universeel college van geleerde mannen uit verschillende landen, dat de algemene hervorming van het onderwijs op zich zou moeten nemen volgens de richtlijnen die in ‘Via Lucis’ worden gegeven. Daar komt niets van terecht, omdat in hetzelfde jaar de Engelse burgeroorlog uitbreekt. 

Het boek ‘Via Lucis’ wordt pas in 1668 in Amsterdam gedrukt en wordt opgedragen aan de Royal Society, die inmiddels was opgericht.  Deze kan worden gezien als een uitvloeisel van het gedachtegoed van Francis Bacon (fakkeldrager 4), maar ook van Comenius. 

De bloeiende culturele stad Amsterdam is vanaf de zeventiende eeuw een toevluchtsoord voor mensen die in andere landen vanwege hun opvattingen worden vervolgd. Het is dan een ideale plek voor filosofen, schrijvers, kunstenaars en anderen die de grootsheid van de geest en het licht van de ziel willen uitdragen. Mensen van uiteenlopende levensbeschouwingen kunnen er in vrede met elkaar leven en sommigen krijgen er inspiratie voor belangwekkende creaties. 

De familie De Geer biedt Comenius van 1656 tot zijn dood in 1670 bescherming en gastvrijheid in het Huis met de Hoofden in Amsterdam, Keizersgracht 123. In dat pand is nu de vermaarde Bibliotheca Philosophica Hermetica en een museum gevestigd. Comenius beleeft in dat herenhuis de meest gelukkige en productieve tijd van zijn leven. 

De ondernemer Laurens de Geer maakt deel uit van een vriendenkring die bestaat uit bewonderaars van Jacob Boehme (fakkeldrager 7), onder wie Abraham Willemszoon van Beyerland, die Boehmes werken wist te verwerven, te vertalen en uit te geven. Van Beyerland gaf in 1643 ook een Nederlandse vertaling uit van het Corpus Hermeticum. Comenius kende de hermetische geschriften en was ook zeer geïnspireerd door Boehme. 

De laatste rustplaats van Comenius bevindt zich in een mausoleum bij een voormalig klooster in de vesting van Naarden dat is ingericht als een museum over het leven en de werken van Comenius. Deze veelzijdige en visionaire man had een grote liefde voor het schrijven, drukken en uitgeven van boeken. In ‘Via Lucis’ schrijft hij dat hij verwacht dat er na de boekdrukkunst een ander medium zal komen dat de stervelingen in staat zal stellen ‘allen-alles-alom te zien dat hen tot gelukzaligheid noodzakelijk is’. Zou dat ‘allen-alles-alom’ het internet kunnen zijn?

Zeven aforismen van Comenius 

  1. Iedere keer als een christen de heilige schrift leest, is het van het grootste belang er aandacht aan te schenken dat hij hetgeen hij erin vindt, niet beschouwt als iets dat buiten hem staat en hem niet aangaat, maar als iets dat zijn persoon betreft, die hij als in een spiegel ziet. 
  2. Laten we maar één doel voor ogen houden: het welzijn van de mensheid.
  3. Laten we een methode voor onderricht zoeken en vinden waarbij de leraar minder onderwijst en de leerlingen meer leren.
  4. Laat alles zich vrij ontwikkelen en laat geweld daarbij afwezig zijn.
  5. Wat enkelingen begaafd met een scherper verstand alleen konden volgen, zullen naderhand allen kunnen bevatten, en het begrijpen ervan zal niet meer zo moeizaam zijn als het was, maar gemakkelijk, moeiteloos en plezierig.
  6. De uitspraak ‘Hij die anderen onderwijst, onderwijst zichzelf’ is waar, niet alleen omdat feiten door een voortdurende herhaling sterker in het brein worden ingeëtst, maar ook omdat het proces van onderwijzen een dieper inzicht geeft in het onderwerp dat wordt onderwezen.
  7.  Wie God heeft kan alles ontberen: hij bezit dan het hoogste goed en het eeuwige leven met en in God. 

Bron: Mysteriën en fakkeldragers van het Rozenkruis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *