Symboliek van de berg en het begin van de Bergrede

‘Toen Jezus de menigte zag, ging hij de berg op, en nadat hij was gaan zitten, kwamen zijn discipelen bij hem.’

Zo begint de Bergrede. Deze Bergrede vinden wij niet slechts in het Evangelie van Mattheüs, doch wij vinden haar, in verschillende vormen, in de heilige taal van alle tijden. Tijd en plaats en de heilige personen die haar uitspreken zijn zeer verschillend, doch de inhoud bleef steeds dezelfde. 

De berg is een prachtig symbool voor get pad, dat van de duisternis tot het licht voert. De voet van het bergmassief staat in de aarde geplant, de top verheft zich in de hemel. Daarom is het duidelijk dat zulk een berg, van welks heilige tot het woord van de bevrijding klinkt, bovenal een uitbeelding vormt van het vijfvoudige levende lichaam van een gnostieke ontwikkeling. 

Jezus de heer is de ontheven, de volmaakte, de verloste broeder, die de schare binnen het leen lichaam toespreekt. Immers, hij wendt zich tot zijn discipelen. Het woord discipel betekent onder andere ‘jongere’. Daarom is de Bergrede bedoeld voor allen die begonnen zijn het pad te bewandelen en die ten opzichte van de bevrijden, de ouderen, nog ‘de jongeren’ zijn. 

Aldus is de Bergrede zeer belangrijk voor allen die zich in het levende lichaam van de jonge gnostieke broederschap bevinden. Wij vinden er de schets in van een levenshouding die onveranderlijk tot het grote doel zal voeren. Bovendien vangt deze belangrijke toespraak aan met een heerlijke vertroosting, namelijk met de ‘zaligsprekingen’. Tot negen maal toe wordt er gezegd: ‘Zalig zijn …’ Niet zalig wórden, doch zalig zijn! Zaligheid is een toestand van het hoogste geluk, een waarbij bevrijd zijn. 

In een gnostiek lichaam bevinden zich uiteraard vele jongeren.Zij zijn op weg naar het Vaderhuis, en reeds in dat stadium worden zij begroet met het negenvoudig herhaalde ‘zalig zijn …’, met de nadruk op zijn. Reeds het zich bevinden in het lichaam van de School – natuurlijk als serieuze leerling – maakt de bevrijding tot een feit. Dat nu is het typerende van het gnostieke leven: het bréngt niet het hoogste geluk, doch het ís geluk, het ís zaligheid. 

De gnostieke wereldhistorie is er om te bewijzen dat de gnostieke mens altijd een blij en gelukkig mens was en is, wat hem of haar in de gang van de natuur des doods ook mocht overkomen. Zijn zekerheid is niet een gesuggereerde zekerheid, die psychoanalytisch in een mens gedreven wordt ‘u bént gelukkig!’, doch het geldt het de zekerheid van de aanvang. De ervaring: ‘Ik ben op weg, en terwijl ik op weg ben, treedt het licht mij tegemoet; het licht overdekt mij; het komt ín mij; het verlaat mij niet meer, bij dag noch nacht. De roos bloeit, zij geurt met lieflijke geuren. Ik ga een rozengang, waarop het licht mij trekt, mij geleidt, mij tot een gids is.’

Wie uit zulk een ervaring leeft, zou die niet gelukkig zijn? De gang door de diepten van de tijden kan zo iemand toch nimmer wezenlijk deren? En wij allen kunnen op dezelfde wijze ervaringsbewust worden en blijven. 

Het gaat er maar om dat u uit een werkelijke, innerlijk behoefte, met geheel uw wezen gaat uitzien, gaat hunkeren naar het licht. Niet gewild of gedacht, of met sentimentele gevoelens, doch met een hunkering vanuit uw bloedsstaat; met een drang, waarnaar alle intelligentie-organen en intelligentiewerkingen zich moeten voegen.

Wan wordt de eerste zaligspreking voor u tot werkelijkheid: ‘Zalig zijn de hunkerenden naar de geest; hunner is het Koninkrijk der Hemelen. Dan staan reeds bij voorbaat de hallen van het nieuwe rijk wijd voor u open.

Kom tot het licht en toef niet langer.
Neem van het vuur – en wees vrij. 

Bron: Het mysterie der zaligsprekingen van J. van Rijckenborgh 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *