Pythagoras, ingewijde die een mysterieschool had in Zuid-Italië

De uit Samos geboortige wiskundige, astronoom en filosoof Pythagoras leefde tussen 580 en 500 v. Chr. Na lange zwerftochten, die hem volgens oude bronnen zelfs naar Egypte en het Oosten voerden – veel elementen in zijn leer getuigen daarvan – stichtte hij een mysterieschool in Croton in beneden Italië. Pythagoras beoefende de wiskunde niet als vak. Zijn stellingen zijn ondanks dat echter wereldberoemd geworden. Hij plaatste zijn wiskundige visie, voornamelijk die met betrekking tot de getallen, in het middelpunt van zijn filosofie. Hij wilde geen ‘wijze’ (sophos) genoemd worden. Dat vond hij aanmatigend. Liever noemde hij zich een philosophos, dat wil zeggen: minnaar van de wijsheid. We kennen Pythagoras vooral via de levensbeschrijvingen van Porphyrius en Jamblichus.

Getallen en muziek 

De pythagorese leer beschouwt de getallen als de bouwstenen van de wereld en het heelal. Alle hele getallen van 1 tot 10 hebben een bijzondere kracht en betekenis, vooral het ‘volmaakte’ getal 10. Volgens Jamblichus zou Pythagoras zich in zijn leer op Orfeus hebben gebaseerd. Orfeus sprak aldus: 

‘Het eeuwige wezen van het getal is de oorsprong, die alles van tevoren bepaalt, de oorsprong van het heelal, de aarde en de daartussen liggende gebieden.’

Volgens Pythagoras berust de harmonie van de kosmos geheel en al op getalsverhoudingen. Hij bewees die stelling in de eerste plaats met muziek. Hij heeft als eerste de harmonische samenklank van tonen en de trappen van de toonladder vastgelegd. Niet zozeer op basis van hun trillingsgetal, maar naar de lengte van de snaren, die de klanken voortbrengen. Deze muzikale opbouw vond Pythagoras terug in het heelal. Zoals elk bewegend lichaam een toon voortbrengt die afhankelijk is van zijn grootte en snelheid, zo ‘klinken’ de hemellichamen bij het doorlopen van hun baan mee in de harmonie der sferen. 

Deze opvatting van de muzikaal ‘gedachte’ harmonie van het heelal is sedert Pythagoras niet alleen als dichterlijk beeld gebruikt, maar ook in de natuur- en sterrenkunde herhaaldelijk toegepast. De natuurkundige en astronoom Johannes Kepler heeft er in de zeventiende eeuw een boek aan gewijd.

Ook zijn ethiek ontleende Pythagoras aan getallen: zelfbeheersing en ingetogenheid staan daarin centraal en zijn uitingen van harmonie. De getallenleer van Pythagoras was dan ook sterk geïnspireerd door religieuze en mystieke voorstellingen. Eén daarvan was het begrip van de reïncarnatie, dat uit het Oosten afkomstig is. De bron van zijn denken moet evenwel in Egypte worden gezocht. Zijn biograaf Jamblichus schreef hierover: 

‘Twee-en-twintig jaren verbleef hij in Egypte in de allerheiligste vertrekken en ontving hij van de priesters kennis over sterren-, meet- en geneeskunde en onderging hij alle fasen van inwijding in de goddelijke mysteriën.’ 

Inwijdingsschool van Pythagoras 

De stichting van de inwijdingsschool in Zuid-Italië bereidde Pythagoras voor met vier beroemd geworden redevoeringen. De verhouding met de bestuurders van de stad Croton was zo goed, dat zij grond beschikbaar stelden voor een tempel en schoolgebouwen. Zoals gezegd was Pythagoras’ leer verbonden met getallensymboliek. Het spreekt vanzelf dat die leer ook werd toegepast in zijn mysterieschool. In plaats van getallen te gebruiken om hoeveelheden aan te geven – zoals wij gewend zijn te doen – dienden zij in zijn leer voor het aangeven van kwaliteiten en structuren van de geestelijke wereld en voor de effecten hiervan op de zintuiglijke wereld.

Hoe zag de mysterieweg eruit? En waaruit bestond nu de inwijding? Verschillende auteurs spreken over een geschrift met de titel ‘De Heilige Rede’, waarin de essentie en het verloop van deze weg werd beschreven. Maar dat geschrift is verloren gegaan. 

De Gulden Verzen van Pythagoras 

Wel bestaat er nog een verhandeling over een praktische levenshouding. In de zogenoemde Gulden Verzen, waarvan aangenomen wordt dat zij uit Pythagoras’ school afkomstig zijn, 

vinden wij onder andere: 

‘Laat niemand u ooit verlei den, noch met woorden noch met daden iets te doen of te zeg gen wat niet heilzaam is voor uzelf. Overleg voor de daad, opdat ze niet dwaas zal blijken te zijn: ondoordacht handelen en spreken zijn zaken van een onwaardige man.Wat u echter achteraf geen smart brengt, voer dat uit tot aan het einde. Doe nooit iets wat u niet begrijpt, maar laat u onderrichten zoveel als nodig is; zo zult u het aangenaamste leven leiden [ . . .] Wees niet overdreven zuinig; maat is in alles het beste. Doe wat u geen nadeel brengt en overleg voor u het doet.’ 

Dit fragment is uit het eerste deel van de Gulden Verzen genomen. De tekst is zo open en direct en appelleert aan de weg van het midden die in de maatschappij en in het leven bewandeld moet worden, dat het uiterst verrassend lijkt dat daarmee een mysterieweg wordt betreden. Hier verschijnt voor het eerst een westerse mysterieschool die extreme vormen van wereldontvluchting, boetedoening, geforceerde zelfwegcijfering, kastijding en verzaking tegentreedt met een gezonde nuchterheid: ‘alles met mate’. Pythagoras plaatste zijn medemens voor een levenshouding, waarin het welzijn van de eigen persoon wel voorop staat, maar niet het einddoel is. In het tweede deel van de Gulden Verzen wordt iets van dat einddoel duidelijk: 

‘Wanneer u deze leringen beheerst, heeft u besef van de verhouding tussen de onsterfelijke en de sterfelijke mens. U ziet hoe een ieder voorbijgaat en bestendigheid heeft. U zult beseffen, voor zover het in uw vermogen ligt, dat de natuur i n allen gelijk is, zodat u niets ver wacht dat men niet hopen kan en niets voor u verborgen blijft. U zult beseffen, dat de mensen een zelf gekozen lijden hebben, de armen, die het goede dat nabij is niet zien en niet horen; slechts weinigen kennen een bevrijding uit dit kwaad. Wanneer u het lichaam verlaat en in de vrije ether terechtkomt, zult u onsterfelijk zijn. Een onsterfelijke God, niet meer sterfelijk.’ 

Allereerst leerde de kandidaat de verhouding tussen de onsterfelijke en de sterfelijke mens kennen. Dat was zeer Grieks. Immers, het ‘mens ken uzelf ’ stond boven de tempel van Delphi. Vervolgens moest hij leren de onsterfelijkheid te realiseren. Door het verworven inzicht als leidsman, als ‘voerman van de wagen’ volgens de Gulden Verzen, kon deze bewustzijnsverandering zich voltrekken. Hier merken we een verwantschap met de latere hermetische wijsheid, die er ook vanuit ging dat de onwetendheid aangaande de kennis van het inwonende onsterfelijke deel van de mens oorzaak van het lijden is. 

Leefregels 

De proeftijd voor een leerling duurde drie jaren. Als aanvulling op de vermaningen in de Gulden Verzen trachtte hij zijn voeding binnen gestelde perken te houden. Matig maar voldoende. Hij onthield zich van het eten van vlees. De Pythagoreeërs waren overtuigd van een verwantschap tussen alle bezielde wezens op aarde. Hoe zouden ze dan dieren, de naaste verwanten van de mens kunnen doden en opeten? 

In de tweede fase van zijn ontwikkeling werd de mysteriewijsheid een levend element in de leerling zelf. Hij ervoer deze van binnenuit en kende het verband tussen de zintuiglijke wereld en de wereld van de Geest. Niet alleen voor het individu maar ook voor de gemeenschap waren er leefregels. Men at gemeenschappelijk, luisterde gezamenlijk naar de leringen en verdiepte zich gemeenschappelijk in het gehoorde. De belangrijkste regel was de onverbrekelijke vriendschap door alles heen. Niet alleen in de zin van sympathie. Deze vriendschap was gefundeerd op de wetenschap, dat de ander hetzelfde doel nastreefde en dat het Goddelijke zich in allen tracht uit te drukken. Jamblichus zei hierover: 

‘Ook heeft hij zijn makkers zulk een wonderbaarlijke vriendschap geleerd dat heden ten dage het volk over mensen, die elkaar vriendschappelijk gezind zijn, zegt dat ze bij de Pythagoreeërs horen.’ 

Bron: Syllabus van de cursus ‘Van wijsheidsstromingen naar innerlijke wijsheid – de weg van de gnosis’

beeld

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *