21. Jan van Rijckenborgh

 

Jan Leene werkt vanaf de jaren veertig als geestelijk leider van het Rozenkruis onder de naam J. van Rijckenborgh (1896-1968). Op zesjarige leeftijd krijgt hij voor het eerst het vage besef dat er zoiets als een Rozenkruis moet zijn, maar op dat moment heeft hij nog geen flauw idee wat dat inhoudt. In de loop van de jaren komt dat besef bij hem steeds sterker naar voren. Als jongeman heeft hij al een sterke belangstelling voor onderwerpen die verband houden met religie, vooral als het gaat om de levenspraktijk.

Jan Leene wordt in zijn jongelingsjaren geraakt door toespraken en preken van prof. dr. A.H. de Hartog, die met zijn denkbeelden ver buiten de grenzen van de gangbare orthodoxie treedt. Hij is het helemaal met De Hartog eens dat de mens zelf het keerpunt dient te zijn, en herkent waarheid in het bekende vers van de protestantse mysticus Angelus Silesius dat De Hartog vaak citeert: ‘Was Christus duizendmaal in Bethlehem geboren, en niet in uwe ziel, zo waart gij toch verloren.’

Samen met zijn vier jaar oudere broer Wim Leene (fakkeldrager 20) gaat Jan op zoek naar mensen die het Rozenkruis in de wereld uitdragen, en zo komen ze in contact met de Rosicrucian Fellowship van Max Heindel (fakkeldrager 19). Zij ontdekken dat de leringen van Heindel veel dieper gaan dan wat ze kennen uit de Nederlands Hervormde Kerk waarin ze zijn opgegroeid. Ze nemen kennis van de structuur van een groot kosmisch plan dat aan de schepping ten grondslag ligt, ontvangen antwoorden op essentiële levensvragen en voelen een sterke drang om dat wat ze gevonden hebben te gaan uitdragen in de samenleving. In een in- terview in het boek ‘Geestelijke leiders van ons volk’ van J.W. Jongedijk uit 1962 zegt Jan van Rijckenborgh:

‘Het lidmaatschap van de Hervormde Kerk heb ik in 1924 opgezegd. Er is echter geen sprake van kritiek op deze kerk, zoals te doen gebruikelijk is, wanneer men een kerk of vereniging verlaat. Wat in de Hervormde Kerk een uiterlijke leer is, kon ik in het Rozenkruis als innerlijke leer vinden. En aangezien ik naar de innerlijke belevenis van godsdienst zocht, was het mijn overtuiging dat ik de weg moest gaan die het Rozenkruis wijst. Deze weg, die de oeroude verlossingsweg is, waarvan door alle tijden heen door de hiërofanten van het licht is getuigd, werd ik mij innerlijk steeds klaarder bewust. Mijn roeping plaatste zich onweerstaanbaar voor mij: zo ging ik, vanuit datgene wat aldus in mij groeide en gestaltenis nam, getuigen, gegrepen door een intens verlangen met de onvergankelijke levenswaarden die zich aan mij openbaarden, de medemens in zijn noden en lijden te helpen.’

In 1923 trouwt Jan met Jo Ames. Zij krijgen twee kinderen: Henk (1924-2014) en Els (1931-2009). Henk Leene en zijn vrouw Mia Leene-Peddemors (1924-1993) starten na 1968 hun eigen rozenkruis-organisatie onder de naam Esoterische Gemeenschap Sivas en werken vanuit een landgoed te Veynes in de Zuid-Franse Alpen. De gemeenschap bestaat al enkele decennia niet meer, maar de geschriften van Henk en Mia Leene zijn nog wel digitaal toegankelijk via internet. Els Hamelink-Leene maakt tot bijna het einde van haar leven deel uit van de internationale spirituele leiding van de School van het Gouden Rozenkruis.

Met een hoge aspiratie en een grote gedrevenheid gaan de gebroeders Leene aan het werk om het toenmalige Rozenkruis uit te dragen. Ze slagen erin om vrijwel zonder middelen vanuit Haarlem een beweging met vele betrokkenen uit de Randstad op gang te brengen. Als ze zich in 1934 afsplitsen van de Rosicrucian Fellowship, gaat Jan Leene de functie van algemeen secretaris van het Rozekruisers Genootschap vervullen tegen een hongerloontje.

In de geschriften van Max Heindel missen de broers de verbinding met de klassieke Rozenkruisers uit de zeventiende eeuw. Daarom ondernemen ze in 1935 op initiatief en onder leiding van hun vriend Cor Damme een reis naar Londen, want ze hadden gelezen dat daar in de bibliotheek van het British Museum exemplaren van de manifesten van de klassieke rozenkruisers kunnen worden ingezien die gedrukt zijn in de zeventiende eeuw. Die reis inspireert Jan Leene om een Nederlandse vertaling van de Fama en van de Confessio en commentaren in delen te publiceren in hun maandblad ‘Het Rozekruis’. Jan Leene publiceert in die tijd artikelen onder het pseudoniem John Twine. De naam Twine verwijst naar twijnen: twee draden tot één maken.

Het werk van de beide broers en vele vrienden die hen daarin bijstaan krijgt vleugels. De jaarlijkse zomerweken op ‘De Haere’ op de Veluwe worden bijzonder goed ontvangen en in 1937 wordt in Haarlem de eerste vuurtempel gewijd. Het overlijden van Wim Leene in 1938 is een grote schok. Deze charismatische, dynamische en vurige man was de algemeen erkende geestelijke leider van het Rozenkruis in Nederland. Veel leerlingen betwijfelen dan of de bescheiden en stille Jan Leene wel in staat zal zijn om de jonge beweging verder te leiden. Sommigen zijn zelfs bang dat het sterfgeval het einde inluidt van het Rozenkruis in Nederland.

Die bezorgdheid blijkt ongegrond te zijn, want het is alsof Jan Leene de leiderschapskwaliteiten ontvangt van zijn overleden broer, die geroepen was om aan de andere zijde van de sluier verder te werken voor het Rozenkruis. In een conferentietoespraak over de bloedsziel zegt J. van Rijckenborgh daarover:

‘Zeer vele malen zal een bloedsziel die vrijkomt bij een overlijden helpend en versterkend kunnen zijn. Toen bijvoorbeeld in 1938 mijn broeder stierf, een broeder niet alleen naar het vlees, maar vooral ook een broeder in de zin van de Broederschap, in de zin van een hogere vibratie, kwam de tweede dag na zijn verscheiden zijn bloedsziel over mij. En u zult zich kunnen voorstellen dat wij sedertdien daarvan de grootst mogelijke hulp hebben ondervonden.’

Gedurende de periode van de Tweede Wereldoorlog, van 1940 tot en met 1945, worden activiteiten van het Rozenkruis en andere esoterische groeperingen door de bezetter verboden. Toch gaat het werk van het Rozenkruis dan in het geheim voort, weliswaar minder intensief en op een kleinere schaal. Jan Leene onderhoudt dan contact met zijn leerlingen door hen regelmatig inhoudelijke brieven te sturen die hij voor het eerst ondertekent met de naam J. van Rijckenborgh. In die periode rijpt bij hem veel en legt hij de grondslagen voor het nieuwe werk.

In 1946 publiceert hij het boek Het christelijke inwijdingsmysterie, Dei Gloria Intacta onder de schrijversnaam J. van Rijckenborgh. Dat boek vormt het fundament waarop al het werk daarna wordt gebaseerd. Het is de enige publicatie van J. van Rijckenborgh die hij als boek geschreven heeft. De vele andere boeken van hem zijn samengesteld uit artikelen en toespraken die hij schreef. Toespraken uit de jaren vijftig zijn opgenomen in de zes delen van de zogeheten hoeksteenserie. Andere boeken van Van Rijckenborgh gaan over onder andere de manifesten van de rozenkruisers, de Bergrede, het Corpus Hermeticum, het evangelie van de Pistis Sophia, het Nuctemeron van Apollonius van Tyana en de Daodejing. Toch is dit alles maar een fractie van wat Van Rijckenborgh allemaal geschreven heeft, want talloze toespraken van hem zijn uitsluitend bestemd voor leerlingen.

Kenmerkend voor Van Rijckenborgh is dat hij in zijn boeken en toespraken vrijwel geen aandacht besteedt aan geschiedenisdie veelal speculatief is en niet bijdraagt aan innerlijke vernieuwing. Steeds plaatst hij klassieke spirituele teksten in het levende heden, zodat leerlingen daardoor aangespoord worden om het gnostieke pad daadwerkelijk te gaan. In zijn geschriften tref je vrijwel geen literatuurverwijzingen aan, want hij was er niet op uit om wetenschappelijk verantwoorde betogen af te leveren.

Het komt nogal eens voor dat mensen van nu die de boeken van Van Rijckenborgh lezen moeite hebben met zijn taalgebruik, zijn toon en zijn schrijfstijl. Dat is begrijpelijk want de omstandigheden, de mensen en het algemene bewustzijn waren toen heel anders dan nu. Het zou echter jammer zijn als de genoemde bezwaren onoverkomelijke obstakels worden om zijn werken te bestuderen, want zijn geschriften zijn in diepste wezen tijdloos en vol van gnostiek vuur. Bij het lezen en herlezen van de boeken van Van Rijckenborgh is het zinvol te bedenken dat hij er niet op uit was om absolute waarheden te verkondigen, maar om leerlingen van zijn tijd in hun cultuur te stuwen tot gnostieke bewustwording en vernieuwing, tot transfiguratie. Als hij nu zou leven, zou Van Rijckenborgh ongetwijfeld andere teksten schrijven die aansluiten bij de huidige mens en de hedendaagse samenleving. Een juist begrip van de context is hier dus essentieel!

Na de bevrijding in 1945 leidt Van Rijckenborgh het werk van het Rozenkruis samen met Catharose de Petri (fakkeldrager 22). Zij had zich in 1930 aangesloten bij het Rozekruisers Genootschap. In 1946 reizen ze samen naar Albi in Zuid-Frankrijk omdat ze innerlijk aanvoelen dat ze zich moeten verbinden met het gnostieke werk van de katharen uit de middeleeuwen, ook wel Albigenzen genoemd. In de rozentuin van Albi zien ze beiden innerlijk de weg voor zich die ze dienen te gaan met de leerlingen van het Rozenkruis. Ze worden zich ervan bewust dat ze niet alleen een uiterlijke school moeten stichten, maar ook een innerlijke school met meerdere aanzichten om een krachtveld op te bouwen waarmee de Universele Broederschap zich kan verbinden, zodat deze kracht kan doen in de samenleving.

J. van Rijckenborgh, Catharose de Petri en vele toegewijde leerlingen gaan met hart en ziel werken aan het opbouwen van een vijfvoudige geestesschool. Nadat die gerealiseerd is in 1958, wordt aan de twee geestelijke leiders geopenbaard dat er nog twee aanzichten aan moeten worden toegevoegd, zodat het krachtveld van de zevenvoudige geestesschool een krachtige verbinding vormt tussen de zintuiglijke wereld en het goddelijke levensveld, een volkomen toegerust levend lichaam waarbinnen de gnostieke inwijdingsweg in zelfautoriteit kan worden gegaan door hen die daar innnerlijk rijp voor zijn.

In zijn laatste dienst in de Renova-tempel tijdens de conferentie van 22 tot en met 24 juni 1968, ongeveer drie weken voor zijn overlijden, vertelt Van Rijckenborgh dat hij iets belangrijks zal meedelen waar hij al vele jaren met grote hunkering naar heeft uitgezien. Dan zegt hij onder andere:

‘De levende zielestaat is genaderd tot het aardse gebied en de zielen van de mensheid die gevoelig zijn voor haar ethervibraties. Wij hebben dit thans aanbrekende getij sinds lang aangekondigd en verwachten in vertrouwen het wegbreken te mogen aanschouwen van de wolken van de onwetendheid, die zo lang het Licht, dat uit de innerlijke hemelen schijnt, hebben verduisterd. Zij die dit Licht willen dienen en zich tot die dienstbaarheid verbinden, behoren steeds trouw te blijven aan die heilige belofte.’

Zeven aforismen van Jan van Rijckenborgh

  1. Van de grondlegging van de tijden is er een goddelijke hiërarchie die wordt geopenbaard in en door mensen.
  2. Zij die opgaan in de liefdewet, die de hele kosmos draagt, zijn onmetelijk sterk en onaantastbaar.
  3. Drie sluimerende vermogens moeten zich in het leven van een leerling openbaren: het vermogen tot een nieuwe wil; het vermogen tot een nieuwe wijsheid en het vermogen tot een nieuwe werkzaamheid.
  4. De mens van nu is geroepen om een nieuwe tempel te bouwendie wel gelijkenis moet hebben met de oorspronkelijke menselijke tabernakel, maar toch fundamenteel anders is.
  5. Wanneer een leerling zich vastklampt aan kennis en de openheid voor ‘open’-baring mist, dan wordt hij gegrepen door de verstening van het intellectualisme.
  6. De ondeugd van de begeerte wordt verdreven zodra u in de gestaag indalende stroom van kracht staat vanuit het lichtwezen om u heen.
  7. Voor ware geestelijke werkers is het absoluut noodzakelijk met de nieuwe persoonlijkheid in deze wereld te kunnen werken.

Bron: Mysteriën en fakkeldragers van het Rozenkruis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *