spirituele tekst 9

Mysteriën van het Rozenkruis: Werken aan algehele heelwording
Spirituele tekst 9: De Fama Fraternitatis, tweede helft
hoofdstuk 9 van Mysteriën en fakkeldragers van het Rozenkruis

 

Laten wij onze geliefde vader, broeder R.C. niet vergeten. Na zijn vele moeilijke reizen en nieuwe hervormingen, waaraan nauwelijks aandacht geschonken werd, was hij teruggekeerd naar Duitsland, dat hij, wegens de spoedig te verwachten verandering en de bijzonder gevaarlijke strijd, van harte liefhad. Ofschoon hij daar met zijn kunst had kunnen pronken, in het bijzonder met die van de transmutatie der metalen, achtte hij de hemel en haar burgers, de mensen, veel hoger dan alle praal. Hij bouwde voor zichzelf een geschikte en heldere behuizing, waarin hij zijn reizen en zijn filosofie overdacht en deze in een gedenkboek vastlegde. […]

Na vijf jaar kwam de beoogde hervorming hem wederom in gedachten. Aangezien hij van hulp en bijstand van anderen weinig verwachtte, nam hij zich voor – daar hij zelf werkzaam, snel en onvermoeibaar was – dit werk met slechts weinig helpers en medewerkers te ondernemen. Tot dit doel nodigde hij daarom van zijn eerste klooster – waarmee hij zich bijzonder verbonden voelde – drie van zijn medebroeders uit, die in de kunst iets meer bedreven waren dan in die tijd gewoonlijk het geval was.

Deze drie verplichtte hij jegens hem tot de hoogste trouw, ijver en geheimhouding, alsmede tot het met de grootste nauwgezetheid te boek stellen van alle kennis waarin hij hen zou onderrichten, opdat zij die na hen zouden komen en die door bijzondere openbaring in de toekomst toegelaten zouden worden, niet door ook maar één lettergreep of letter zouden kunnen worden misleid.

Zo ving de Broederschap van het Rozenkruis aanvankelijk aan met slechts vier personen. Door hen werd de magische taal en het magische schrift voorzien van een uitvoerig woordenboek, zoals wij dat nog heden ten dage tot Gods eer en roem gebruiken en waaruit wij grote wijsheid putten. Ook stelden zij het eerste deel van het boek Mysterium samen. Omdat de arbeid hun echter te omvangrijk werd en belemmerd werd door de ongelooflijke toeloop van zieken, en daar bovendien zijn nieuwe gebouw, Sanctus Spiritus genaamd, voltooid was, besloten zij nog enige anderen in hun gemeenschap en broederschap op te nemen. […]

Toen acht broeders alles zodanig hadden beschikt en geregeld dat er geen speciale arbeid meer behoefde te worden verricht en ieder van hen zowel over de geheime als over de geopenbaarde wijsbegeerte een volledige verhandeling bezat, wilden zij ook niet langer bijeen blijven. Zoals zij van meet af aan overeengekomen waren, verspreidden zij zich over alle landen. […]

Zij kwamen het volgende overeen:

  1. Niemand van hen zou een ander beroep mogen uitoefenen dan het genezen van zieken, en wel geheel kosteloos.
  2. Niemand van hen zou door de broederschap verplicht worden bepaalde kleding te dragen, maar ieder zou zich naar de gewoonten des lands moeten voegen.
  3. Iedere broeder zou zich elk jaar, op dag C, bij het huis van de Heilige Geest vervoegen, óf de oorzaak van zijn wegblijven laten weten.
  4. Iedere broeder zou naar een geschikte persoon uitzien, die hem te eniger tijd zou kunnen opvolgen.
  5. Het woord R.C. zou hun zegel, wachtwoord en kenmerk zijn.
  6. De broederschap zou honderd jaar geheim blijven.

[…] Evenals onze deur zich na zo vele jaren op wonderbare wijze geopend heeft, zal zich, zodra de muren geheel verdwenen zijn, ook voor Europa een deur openen, die reeds zichtbaar begint te worden en door niet weinigen met groot verlangen verwacht wordt. De volgende morgen openden wij de deur en troffen een gewelf aan met zeven zijden en hoeken. Elke zijde was vijf voet breed en acht voet hoog. Ofschoon dit gewelf nooit door de zon beschenen werd, werd het toch helder verlicht door een andere zon, die het vermogen daartoe aan de zon ontleend had en die zich hoog boven in het midden van de zoldering bevond. In het midden stond, in plaats van een grafsteen, een klein rond altaar, afgedekt met een geelkoperen plaat, waarop geschreven stond:

‘A.C.R.C. Deze samenvatting van het heelal heb ik mij, bij mijn leven, tot een graf gemaakt’.

Rondom de eerste cirkel of ring stond: Jezus is mij alles. In het midden bevonden zich vier figuren, omsloten door cirkels, waaromheen geschreven stond:

  1. Er is geen ledige ruimte.
  2. Het juk der wet.
  3. De vrijheid van het evangelie.
  4. De glorie van God is onaantastbaar.

In elk van de zijden was een deur, die toegang gaf tot een kast waarin zich verscheidene voorwerpen bevonden, in het bijzonder al onze boeken, die wij echter reeds bezaten, alsmede het woordenboek van Theophrastus Bombastus von Hohenheim, en voorts de werken die wij dagelijks gebruiken en waaruit wij in oprechtheid mededelingen doen aan anderen. Hierin vonden wij ook het reisboek en de levensbeschrijving van C.R.C, waaraan de inhoud van dit geschrift grotendeels ontleend is.

In een andere kast bevonden zich spiegels met vele goede eigenschappen, en elders ook klokjes, brandende hanglampen, alsmede enige wonderlijke kunstige gezangen. In het algemeen was alles erop gericht dat, mocht de gehele orde of broederschap te gronde gaan, deze ook na vele honderden jaren door dit ene gewelf nog zou kunnen worden hersteld.

Nog steeds hadden wij het dode lichaam van onze zorgzame en wijze vader niet gevonden. Daarom schoven wij het altaar opzij en konden toen een zware, geelkoperen plaat oplichten. Daaronder bevond zich een schoon en waardig lichaam, ongeschonden en zonder enig spoor van ontbinding, zoals het hier zo nauwkeurig mogelijk afgebeeld is, in vol ornaat en met al zijn attributen. In de hand hield hij een boekje, T. genaamd, geschreven op perkament, met gouden letters, dat, na de Bijbel, thans onze grootste schat is en begrijpelijkerwijs niet lichtvaardig mag worden onderworpen aan het oordeel van de wereld. Aan het einde van dit boekje stond een lofrede met aan het slot:

Uit God zijn wij geboren,
In Christus sterven wij,
Door de Heilige Geest herleven wij.

[…] Onze wijsbegeerte is niets nieuws. Zij is dezelfde die Adam na zijn val ontvangen heeft en die ook Mozes en Salomo hebben toegepast. Zij behoeft ook niet te twijfelen of andere meningen te weerleggen, daar de waarheid ondeelbaar en bondig is en zichzelf altijd gelijk blijft. […]

Daarom kan men niet zeggen: ‘Dit is waar voor de wijsbegeerte, maar onwaar voor de theologie’, want alles waardoor Plato, Aristoteles, Pythagoras en anderen aangeraakt werden – waarbij Henoch, Abraham, Mozes en Salomo de doorslag hebben gegeven, vooral daar het in overeenstemming is met het grote wonderboek, de Bijbel – vloeit samen en vormt een sfeer of bol, waarvan alle delen even ver van het middelpunt verwijderd zijn.[…]

Naar de bedoeling van onze Vader C.R.C. verzoeken wij, zijn broeders, alle geleerden van Europa, indien zij deze onze Fama – die in vijf talen uitgebracht wordt – alsmede de Latijnse Confessio zullen lezen, met een bedachtzaam gemoed, dit ons aanbod, te overwegen, hun kunsten zo nauwkeurig en zorgvuldig mogelijk te onderzoeken, de tegenwoordige tijd met alle ijver te beschouwen en ons daarna hun overwegingen – hetzij gemeenschappelijk, hetzij ieder afzonderlijk – schriftelijk, in druk, bekend te maken.[…]

Wij zeggen met nadruk dat, wie het ernstig en van harte mét ons en met de arbeid die voor ons ligt meent, de vruchten daarvan zowel naar de stof als naar het lichaam en de ziel zal smaken. Wie echter valshartig is, of slechts gericht is op goud, zal ons niet alleen geen schade kunnen berokkenen, maar bovendien zichzelf in het grootste en diepste verderf storten.

Ook zal ons gebouw, al zouden honderdduizend mensen het van nabij gezien hebben, voor de goddeloze wereld in eeuwigheid onberoerd, onvernietigd, onzichtbaar en volkomen verborgen blijven.

Onder de schaduw van uw vleugels, o, Jehovah.

DE BROEDERS VAN DE BROEDERSCHAP VAN HET ROZENKRUIS

SYMPOSION OP ‘VUUR VAN VERANDERING’ OP 2 NOVEMBER: MEER LEZEN EN INSCHIJVEN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *