10. Louis-Claude de Saint-Martin

 

De meeste van de 22 fakkeldragers van het Rozenkruis die worden besproken in dit boek leefden en werkten in Duitssprekende, Engelssprekende en Nederlandssprekende landen. Van de Latijnse Fama Fraternitatis uit 1614 verschijnt in druk een Duitse vertaling in 1614, een Engelse vertaling in 1622 en een Nederlandse vertaling in 1615. Een officiële Franse vertaling wordt pas in druk gepubliceerd in 1921. Toch kunnen Fransen zich vanaf de zeventiende eeuw al op de hoogte stellen van de rozenkruisers via het boek Instruction la France sur la vérité des Frères de la Rose Croix dat de Parijse bibliothecaris Gabriel Naudé in 1623 uitbrengt. 

Loges van rozenkruisers en vrijmetselaars komen in Frankrijk vooral tot bloei in de achttiende en negentiende eeuw, de periode waarin de cultuurvernieuwing in Europa voor een beangrijk deel wordt geïnitieerd in Frankrijk. Bekende personen die verbonden zijn met de rozenkruiserstraditie in Frankrijk zijn onder andere graaf De Saint-Germain, Eliphas Lévi, de componisten Erik Satie en Claude Debussy, en Stannislas de Guïta, stichter van de l’Ordre Kabbalistique de la Rose-Croix. De meest invloedrijke Fransman die tot de rozenkruiserstraditie kan worden gerekend en die de zuivere gnosis uitdraagt, is echter Louis-Claude de Saint-Martin (1743-1803). 

De Saint-Martin schrijft meerdere boeken die vandaag de dag nog worden bestudeerd, met name binnen de diverse naar hem genoemde martinistenorden. Hij publiceert zijn werken onder het pseudoniem ‘le philosophe inconnu’ (de onbekende filosoof) omdat hij ervaart dat zijn teksten niet van hemzelf zijn. Volgens eigen zeggen ontleent hij zijn inzichten aan zijn twee leermeesters – Martinez de Pasqualis en Jacob Boehme (fakkeldrager 7) – en aan God. 

Louis-Claude de Saint-Martin is een filosoof in de letterlijke betekenis van het woord: een minnaar van de wijsheid. Dat betekent echter niet dat zijn geschriften allemaal ordelijk en rationeel zijn opgebouwd. Zijn taalgebruik is zowel poëtisch als profetisch. Zijn teksten komen over als een mengeling van diepzinnige vermaningen, aforismen, affirmaties en gebeden. 

Lezers van zijn werken treffen daarin veel rhetorische vragen aan, en zullen meestal vergeefs zoeken naar heldere structuren. Toch klinkt de boodschap die hij wil overdragen duidelijk door op alle bladzijden. Hij gaat uit van een mens- en wereldbeeld dat we hermetisch kunnen noemen, terwijl hij toch heel bewust staat in de joods-christelijke traditie. In hoofdstuk 71 van zijn boek ‘De mens van verlangen’, dat in 1790 wordt gepubliceerd onder de titel ‘L’homme de desir’ schrijft hij: ‘Het universum is het onderwerp van het leven, het is geschapen door het leven. De mens is er een orgaan van, hij is de bestuurder van het universum. God alleen is er de bron en het principe van en geen enkel wezen kan zonder hem kennis maken met de bron.’ 

In de periode van de verlichting, waarin het rationele denken en de ontwikkeling van de natuurwetenschappen centraal staat, wordt het esoterische gedachtegoed in Frankrijk levend gehouden binnen loges van rozenkruisers en vrijmetselaars, waarbij de benodigde kennis en rituelen vooral afkomstig zijn uit Engeland, Schotland en Duitsland. Louis-Claude de Saint-Martin waarschuwt de lezers van ‘De mens van verlangen’ voor de filosofen van de verlichting, die hij niet bij naam en toenaam noemt. In hoofdstuk 79 schrijft hij:

‘Weet je niet dat de natuur aan de mens is gegund om hem als spiegel te dienen waarin hij de waarheid zou kunnen zien? Weet je niet dat de filosofen en de geleerden zich van deze spiegel meester hebben gemaakt en dat zij deze spiegel hebben gebroken door er zware slagen aan toe te brengen? Daarna zeggen zij tot ons: “Kom erin lezen”. Maar wat zouden wij erin kunnen lezen? Zullen deze objecten van ieder genre die wij erin zien, ons niet vol barsten en misvormdheden lijken, die ze voor ons onherkenbaar maken? Behoed je voor deze leugenachtige constructies, zij zouden je ertoe brengen ook in jou een kostbare spiegel te breken; en je zou de heilige zon niet meer herkennen, die zijn stralen diep in jou werpt opdat je om je heen het licht en de lieflijke warmte van God verspreidt.’ 

Dit gedeelte doet wel wat denken aan de klassieke rozenkruisers uit de zeventiende eeuw, die met de publicatie van hun Fama onder andere wilden voorkomen dat er een ontwikkeling zou plaatsvinden die uitsluitend gebaseerd is op materialisme en rationaliteit. Louis-Claude de Saint-Martin noemt de rozenkruisers niet in zijn geschriften, maar zijn leer toont wel heel duidelijk de signatuur van het Rozenkruis, want die voldoet aan de zeven kenmerken die worden genoemd in de beschouwing van hoofdstuk 7 en afbeelding 14: roos, connectie, regeneratie, universeel, Christocentrisch, innerlijk weten en scholing. 

In zijn boeken heeft hij het niet over de symbolische roos in het hart van de mens of over de goddelijke vonk, maar hij schrijft wel over het weten dat als een kiem in de mens aanwezig is, en dat mens de weg van het hart dient te gaan, waarmee in feite hetzelf- de wordt bedoeld. Hij is een mysticus en verlangt naar connectie met het goddelijke, naar éénwording met God in hem. 

Het principe van regeneratie, dat hij ook aanduidt met de termen reïntegratie en herstel, ontleent De Saint-Martin aan zijn leermeester Martinez de Pasqualis, die ervan uitgaat dat de mens gevallen is uit een paradijselijke toestand en geroepen is om daarnaar terug te keren door zijn geschonden wezen procesmatig te herstellen. 

De weg die De Saint-Martin wijst is voor ieder mens met een verlangen naar heelwording en kan daarom universeel worden genoemd. Tegelijkertijd is zijn leer Christocentrisch, omdat de weg niet kan worden gegaan zonder hulp van Christus, die De Saint-Martin vaak aanduidt als de grote Hersteller, de Verlosser of de Heer. In een mens van verlangen die de weg gaat, komt innerlijk weten of gnosis tot ontwikkeling. De werken van De Saint-Martin vol originele gedachten zijn daar een getuigenis van. 

Het gaan van het pad dat De Saint-Martin uitdraagt is duidelijk een scholingsweg waar de innerlijke mens procesmatig tot ontwikkeling komt. In zijn theosofische brieven schrijft De Saint-Martin: ‘Laat mij benadrukken dat de goddelijke eenwording alleen kan worden bereikt door een sterke en voortdurende vastberadenheid bij hen die ernaar verlangen, dat er geen andere manier is dan het volgehouden gebruik van de zuivere wil, geholpen door werken en de beoefening van alle deugden, bevrucht door het gebed dat de goddelijke genade over ons mag komen om onze zwakheden te boven te komen en ons te te leiden tot onze regeneratie’. 

Over Louis-Claude de Saint-Martin zijn meerdere biografieën geschreven. In 2012 verscheen de Nederlandse vertaling van een levensbeschrijving uit 1862 door Jacques Matter met de titel ‘Saint-Martin – de onbekende filosoof ’. Vermeldenswaardig is ook de uitgebreide biografie die Arthur Edward Waite (fakkeldrager 15) publiceerde in 1901 met de titel ‘The Life of Louis-Claude de Saint-Martin – The Unknown Philosopher and the Substance of his Transcendental Doctrine’.

Louis-Claude de Saint-Martin wordt geboren in de adellijke familie Amboise, in Touraine in Frankrijk. Al spoedig heel geeft hij blijk van een levendige intelligentie, vol idealisme en vrome gevoelens, die tijdens zijn volwassenheid volkomen tot uitdrukking komen. Een aandachtige stiefmoeder vol begrip bevordert de edele gevoelens en grote ontvankelijkheid van de jongeman. Later verklaart hij hoe erkentelijk hij was voor de lichtende leiding van zijn stiefmoeder en voor de wijze opvoeding die hij van haar heeft ontvangen. 

In overeenstemming met de wens van zijn ouders studeert Louis-Claude de Saint-Martin rechten en wordt advocaat. Zijn innerlijke verlangens echter en het belang dat hij hecht aan filosofie schrikken hem af om in een beroep te blijven dat niet strookt met zijn ideaal. Al snel verlaat hij de rechtspraak en kiest voor een carrière in het leger, waar hij dankzij de steun van een invloedrijk vriend een officiersbrevet ontvangt. Op 22-jarige leeftijd treedt hij het regiment van Foix binnen om als officier te dienen.

In 1768 wordt hij opgenomen in de te Bordeaux gevestigde loge Les Chevaliers maçon Elus Cohens de l’Univers. Daar ontmoet hij de Martinez de Pasqualis, de stichter van deze orde met een ritus die lijkt op die van de Schotse vrijmetselarij. In 1770 heeft die orde tempels in Bordeaux, Montpellier, Avignon, Foix, La Rochelle, Versailles, Metz en Parijs. 

Louis-Claude de Saint-Martin ervaart dat een loopbaan in het leger niet bij hem past, verlaat het regiment in Foix, wordt secretaris van De Pasqualis en wordt in 1772 ingewijd als réau-croix. Hij heeft de moed zich in de salons van de rijken te presenteren om op basis van zijn leringen en enthousiasme de strijd aan te binden met hun ego-gerichte belangen. Alles wat hij onderneemt heeft één doel: de mensen van hun materiële bezigheden los te weken zodat ze ontvankelijk worden voor de geestelijke wereld. Hij wil dat de mensheid zich bewust wordt van de bijzondere plaats die God de mens in zijn oerstaat had toegekend, wat haar in de loop van de tijd was overkomen en hoe zij haar luisterrijke positie weer kan veroveren. 

De onbekende filosoof leert dat ‘wij onszelf alleen kunnen lezen in God zelf en onszelf alleen kunnen begrijpen in zijn luister’. De mens heeft de vergissing begaan zich van God te verwijderen en in de materiële wereld te vallen. Daardoor ligt zijn innerlijke tempel in puin en dient hij deze opnieuw op te bouwen. In zijn huidige toestand is de mens in een toestand van verbanning. Niets hier beneden kan hem volledig tevreden stellen. De materiële wereld brengt hem wel degelijk voldoening, plezier en vreugde. Maar in het diepst van zichzelf weet hij dat het geluk dat hij nastreeft, niet van deze wereld is. Hij voelt min of meer bewust ook heimwee naar de luisterrijke staat, die eens de zijne was. Iedereen die ernaar verlangt zijn oorspronkelijke zuiverheid terug te vinden, is een mens van verlangen. 

Na de dood van Martinez de Pasqualis in 1772 neemt Jean Baptiste Willermoz de leiding van de orde over en legt dan contacten met de Duitse Gold- und Rosenkreuzer en de Duitse vrijmetselarij van de Strikte Observantie.  Louis-Claude de Saint-Martin begint geleidelijk steeds meer te twijfelen aan het nut van de uiterlijke ritualen van de orde en gaat zijn eigen gang. In 1788 ontdekt hij geschriften van Jacob Boehme (fakkeldrager 7), die voor hem een feest van herkenning zijn. Dan vertaalt hij enkele werken van Boehme uit het Duits in het Frans en laat deze publiceren. De Saint-Martin is bevriend met enkele vrouwen, maar blijft zijn hele leven ongehuwd. 

Louis-Claude de Saint-Martin streeft niet naar een grote inwijdingsorde. Tot zijn dood in 1803 heeft hij een kleine groep leerlingen om zich heen die hij onderwijst, begeleidt en inwijdt aan de hand van een zelfontworpen gradensysteem. In 1888 geeft Gérard Encausse, alias Papus een nieuwe impuls aan het gedachtegoed van Louis-Claude de Saint-Martin door een gestructureerde martinistenorde op te richten.

Na de dood van Papus in 1916 ontstaan er meerdere martinistenorden, waaronder ‘The Taditional Martinist Order’, waarin de eerste imperator van AMORC – Harvey Spencer Lewis (fakkel- drager 17) – wordt ingewijd door de grootmeester Victor Blanchard, en van hem het mandaat krijgt om die martinistenorde in de Verenigde Staten uit te bouwen. De vierde en huidige imperator van AMORC, Christian Bernard, vertelt desgevraagd in een interview dat hij tevens imperator is van ‘The Traditional Martinist Order’ en dat ongeveer twintig procent van alle AMORC-leden ook martinist zijn. Verder laat hij weten dat de grootmeesters van AMORC voor de verschillende taalgebieden (jurisdicties) ook allemaal grootmeester zijn van ‘The Traditional Martinist Order’.

Zeven aforismen van Louis Claude de Saint Martin 

  1. God is een vaststaand paradijs en de mens zou een bewegend paradijs moeten zijn.
  2. Voor onze persoonlijke vooruitgang in deugd en waarheid is één kwaliteit voldoende, namelijk liefde. 
  3. Voor de realisatie van het grote werk zijn drie kwaliteiten nodig: liefde, intelligentie en activiteit. 
  4. Alle mystici spreken dezelfde taal, want ze komen uit hetzelfde land. 
  5. Boeken zijn ramen van de waarheid, maar zij zijn niet de deur: zij wijzen op dingen, maar geven ze niet. 
  6. Ik wenste goed te doen, maar ik wilde geen lawaai maken, want ik heb ervaren dat lawaai geen goed doet en dat goed doen geen lawaai maakt.
  7. Als bewijs dat we geregenereerd zijn, dienen we alles om ons heen te regenereren.

Bron: Mysteriën en fakkeldragers van het Rozenkruis

1 thought on “10. Louis-Claude de Saint-Martin

  1. paul Otto

    Dank voor deze informatie,in het bijzonder ook de zeer leerzame linken.
    Zoals “in jou een kostbare spiegel”
    Ik had niet eerder iets over deze man ,zijn werk en de Martinist Order gehoord.
    Met een groet aan het licht in u.

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *