Essay 6

  Symbolen van de ziel, week 6

De ziel als schepper, hoofdstuk 15 van Mysteriën en symbolen van de ziel

 

BESTEL MYSTERIEN EN SYMBOLEN VAN DE ZIEL SOFTBACK

BESTEL MYSTERIEN EN SYMBOLEN VAN DE ZIEL EBOOK

Over de mens staat geschreven dat hij geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis. God is de schepper, dus ook de mens is een schepper. Hij is geroepen om mee te werken aan de uitvoering van het goddelijke scheppingsplan. Dat werkelijke scheppen is echter pas mogelijk wanneer persoonlijkheidsziel, ziel en geestziel een dynamische drie-eenheid vormen. En die situatie wordt bereikt op de zesde scheppingsdag die beschreven staat in Genesis 1.

Zover zijn we als mensheid nog niet. We kunnen nog niet iets creëren uit het niets, maar we kunnen wel van bestaande elementen nieuwe vormen maken. In strikte zin is dat geen scheppen, maar formeren. Als persoonlijkheidsziel zijn we niet geschapen, maar geformeerd. In vers 7 van Genesis 2 lezen we daarover: ‘Toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.’

Hier wordt niet gesproken over God of Elohim zoals in Genesis 1, maar over de Here God of YHVH, de naam die niet uitgesproken mag worden, maar desondanks wel Jahweh of Jehova wordt genoemd. Deze godheid staat dus op een lager niveau dan de Elohim vanwege de kleinere actieradius, die desalniettemin onvoorstelbaar groot is.

Michelangelo Buonarroti (1475-1564), één van de belangrijkste kunstenaars van de Italiaanse renaissance, heeft de formatie van de mens op basis van het genoemde bijbelvers schitterend in beeld gebracht in een wereldberoemd en indrukwekkend fresco in de Sixtijnse kapel in Rome.

Op dit fresco ligt Adam in zijn oorspronkelijke naaktheid op de zwarte bodem van het paradijs. Hij heeft een krachtig lichaam en kijkt vol verwachting uit zijn ogen die net geopend zijn uit de slaap van de onbewustheid. Adam wordt bezield door de aanraking en de adem van YHVH die door het luchtruim zweeft en gedragen wordt door de sterke wind van ruach Elohim (zie afbeelding 15). Van zijn voorhoofd straalt een reine majesteit en in de plooien van zijn mantel zweven engelen, manifestaties van de geestelijke hiërarchieën die betrokken zijn bij de uitvoering van het goddelijke scheppingsplan.

Adam is in deze muurschildering weliswaar weergegeven als een man in een stoffelijk lichaam, maar in feite heeft hij in deze situatie nog geen grofstoffelijk lichaam en is hij/zij nog een androgyn levend wezen: zowel mannelijk als vrouwelijk. De scheiding van de geslachten heeft dus nog niet plaatsgevonden en Adam beschikt in deze situatie alleen nog maar over fijnstoffelijke lichamen. Adam en zijn vrouw Eva krijgen pas een stoffelijk lichaam, aangeduid als rokken van dierenvellen, als ze na de zondeval uit het paradijs worden verbannen, en de toegang tot het paradijs en de levensboom wordt bewaakt door een engel met vlammend zwaard (Genesis 3). Deze muurschildering over de schepping van Adam stelt ons in staat om ons op een geheel andere wijze te verbinden met de scheppingsmythe waarvan de tekst staat in Genesis 2, en daarmee ook met de wereld van de ziel, de wereld van de concrete oertypen.

Het genoemde meesterwerk van Michelangelo waarin God wordt voorgesteld als een oude man met een lange baard wordt door velen tegenwoordig gezien als geweldige schilderkunst, maar tegelijkertijd ook als een zeer naïeve voorstelling. Het is echter de vraag of hier werkelijk sprake is van naïviteit. Het beeld van de oude man met de baard is immers één van de vele manieren waarop de Heilige zich binnen de levende ervaring kan onthullen.

Zo’n beeld hoeven we natuurlijk niet te aanbidden – dan zou het een afgod zijn – maar kan wel een warm gevoel oproepen waardoor we ontvankelijk worden voor de wereld van de ziel die tot uiting komt in het ware, het goede en het schone. We kunnen het fresco ook zien als een uitdrukking van het gegeven dat we mogen uitreiken naar de toegestoken helpende hand vanuit de goddelijke wereld. God laat niet varen de werken van zijn handen (Psalm 138:8).

Kunstenaars  

Kunstenaars kunnen het schone zintuiglijk waarneembaar maken. Er zijn vele kunstvormen zoals beeldhouwkunst, bouwkunst, dans, muziek, poëzie, proza en schilderkunst. In sommige kunstwerken is ook de invloed vanuit de wereld van de ziel te ervaren. Dat komt tot uitdrukking in de volgende zeven uitspraken van kunstenaars.

  • De taak van de kunstenaar is om het mysterie te verdiepen. (Francis Bacon, fakkeldrager van het Rozenkruis 4)
  • Kunst kan ons doen beseffen wat onuitsprekelijk is. (Johann Wolfgang von Goethe, fakkeldrager van het Rozenkruis 11)
  • Kunst is de wereld bekijken in een toestand van genade. (Herman Hesse)
  • Na de stilte komt muziek het dichtst bij het zeggen van het onzegbare. (Aldous Huxley)
  • Door het contact tussen ziel en kunst beïnvloeden en vervolmaken zij elkaar. (Wassaly Kandinsky)
  • De betekenis van de beeldende kunst ligt in het bijzonder in haar vermogen de ziel te herinneren aan haar oorsprong. (Michelangelo Buonarroti)
  • Als geest en hand niet samengaan, ontstaat er geen kunst. (Leonardo da Vinci)

De reformatie, die met name door Maarten Luther is ingezet toen hij op 31 oktober 1517 een plakkaat met 95 stellingen op de deur van de slotkerk in Wittenberg timmerde, leidde ertoe dat er binnen het protestantisme een afkeer ontstond tegen religieuze voorstellingen. Met name door toedoen van de aanhangers van Johannes Calvijn ontaardde dit in de zogeheten beeldenstorm met haar massale vernietiging van beelden en schilderijen in katholieke kerken.

Bepaalde argumenten tegen religieuze beeldende kunst van toenmalige protestanten waren zeker steekhoudend, maar door bijna alle religieuze beeldende kunst te verwerpen werd wel het kind met het badwater weggegooid. Vanuit een beeldloos en zeer abstract godsbegrip is het namelijk moeilijk om vanuit een soort liefdesrelatie ontvankelijk te zijn voor de Heilige. Dan verstart het geloof omdat het is ontzield, en kan de mens geen levend kanaal zijn voor de instroming van goddelijke genade in deze wereld.

DOWNLOAD ENGLISH EDITION (FREE PDF) – BESTEL EBOOKBESTEL BOEK

Omstreeks het jaar 1600 werd bij steeds meer mensen duidelijk dat de reformatie mislukt was. Wat aanvankelijk begon met het bespreekbaar maken van misstanden in de toenmalige kerk verviel tot polarisaties, godsdiensttwisten, gewelddadigheden en een geloof volgens de dode letter. Daaruit groeide het verlangen naar een werkelijke reformatie van de mens en de mensheid die onder meer tot uitdrukking kwam in de impuls van de rozenkruisers die zich in de zeventiende eeuw in meerdere landen in Europa manifesteerde, en die is te zien als een vernieuwde synthese van met name de (natuur)wetenschap, het oorspronkelijk christendom en de hermetisch-kabbalistische traditie.

Het denken in symbolen en beelden stond hoog in het vaandel van de rozenkruisers in de zeventiende eeuw. Hun drie manifesten zijn rijk aan symboliek, en de vele schriftelijke reacties die daarop verschenen waren voorzien van diepzinnige symbolische afbeeldingen, in overeenstemming met de volgende zinnen uit het eerste hoofdstuk van Vermaning van de ziel van Hermes Trismegistus.

‘Als de maker niet rechtstreeks zichtbaar is, kunnen wij hem benaderen door middel van zijn werken. Zo kunnen wij ons ook bezinnen op de schepper van het al, door zijn werken, en de werken van het noodlot. Weet dat alle vormen en beelden die u met uw lichamelijke ogen ziet in de wereld van de dingen die komen en gaan, slechts gelijkenissen zijn van de ideeën die waarlijk onveranderlijk en onvergankelijk leven bezitten.’

Wetenschap, religie en kunst  

In haar standaardwerk De verlichting van de rozenkruisers beschrijft Frances Yates hoe de impuls van het rozenkruis in de zeventiende eeuw een belangrijk scharnierpunt vormde tussen de renaissance en de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw. Wetenschap, religie en kunst vormden toen nog, veel meer dan nu, een eenheid. Veel ellende in de wereld vloeit voort uit het feit dat die eenheid nu ver te zoeken valt, en daarom kon Albert Einstein zeggen ‘Wetenschap zonder religie is lam, religie zonder wetenschap is blind’.

Een mens in wie wetenschap, kunst en religie een eenheid vormen zouden we een universele mens kunnen noemen. Dit begrip kwam sterk tot leven in de Italiaanse renaissance onder de naam uomo universale of homo universalis. Meestal wordt daarmee een persoon bedoeld die al zijn talenten en vaardigheden in harmonie met elkaar ontwikkelt.

Leonardo da Vinci (1452-1519) is het schoolvoorbeeld van zo’n universele mens. Dit genie was architect, uitvinder, ingenieur, filosoof, natuurkundige, scheikundige, anatoom, beeldhouwer, schrijver, schilder en componist. Van hem is ook de tekening van de virtruviusman met gespreide armen en benen in een cirkel en in een vierkant. Die microkosmische mens ondergaat niet alleen invloeden die vanuit de macrokosmos op hem inwerken, maar creëert tevens zelfbewust oorzaken voor de gewenste ontwikkeling op aarde.

De filosoof Marsilio Ficino (1433-1499) uit de vroeg-Italiaanse Renaissance was van mening dat niet zozeer de aarde moest worden bewerkt, maar vooral de ziel. Dat wordt mogelijk als de mens zichzelf herkent als een bewust autonome scheppende entiteit. Vanuit dit perspectief kunnen we de renaissance als periode in de geschiedenis zien als een symbool voor de renaissance of wedergeboorte die in onszelf kan plaatsvinden: vermogens uit de microkosmische oudheid, dus van voor de zondeval, komen weer ter beschikking van de spiritueel strevende mens die zich richt op de koninklijke kunst van bouw.

Binnen de academie die Ficino had opgericht naar het model van de school van Plato uit de oudheid werd de universele mens niet zozeer gezien als een wezen dat zoveel mogelijk kennis moest vergaren of al zijn talenten moest ontplooien, maar meer als een persoonlijkheid waarin de nieuwe ziel als een geestelijke zon kan branden ten dienste van alles en allen.

De klassieke rozenkruisers noemen in hun manifesten drie personen die ook als een universele mens in de besproken zin kunnen worden beschouwd: Paracelsus (fakkeldrager van het Rozenkruis 1), Christiaan Rozenkruis en Hermes Trismegistus. Paracelsus was een historische persoon die door de klassieke rozenkruisers als een lichtend voorbeeld werd gezien omdat hij bereid was oude en verstarde theorieën los te laten, zelf na te denken en onderzoek te doen door af te gaan op zijn innerlijk weten vanuit een diep godsvertrouwen. Hij beschouwde God als de grote geneesheer.

Christiaan Rozenkruis is een mysterienaam van een hoge menselijke individualiteit die zich gedurende meerdere incarnaties heeft ingezet voor de geestelijke ontwikkeling van de mensheid. Volgens Rudolf Steiner (fakkeldrager van het Rozenkruis 16) is Christiaan Rozenkruis de leider van het esoterisch christendom die onder andere geïncarneerd is geweest in de bouwmeester Hiram Abiff die de tempel van Jeruzalem bouwde in opdracht van koning Salomo, en als Lazarus die door Jezus uit de dood is opgewekt.

Hermes Trismegistus is een mysteriefiguur die vaak wordt gezien als een synthese van de Egyptische god Thot, die de mensheid het schrift en daardoor ook de wijsheid bracht, en de Griekse god Hermes, de boodschapper van de goden. Hij is de verpersoonlijking van de hermetische traditie zoals die vorm gekregen heeft in met name de alchemische tekst Tabula Smaragdina en de serie geschriften die gezamenlijk bekend zijn als het Corpus Hermeticum en die door Marsilio Ficino vanuit het Grieks in het Latijn zijn vertaald.

In het eerste manifest van de rozenkruisers, Fama Fraternitatis R.C. uit 1614, wordt verwezen naar het boek T in de handen van Christiaan Rozenkruis, waarover de rozenkruisers schrijven dat het na de Bijbel hun grootste schat is en dat het vanzelfsprekend niet lichtvaardig aan het oordeel van de wereld mag worden onderworpen. Het boek T zou betrekking hebben op Theos (God), Testamentum (Testament) of Toth. Toth zou kunnen verwijzen naar de hermetische geschriften, maar ook naar tarot. Ook de tarot is een zeer bekende vormopenbaring die wel wordt toegeschreven aan Hermes Trismegistus.

Op basis van het mysteriegeschrift De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis kunnen we Christiaan Rozenkruis ook zien als het prototype van de mens die Christus navolgt en ernaar streeft een Hermes Trismegistus te worden, een driemaal grote boodschapper van de goden. Driemaal groot heeft dan betrekking op de vernieuwde synthese van geestziel, ziel en persoonlijkheidsziel, en tevens op de drie aspecten kennis, liefde en daad en op de drie archetypen koning, priester en magiër.

Koning, priester en magiër  

De wijzen uit het oosten die naar Judea trekken om de pasgeboren Jezus te vereren kunnen we zien als de koning, de priester en de magiër die in de nieuwe mens werkzaam worden. Dat zijn archetypen die terug te vinden zijn in de 22 grote arcana van de hermetische tarot, als respectievelijk arcanum 4, arcanum 5 en arcanum 1.  Afbeelding 16 toont de heerser (arcanum 4) en de hiërofant (arcanum 5). De dwaas (arcanum 0) en de magiër (arcanum 1) zijn te zien
op afbeelding 17. Het woord arcana is meervoud van het Latijnse arcanum, dat kan worden vertaald als ‘mysterie’, ‘geheim’ en ‘voor de meeste mensen verborgen’. Het wereldberoemde kaartspel met de naam tarot heeft een verheven oorsprong in de hermetisch-christelijke traditie, maar wordt al sinds de middeleeuwen misbruikt voor waarzeggerij en kaartspelletjes.

Inmiddels zijn er vele duizenden versies gemaakt van het tarot-kaartspel die bijna allemaal uit 78 afbeeldingen bestaan. Daarom wordt er wel gezegd: iedere gek heeft zijn eigen deck. Er zijn aanwijzingen dat de oorspronkelijke tarot bestond uit slechts 22 afbeeldingen, die nu bekend staan als de grote arcana, en dat de overige 56 afbeeldingen – de kleine arcana – later zijn toegevoegd door kabbalisten. Er wordt gezegd dat het bij de tarot aanvankelijk helemaal niet ging om kaarten, maar om afbeeldingen in tempels van Egyptische mysteriescholen. Een deel van die tempels bestond uit een galerij waarvan het dak werd gedragen door 22 zuilen: elf aan de linkerkant en elf aan de rechterkant. Op elke zuil bevond zich een mysterieuze schildering vol symboliek.

Hermetische tarot  

Een belangrijk aspect van de mysterieweg van mysterieleerlingen uit het oude Egypte was dat zij zich intensief moesten bezinnen op die 22 afbeeldingen, want daardoor konden zij innerlijke kennis verwerven. In het boek ‘Egyptische mysteriën – inwijding in de esoterische tarot’ uit 1931 laat de auteur Woldemar von Uxkull een hogepriester tot een nieuwe mysterieleerling zeggen:

‘Deze afbeeldingen bevatten in symbolische vorm alles wat wij weten. Alles wat de goden openbaren wilden, alles wat wij mensen bevatten kunnen, ligt in hen besloten. Deze afbeeldingen, die wij het boek Thoth noemen, en die een samenvatting geven van de tweeënveertig boeken van Thoth, de god van de wijsheid, vertellen ons over het wezen van de godheid die wij dienen, over de wereld en haar ontstaan en over de weg die de mensheid zal gaan.

Zo leren zij ons aan welke wetmatigheden kunst, samenleving, wetenschap, ja het hele universum onderworpen zijn. Ze bevatten eindeloos meer dan je op dit moment kunt voorstellen. Ik zal je echter de sleutel geven om het boek te kunnen lezen. Je zult in de toekomst hier vele uren doorbrengen om inzicht en kennis uit deze symbolen te halen. Ook zal ik je te gelegener tijd meer vertellen over de relatie waarin deze schilderingen tot elkaar staan.’  

Als de Egyptische tempels en de 22 afbeeldingen waarover wordt gesproken hebben bestaan, zijn deze niet meer te vinden omdat ze vernietigd zijn. Het verhaal gaat dat priesters als gevolg van dreigende vervolgingen de afbeeldingen op klein formaat hebben gekopieerd en hebben meegenomen op hun vlucht. De kopieën zouden in handen gekomen zijn van niet-begrijpenden, die ze gingen gebruiken voor waarzeggerij en gokspelletjes. De hoge hermetische wijsheid die besloten ligt in de tarot werd zo naar beneden gehaald en vervormd, en de tarot kreeg, heel begrijpelijk, een slechte naam. In de loop van vele eeuwen drukten allerlei stromingen er hun stempel op.

Ondanks alle verminkingen en verdraaiingen die hebben plaatsgevonden is het toch mogelijk om ook vandaag de dag door te dringen tot de gnostieke diepten van de 22 afbeeldingen van de hermetische tarot. Tezamen kunnen deze voorstellingen worden gezien als de innerlijke structuur op basis waarvan de geschonden menselijke microkosmos kan worden hersteld en belevendigd.

Hemelse gaven  

In arcanum 1 van de hermetische tarot, die ook wel wordt aangeduid als de magiër, wordt de mens als schepper treffend verbeeld. Het getal 1 symboliseert de levende verbinding tussen hemel en aarde. Het woord magiër komt van het Perzische ‘magu’, dat verwijst naar iemand die hemelse gaven (maga) heeft ontvangen.

De magiër van het eerste arcanum verbeeldt de vernieuwde mens die bewust en in overgave aan het hemelse licht kan werken met de vier attributen die voor hem op de altaartafel staan, en die de dwaas van arcanum 0 nog in zijn zak op zijn rug heeft zitten: de munt, het zwaard, de beker en de staf.

Op kosmisch niveau symboliseert de munt de zintuiglijk waarneembare wereld waarin letterlijk en figuurlijk gehandeld wordt (Assiah), het zwaard de astrale wereld van de concrete oertypen (Yetzirah), de beker de wereld van de abstracte oertypen (Briah), en de staf de gemanifesteerde geestelijke wereld (Atziluth). Op het niveau van de mens, de microkosmos, symboliseert de munt het lichaam, het zwaard de persoonlijkheidsziel, de beker de ziel en de staf de geestziel.

In meerdere opzichten is de afbeelding van de magiër tegengesteld aan die van de dwaas (zie afbeelding 17). Bij de dwaas is de grond oneffen en hobbelig, bij de magiër glad en vlak. Bij de dwaas zien we armoede en dorheid, bij de magiër rijkdom en bloeiende bloemen. De dwaas beweegt zich moeizaam voort en is omringd door gevaren, maar de magiër weet zich beschermd en straalt een geconcentreerde kalmte uit.

De magiër is een schepper: hij gebiedt in de hemel en verwerkelijkt op aarde ten dienste van zijn medemensen. Dat is mede mogelijk omdat hij beschikt over een vernieuwd en transparant zielekleed, een vernieuwd slangenvuur (gesymboliseerd door de staf in zijn hand) en een geopend en ontwikkeld kruinchakra (gesymboliseerd door de puntmuts). De lemniscaat of liggende 8 die in de puntmuts te herkennen is, verwijst naar de verbinding met de oneindigheid en de eeuwigheid.

De mens van arcanum 1 is een levende verbinding tussen de tijdruimtelijke wereld en de eeuwigheid omdat lichaam, persoonlijkheidsziel, ziel en geestziel met elkaar verbonden zijn als gevolg van een herscheppingsproces dat in hem of haar bewerkstelligd is door het hemelse licht. Wat kun je doen als je de koning, de priester en de magiër in jezelf herkent en tot ontwikkeling wilt laten komen om de schepping te dienen? In paragraaf 13 van De belijdenis van de rozenkruisers-broederschap lezen we daarover:

‘Meent u dan niet, dat u na onderzoek van uw gaven, en na het inzicht, dat u in de heilige geschriften bezit, te hebben overdacht, en uit de overweging hoe onvolmaakt en tegenstrijdig alle kunsten zijn, nu eens eindelijk met ons over hun genezing moet gaan denken? Dat u uw handen moet gaan aanbieden aan God, die het werk verricht, en u gaan wijden aan de eis van de tijd?
 
De beloning hiervan zal zijn, dat alle goede dingen, die de natuur over alle delen van de aarde verspreid heeft, tot een eenheid verenigd, bij u, als een middelpunt van zon en maan, zullen worden samengebracht. Dan zult u alles wat het menselijke kenvermogen omsluiert en zijn werkzaamheid belet, alsmede alles wat uit-middelpuntig is en niet met de cirkel samenvalt, uit de wereld kunnen bannen.’

LEES MEER OVER DE BEZINNINGSBIJEENKOMST ‘WIJ ZIJN SCHEPPERS

LEES MEER OVER DE TRILOGIE OVER DE MYSTERIËN VOOR DE MENS VAN NU