De grondwet voor geluk – Hein Stufkens over de universele wijsheid van de Bergrede – zaligsprekingen als invalshoek

Alle mensen willen gelukkig zijn, maar ze weten niet precies wat hen gelukkig maakt. Dat zei de Romeinse filosoof Seneca al in de eerste eeuw. Maar in diezelfde eeuw was er een leraar die haarscherp wist wat een mens gelukkig maakt: Jezus van Nazareth. In zijn beroemde Bergrede heeft hij dat samengevat. Die Bergrede is een revolutionaire tekst, die door de eeuwen heen velen heeft geïnspireerd, onder wie de Russische schrijver Tolstoj en de Indiase mysticus en politiek leider Mahatma Gandhi. Maar het is ook een tekst die op veel weerstand stuitte. Op allerlei manieren hebben theologen en machthebbers geprobeerd de inhoud ervan onschadelijk te maken.

In dit boek laat de filosoof Hein Stufkens de Bergrede opnieuw klinken: als een urgente boodschap voor onze tijd en als een oproep tot een spirituele revolutie. Hieronder volgt het eerste hoofdstuk.

1 DE BERGREDE: DE OMGEKEERDE WERELD

De Bergrede is, als we haar serieus willen nemen,
als geheel volstrekt onaanvaardbaar.
Daarom houdt men het maar liefst bij de verklaring
dat het hier woorden betreft van een goedaardige,
maar wel wat verdwaasde en wereldvreemde profeet,
die niet precies wist wat hij zei.
Jaques Ellul

De Waarheid is het eerste waarnaar wij moeten zoeken
en Schoonheid en Goedheid zullen ons dan geschonken worden.
Dit is wat Christus waarlijk in de Bergrede leerde.
Jezus was, volgens mij, een groot kunstenaar,
omdat hij de Waarheid zag en weergaf.
Mahatma Gandhi

Aan de schepping van de mens in de hemel is een pittige discussie voorafgegaan tussen God en zijn engelen. De Engel van de Aarde wilde zelfs geen klei meegeven aan de engel Gabriël. God moest die klei zelf maar komen halen. De engel van de Thora bracht naar voren dat het beter zou zijn om de mens niet te scheppen, omdat zijn leven toch een en al lijden zou zijn. Maar God zette zijn plannetje door en vertelde het protesterende – en wellicht ook wat jaloerse – engelenvolkje dat de mensen het prima zouden redden, ondanks alle ellende die hen zou overkomen. En nadat hij, tegen alle adviezen in, Adam en Eva geschapen had, gaf hij hen ter ondersteuning een heilig boek dat geheime informatie bevatte over twee en zeventig takken van wijsheid en de sleutels tot de hogere mysteries van het heelal. Volgens de joodse traditie, waar dit verhaal uit komt, moet dat boek zich nog steeds ergens op aarde bevinden. Het wordt echter alleen gevonden door hen die weten hoe ze het moeten lezen.

Zo is dat met heilige – helende – informatie. Je pikt die alleen maar op als je eraan toe bent. Ander zie je zo’n boek misschien wel ergens liggen, misschien lees je er zelfs in of wijd je er allerlei discussies en wetenschappelijke verhandelingen aan. Maar je vindt niet de diepe betekenis van wat je leest.

Ik denk dat dat mysterieuze boek dat Adam en Eva van God cadeau kregen, intussen in losse delen over de wereld verspreid is geraakt. Dan kunnen we bijvoorbeeld de Bhagavad Gita en de Veda’s van de hindoes, de Pali-canon van de boeddhisten met daarin de Dhammapada, de Bijbel met het oude joodse deel en het nieuwere christelijke deel, de Koran van de moslims en zoveel andere wijsheidsboeken. In zekere zin zijn al die helende boeken hologrammen: ze bevatten een deel van de heilige kennis van de mensheid, maar weerspiegelen elk ook het geheel van deze kennis.

En zelfs binnen zo’n geschrift vind je teksten die op zichzelf al de hele ‘goddelijke’ wijsheid bevatten die de mensheid als handleiding en bemoediging heeft meegekregen op zijn boeiende en uitdagende, maar inderdaad dikwijls ook zo smartelijke en verdrietige reis door de tijd. Dat geldt zeker voor de tekst die bekend staat als ‘de Bergrede’.

Deze tekst, ontstaan binnen de joods traditie , vormt een hoogtepunt in de spirituele literatuur van alle tijden. Hij inspireerde door de eeuwen heen mystici en theologen, maar ook kunstenaars als Fra Angelico, schrijvers als Tolstoj, mensen uit niet-christelijke tradities zoals Gandhi , de geweldloze bevrijder van India, en humanisten zoals Erasmus. deze noemde de bergrede ‘de filosofie van Christus’ en beschouwde de tekst als de kern van de Bijbel.

Wat is de Bergrede

Hoewel touroperators hun klanten in Israël probleemloos de berg laten zien waarop Jezus de Bergrede zou hebben uitgesproken, is de Bergrede eigenlijk helemaal geen rede. Het is een verzameling uitspraken, toegeschreven aan Jezus, en volgens de vrome overlevering opgetekend door de evangelist Matteüs in de hoofdstukken 5 tot en met 7 van zijn evangelie. Die Matteüs was ooit de tollenaar Levi. Na zijn ontmoeting met Jezus legde hij zijn bezigheden als tollenaar neer en trad als apostel toe tot diens gezelschap.

Maar in werkelijkheid is de auteur van die evangelie, en dus van de Bergrede, onbekend. Men neemt aan dat het een anonieme tweede-generatie christen uit Syrie was, waarschijnlijk en Grieks sprekende jood, die Jezus niet zelf had gekend. Hij schreef zijn evangelie zo’n vijftig jaar na de kruisdood van Jezus. En hij putte voor zijn informatie vooral uit het oudere evangelie van Markus en wellicht uit mondelinge overlevering of andere onbekende schriftelijke bron (de mysterieuze bron Q , van het Duitse woord Quelle).

De tekst van de Bergrede begint als volgt: ‘Toen hij de mensenmassa zag, ging hij de berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen. Hij nam het woord en onderrichtte hen.’

Matteüs laat Jezus niet zonder reden een berg opgaan om zijn toespraak te houden. Hij wil Jezus neerzetten als een nieuwe Mozes. Mozes had de leefregels voor het joodse volk, bij christenen beter bekend als ‘de tien geboden’, van God gekregen op de berg Sinaï. En nu was Jezus gekomen, niet om de wet af te schaffen maar om die in een nieuw licht te zetten: ‘Denk niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen.’

Zoals bij veel uitspraken van Jezus kun je je hier afvragen: heeft Jezus dat gezegd of geeft de auteur van het evangeliue hem die woorden in de mond? Misschien in dit geval om zijn mede-joden gerust te stellen: als ze christenen worden hoeven ze niet de joodse erfenis achter zich te laten. Of misschien ook om de nieuwe niet-joodse christenenin het Romeinse rijk duidelijk te maken dat je Jezus niet los kunt zien van de joods traditie.

Hoe dan ook, het zou zeker niet onverstandig van Jezus zijn geweest om eerst maar even duidelijk te stellen dat de joodse wet en de profetische traditie heilig bleven, hoewel het hem uiteindelijk niet zou redden. Ook omdat hij zelf die regels soms zonder scrupulews overtrad. Daarbij voelde hij voortdurend de hete adem van de schriftgeleerden en de farizeeen in zijn nek, die probeerden hem op dissident gedrag en ketterse uitspraken te betrappen.

Verderop in de Bergrede zegt Jezus vrijmoedig hoe hij de wet ziet: ‘Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de wet en de profeten.’

Hier vat Jezus de honderden joodse wetten en voorschriften samen in één zin, die bekend zou worden als ‘de gulden regel’ en die in de volksmond zo klinkt: wat gij niet wilt dat u geschied, doe dat ook een ander niet. Boeiend dat wat deze zuinige negatieve versie van de uitspraak van Jezus bij ons populairder is dan de oorspronkelijke positieve.

Veel van de uitspraken uit de Bergrede vinden we ook terug in het evangelie van Lukas, die voor zijn informatie putte uit dezelfde bronnen als Matteüs. Maar bij Lukas is sprake van een ‘veldrede’. Zijn tekst begint met: ‘ Toen hij met hen de berg was afgedaald, bleef hij staan op een plaats waar het vlak was …’ (Lukas 6:17). De hele verdere toespraak (vs. 20 tot en met 49) vind dan plaats in het veld. In de volgende hoofdstukken van het evangelie van Lukas komen we ook nog andere parallelle teksten tegen uit de Bergrede.

Opvallend is dat de versie van Lukas vooral een boodschap lijkt te bevatten voor de letterlijk armen en misdeelden, en hem de hoop geeft dat er een nieuwe tijd aankomt, een tijd waarin hen eindelijk recht zal worden gedaan. In het veld werd de boodschap van Jezus blijkbaar vooral ‘horizontaal’ opgevat. Op de berg, bij Matteüs, ligt het accent op het ‘verticale’: op de verbinding van de ziel met God.

Het evangelie van Lukas, zou je misschien kunnen zeggen, heeft vooral een sociaal politieke boodschap, dat van Markus een spirituele. Maar de boodschap lijkt mij alleen te verstaan als we beide versies als complementaire beschouwen, en niet als stijdig met elkaar.

Het uiterlijke en het innerlijke koninkrijk

Op het moment dat Jezus de teksten uitsprak die in de Bergrede bijeen zijn gebracht, hadden die voor veel toehoorders ongetwijfeld een politieke lading. Het gonsde in Israël van de geruchten over de komst van de verwachte Messias, en het door de Romeinse onderdrukking verpauperde volk smachtte naar bevrijding. Oook het gewelddadig verzet bloeide, met name door de beweging van de zeloten. Die wilden gewapenderhand de Romeinen verdrijven en het koninkrijk Israël herstellen.: Gods eigen koninkrijk, op theocratische leest geschoeid. Sommige van de apostelen van Jezus (Simon, Judas en waarschijnlijk ook anderen nog) hadden banden met die gewelddadige – de Romeinen zouden zeggen ‘terroristische’ – beweging. En hun geduld werd zwaar op de proef gesteld.

Jezus laat zich immers nergens uit over een strategie om dat rijk te vestigen, of over hoe dat rijk georganiseerd gaat worden. Vaak spreekt hij erover in gelijkenissen. Zelfs zijn laatste woorden over dat koninkrijk, als hij voor Pilatus staat, zijn nog voor twee soorten uitleg vatbaar. Hij zegt: ‘Mijn rijk is niet van deze wereld.’ Bedoelt hij dan: het is een rijk van een andere, spirituele, orde (van ‘de hemel’, van bewustzijn, of bedoelt hij: mijn (aardse) rijk zal er totaal anders uitzien dan jullie Romeinse rijk?

Ook spreekt hij afwisselend zowel over een rijk dat nog moet aanbreken als over ee rijk dat er al is. Bij Lukas heet het: ‘het Rijk Gods is midden onder U’, en bij Thomas zelfs: ‘het Koninkrijk is binnen in jullie.’

Maar vaststaat dat dat komende koninkrijk een hot item was in die dagen, ook voor Jezus en zijn volgelingen. Het woord ‘koninkrijk’ komt zo’n honderd keer voor in de Bijbelse evangelies, en meer dan twintig keer in het (niet in de Bijbel opgenomen) evangelie van Thomas. En velen verwachtten destijds de komst ervan nog tijdens hun leven mee te maken.

Konkrijk Gods: verwijst die term naar een uiterlijk rijk dat op asarde wordt gevestigd door de verwachte Messias, of naar een innerlijke staat van bewustzijn?

Die eerste opvatting leefde zeker in de tijd van Jezus. en ze leeft tot op de dag van vandaag voort onder christelijke groeperingen die nog in de eeuw van de apocalyps en de ‘wederkomst des Heren’ verwachten. Daarnaast heeft ook vanaf het begin die tweede opvatting veel aanhangers gehad, vooral onder mystici en gnostici. En die tweede opvatting heeft in onze tijd nieuwe impulsen gekregen door de herontdekking van tal van gnostische geschriften uit de begintijd van het christendom.

Ook voelen velen zich vandaag meer aangetrokken tot een spiritualiteit die met bewustwording te maken heeft dan met ‘geloof’ in beloften over een gouden toekomst hier of in het hiernamaals. deze spanning tussen een concrete uiterlijke en een meer spirituele innerlijke interpretatie van Jezus’ boodschap, weerspiegelt waarschijnlijk dat er tussen deze twee ook in Jezus zelf en in heel zijn optreden een zekere spanning aanwezig was.

Een kleine controverse binnen het poldercalvinisme in Nederland moge illustreren dat de discussie over de vraag of we de woorden van Jezus al dan niet moeten opvatten als een concreet programma om deze wereld te hervormen, de gemoederen na tweeduizend jaar nog steeds kan verhitten.

Op 23 augustus 1975, bij de oprichtingsbijeenkomst van het CDA, hield de christelijke politicus Willem Aantjes een gloedvolle speech die de geschiedenis is ingegaan als zijn ‘bergrede’. Hij constateerde dat in onze samenleving de hongerigen niet worden gevoed en de dorstigen niet gelaafd. Dat vreemdelingen niet worden gehuisvest maar gediscrimineerd en uitgewezen. Dat gevangenen niet worden bezocht, maar gemarteld. en dat we daarmee onder de maat blijven van wat het evangelie van ons vraagt. Dat evangelie moest volgens hem de richtsnoer worden voor een christelijke politiek. Met zijn uitspraken verwees hij naar een tekst uit Matteüs 25, die de ‘werken van barmhartigheid’ in kaart brengt.

Als deze politicus naar de Bergrede uit Matteüs 5-7 had verwezen waren zijn toeschouwers ongetwijfeld nog meer geschokt geweest. Daar staat immers dat je je vijand, als die je op de ene wang slaat, je andere moet toekeren. Hoe volstrekt onrealistisch! Moet je die vijand zelfs liefhebben? Kom daar maar eens om in de westerse wereld, zeker na de bloedige aanslagen die in de eerste decennia van de eenentwintigste eeuw plaatsvonden in steden als New York, Londen en Parijs.

En moet je je in tijden van crisis niet bezorgd maken over wat we zullen eten of drinken, zoals Jezus in de Bergrede zegt? Moet je erop vertrouwen dat je dat allemaal wel geschonken zal worden? Vraag dat maar eens aan die toenemende aantallen mensen die in onze streken van de voedselbank moeten leven, of aan die achthonderd miljoen mensen wereldwijd die onder de armoedegrens leven.

De theoloog Harry Kuitert, Aantjes’ reformatorische geloofsgenoot, noteerde dan ook in zijn boek ‘Alles is politiek, maar politiek is niet alles’:  met de Bergrede masak je in de politiek alleen maar brokken.

Moeten we het evangelie, en meer specifiek de Bergrede, als richtsnoer voor ons handelen nemen? Is de Bergrede zowel bedoeld voor het publieke domein als voor het private leven? Is de Bergrede een verzameling geboden waar mensen zich aan moeten houden of is het een intentieverklaring? En is deze eigenlijk wel bedoeld voor een of slechts iedereen of slechts voor bepaalde mensen?

Een onmogelijke boodschap

De Franse filosoof Fréderi Lenoir merkt (in De Filosofie van Christus) terecht op:

‘De beroemde Bergrede toont aan dat binnen dit koninkrijk alle waarden worden omgekeerd. (…) We staan hier voor een centraal thema van de christelijke spiritualiteit, in mijn ogen uniek in de religieuze geschiedenis. Jezus keert niet alleen de heersende menselijke hiërarchie om, die gebaseerd is op zichtbare kracht en succes – de eersten zullen de laatsen zijn -, maar nog vweel meer verklaart hij dat in ellende, lijden, zonde en kwetsbaarheid genade huist. Hij verkondigt zaligheid temidden van het ongeluk zelf. Terwijl succes, macht en rijkdom traditioneel worden beschouwd als tekens van goddelijke zegening, verklaart Jezus het tegenovergestelde.’

Gezegend zijn juist de armen, de machtelozen, de vervolgden … Dat deze omkering in de geschiedenis van de religies niet zo uniek is als Lenoir denkt, zullen we in dit boek nog regelmatig zien. Maar de Bergrede is ongetwijfeld een tekst die door deze omkering van waarden tot op de dag van vandaag door veel mensen als een lastige en zelfs onmogelijk serieus te nemen boodschap wordt beschouwd.

Er zijn dan ook tal van spitsvondige ideeën gelanceerd om de boodschap van de Bergrede te ontkrachten of minstens te relativeren. Allereerst zijn er diegene die de Bergrede als zodanig verwerpen. De filosoof Nietzsche beschouwde de moraal van Jezus met zijn prioriteit voor de armen, de bedroefden en de kwetsbaren, als een slavenmoraal, geschikt voor zwakkelingen. Maar ook binnen het christendom stond die onmogelijke Bergrede steedster discussie.

Zo bedacht de hertvormer Maarten Luther in de zestiende eeuw, voortbouwend op kerkvader Augustinus, een twee-rijken-leer’. Die komt in het kort hierop neer dat er een geestelijk en een wereldlijk rijk is, een rijk van God en een rijk van de wereld. En dat er voor het persoonlijk geestelijk leven een andere moraal geldt dan voor overheden met hun publieke functies en verantwoordelijkheden. Er is zoietsals een persoonlijke moraal en een ambtsmoraal. We moeten met beide benen op de grond blijven staan, en daarom mag en moet de overheid bijvoorbeeld wel geweld gebruiken als dat nodig is.

Ook Albert Schweitzer relativeerde de absolute moraal van de Bergrede. Volgens hem zou die alleen bedoeld en geschikt zijn voor mensen die leven vlak voordat het Rijk Gods aanbreekt. Maar zolang dat Rijk uitblijft moeten we het doen met een relatievere moraal.

Verder is wel gezegd dat de Bergrede niet voor alle mensen zou gelden. Hij geldt alleen voor mensen die naar volmaaktheid streven, zoals monniken die de wereld verlaten om heilig te worden. Voor de gewone mens zou het in de Bergrede eerder gaan om eventueel bruikbare raadgevingen dan om geboden.

Zeer recent zei de bekende Nederlandse auteur en antropoloog Joris Luytendijk nog in zijn ‘Bergredelezing’ dat de bergrede in onze tijd achterhaald is omdat ‘individuele morele verantwoordelijkheid verdampt in kolossale, complexe organisaties. Schaal en moraal gaan niet samen.’ Als voorbeeld noemt hij bankiers die klanten woekerpolissen verkopen die ze zelf nooit zouden kopen en daar geen morele problemen mee hebben. Het heeft geen zin, zegt hij, om mensen individueel aan te spreken op de immorele effecten van hun gedrag als dat gedrag wettelijk geoorloofd is. We hebben gewoon betere wetten nodig.

We kennen allemaal veel trucs om ons geweten te sussen. Maar de ethicus Johannes de Graaf, pacifist geworden na de atoombom op Japan, schreef in zijn boekje ‘In gesprek met de Bergrede’:

‘Hoeveel argumenten er in de praktijk van het leven ook te vinden zijn voor de stelling dat wij met de Bergrede in politiek en economie niet veel beginnen, de Bergrede zelf zal ons hieromtrent nooit een gerust geweten kunnen verschaffen…’

Daarom zullen we in de volgende hoofdstukken van dit boek onderzoeken hoe we de Bergrede serieus kunnen nemen en wat deze kan betekenen om onszelf tot een gelukkiger mens te maken en de samenleving om te vormen naar meer barmhartigheid, gerechtigheid en vrede.

Een grondwet voor geluk

Als we de Bergrede lezen is de kans groot dat in eerste instantie alles in ons zich tegen de inhoud daarvan verzet. Ik bood deze tekst een aan een groep mensen aan met wie ik lectio divina beoefende, een vorm van meditatief lezen. Helaas eindigde de bijeenkomst in een hoop gekrakeel, waarbij sommige groepsleden boos en verontwaardigd waren over het feit dat ik verwachte dat ze zulke onrealistische taal serieus zouden nemen.

Verzet alles in ons zich? Dat is geloof ik onjuist geformuleerd. Datgene in ons wat zich verzet is ons ego. De kern van de opriep die de bergrede doet lijkt mij dit: dat we ons ik gaan onttronen en onze ego-gerichtheid omkeren. Dat proces begint natuurlijk bij het ego van ieder van ons als individu. Maar de oproep geldt evengoed voor het collectieve ego van staten, bedrijven en alle andere systemen die de structuur van onze samenleving vormen.

De Bergrede daagt ons uitom ons niet langer te identificeren met ons ego en vraagtom een innerlijke revolutie. En zó uniek is dat niet binnen het geheel van wat de grote religieuze tradities van de wereld ons aanrreiken. Want die zeggen allemaal dat het echte geluk niet te vinden is in het behartigen van je ego-belangen, maar juist in het overstijgen daarvan. En die bieden allemaal handvatten aan om die innerlijke omkering te bevorderen. Voor mij is de Bergrede een grondwet voor geluk, die wordt geflankeerd door alle wijsheid die andere tradities daarover aanreiken.

Daarom zullen we in dit boek de Bergrede niet bezien als een boodschap die enkel te begrijpen is in het licht van het geloof dat Jezus de messias is, de Verlosser, en steeds ook aandacht besteden aan parallelle inzichten uit andere religies. De Belgische filosoof Ulrich Libbrecht, die oost en West steeds op zo’n originele en diepzinnige manier met elkaar weet te verbinden, zeht terecht dat verlossing een gevolg is van verlichting: van het doorzien en onttronen van de macht vna het ego. Velen in het Westen kunnen tegenwoordig uit eigen ervaring bevestigen dat de ontmoeting met het oosten het zicht op hun eigen christelijke traditie heeft verruimd en hun beleving daarvan verdiept.

Het is een beperking van de universele kracht van de Bergrede als we – zoals christenen geneigd zijn te doen – beweren dat heel deze boodschap slechts zin en betekenis heeft als we die inkaderen binnen hetchristelijke geloof of de christelijke kerk. Alleen al iemand als Gandhi, de hindoe die naast de Gita de Bergrede als een leidraad in zijn leven beschouwde, bewees het tegendeel. Maar ook de vier edele waarheden van Boeddha en zijn ‘achtvoudige pad’ en tal van andere boeddhistische teksten bevatten inzichten die vergelijkbaar zijn met die van de Bergrede. Of neem het oude Chinese wijsheidsboek de Daodejing, waarvan de auteur al vijfhonderd jaar voor Christus de wereld op z’n kop zette door bijvoorbeeld te zeggen dat datgene wat sterk en groot mínder is, en datgene wat zacht is en zwak juist méér.

Hetzelfde geldt voor verlichte meesters die uit de wijsheid van de islam putten, zoals Roemi die, net als zijn tijdgenoot Franciscus van Assisi, die omkering van alle waarden in de praktijk van hun leven demonstreerden. de islamitische soefi-derwishen en de fanciscaanse minderbroeders kunnen lekaar volledig verstaan in hun keuze voor een leven in eenvoud en armoede, geheel georiënteerd op God.

Misschien zouden we zelfs kunnen zeggen dat het boek van de natuur zelf onze leermeester is als het gaat om het omkeren van die ego-gerichtheid. In de evolutie van de soorten speelt het sociale instinct een grote rol. Een soort die in staat is het eigenbelang niet te laten prevaleren boven het belang vna de ander of de gemeenschap, heeft de beste kans op overleven. Darwin stelde dat elk dier dat met sociale instincten is toegerust een moraal of geweten zou ontwikkelen, als dat dier intellectueel even goed ontwikkeld zou zijn als demens. Zie ook wat Frans de Waal hierover schrijft in zijn boeken ‘Een tijd voor empathie’ en ‘De bonobo en de tien geboden’. Zijn langdurige onderzoek naar het gedrag van primaten leidde tot de conclusie dat de menselijke moraliteit ouder is dan onze religieuze concepten.

De zaligsprekingen als poort naar de Bergrede

Hoe een boek over de universele betekenis van de Bergrede aan te vatten? Ik heb overwogen om de verschillende passages te becommentariëren in de volgorde waarin de evangelist ze noteerde, van het begin tot het eind. Dat leek de meest volledige en misschien ook de makkelijkste weg. Maar dan zou dit boek een niet al te professionele en misschien ook wat saaie vorm van bijbel-exegese worden. En ik vroeg me ook af of het zou lukken om bij al die passages toepasselijke parallelle teksten uit andere stromingen dan de joods-christelijk te vinden.

Mijn bedoeling is niet om de lezer lastig te vallen met exegetische vakliteratuur. Mijn bedoeling is ook niet om een bijdrage te leveren aan de vergelijkende godsdienstwetenschap, al wil ik wel graag laten zien dat de Bergrede een wijsheid bevat die zo universeel is dat we die wereldwijd, vóór en na Jezus, ook in andere grote tradities aantreffen.

Mijn bedoeling is dat de lezer/es zich aangesproken en geraakt weet door de boodschap van de Bergrede, en deze kan gaan zien als van belang voor het eigen levensgeluk én als een relevante bijdrage voor het overwinnen van de veelvoudige crisis waarmee de mensheid vandaag worstelt.

Uiteindelijk heb ik daarom gekozen voor een andere aanpak. De Bergrede begint denk ik niet voor niets met de bekende zaligsprekingen, die de Nieuwe Bijbelvertaling (waarin het Griekse makarios dat vroeger vertaald werd met ‘zalig’ of ‘gezegend’, is vervangen door gelukkig) als volgt weergeeft.

‘Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.
Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden.
Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten.
Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien.
Gelukkig de vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.’

Deze inleiding, met zijn stellige omkering van alles wat wij geneigd zijn te denken, met zijn lof voor alleswat in de ogen van de wereld juist niet wenselijk is, vormt de poort naar alles wat daarna volgt.

Daarom leek mij de beste keuze om in de volgende hoofdstukken steeds één van deze ‘zaligsprekingen’ als invalshoek te nemen, en aan de hand daarvan relevante andere passages uit de bergrede de revue te laten passeren. En daarbij zullen we dan ook steeds aandacht hebben voor wat andere tradities zeggen over het thema dat aan de orde is.

Ik nodig de lezer graag uit om verder te lezen met deze aansporing uit de Bergrede:

Ga door de nauwe poort naar binnen.
Want de brede weg, die velen volgen,
en de ruime poort,
waar velen door naar binnen gaan,
leiden naar de ondergang.
Nauw is de poort naar het leven,
en smal de weg ernaartoe,
en slechts weinigen weten die te vinden.