spirituele tekst 6

Mysteriën van het Rozenkruis: Transformaties bewerkstelligen
Spirituele tekst 6: De Alchemische Bruiloft, de zesde dag
hoofdstuk 6 van Mysteriën en fakkeldragers van het Rozenkruis

 

De volgende morgen zaten wij, nadat wij elkaar gewekt hadden, een poos bijeen en vroegen ons af waar dit alles op uit zou lopen. […] Toen wij tamelijk lang met elkaar van gedachten gewisseld hadden, kwam de oude man naar ons toe, groette ons en keek of alles gereed was en er met de processen voldoende voortgang gemaakt was. […] Spoedig verschenen enige jongelingen, die een aantal ladders, touwen en grote vleugels meebrachten. Zij legden deze voor ons neer en gingen toen weer weg. Daarop sprak de oude man: ‘Geliefde zonen, één van deze drie voorwerpen moet ieder van u vandaag voortdurend bij zich dragen. Het staat u vrij er één te kiezen of erom te loten’. Maar toen wij antwoordden dat wij wensten te kiezen, antwoordde hij: ‘Neen, het lot moet beslissen’.

Vervolgens maakte hij drie briefjes. Op het ene schreef hij ‘ladder’, op het andere ‘touw’, op het derde ‘vleugels’. Deze briefjes deed hij in een hoed en ieder moest trekken; en wat hij trok, moest hij ook nemen. […] Ik kreeg een ladder, wat ik zeer betreurde, daar deze twaalf voet lang was en tamelijk zwaar. […] Boven ons werd een rond gat geopend, waardoorheen wij onze jonkvrouw zagen, die naar ons riep, ons goedendag toewenste en ons verzocht naar boven te komen. […]

Toen wij allen aldus boven waren gekomen, werd de opening weer toegedekt. Deze zaal was even groot als de toren en had zes fraaie nissen, die iets hoger lagen dan de zaal, zodat men, om er in te komen, drie treden moest bestijgen. Over deze nissen werden wij verdeeld om daar voor het leven van de koning en koningin te bidden. […]

Nauwelijks hadden wij onze taak volbracht of door een kleine deur werd door twaalf personen, die tevoren onze muzikanten waren, een wonderlijk langwerpig voorwerp in het midden geplaatst, dat mijn metgezellen voor een fontein hielden. Ik echter begreep wel dat daarin de lichamen lagen, want het voorwerp was van onderen ovaal van vorm en zo groot dat er wel zes personen op elkaar in konden liggen. Daarop gingen de twaalf mannen weer naar buiten, haalden hun instrumenten en begeleidden de binnenkomst van onze jonkvrouw en haar dienaressen met liefelijke muziek. […]

Hierna opende de jonkvrouw een kistje, waarin een rond ding lag, in groene, dubbele taf gewikkeld. Dit legde zij in het bovenste bekken en sloot het met een deksel dat vol gaatjes zat, maar dat ook een rand had, waarin zij enkele van de vloeistoffen goot die wij de vorige dag bereid hadden. Spoedig hierna begon de fontein te stromen; de vloeistof werd echter door vier buisjes in het bekken teruggevoerd. Onderaan het onderste bekken zaten vele spitse punten, waaraan de jonkvrouwen hun lampen bevestigden, zodat de hitte het bekken zou verwarmen en het water aan de kook zou brengen. Zodra het water begon te borrelen, druppelde het door vele gaatjes op de lichamen. Het werd zo heet, dat het alle lichamen oploste en vloeibaar maakte. […]

De fontein vloeide gedurende bijna twee uur, ofschoon zij hoe langer hoe zwakker werd. […] Toen het zover was dat de fontein ophield en niet meer wilde vloeien, liet de jonkvrouw een ronde, gouden bol brengen. Onderaan de fontein bevond zich een kraan. Hier doorheen liet zij alle stoffen, die door de hete druppels opgelost waren, in de bol lopen. Het waren verscheidene glazen vol, merendeels dieprood van kleur. […]

Opnieuw werd het luik boven ons hoofd opgelicht en werd ons bevolen naar boven te komen. Dat deden we, evenals tevoren, met behulp van vleugels, ladders en touwen. […] Toen de opening gesloten was, zag ik de gouden bol middenin de zaal aan een sterke ketting hangen. Er waren in deze zaal alleen ramen. Tussen elke twee ramen was een deur, en achter elke deur bevond zich alleen een grote gepolijste spiegel. Deze ramen en spiegels waren optisch zo tegenover elkaar geplaatst dat, ofschoon de zon die toen buitengewoon helder scheen slechts één deur trof, het leek, nadat de ramen aan de zonzijde geopend waren en de deuren voor de spiegels geopend waren, alsof er in de gehele zaal overal alleen maar zonnen waren. Door kunstige straalbreking troEen zij alle de gouden bol die in het midden hing. En daar deze bovendien glanzend gepolijst was, straalde hij zulk een glans uit dat geen van ons de ogen kon openhouden. Wij moesten daarom naar buiten kijken, totdat de bol voldoende verhit was en het verlangde resultaat verkregen was. […]

Tenslotte gaf de jonkvrouw bevel de spiegels weer te bedekken, de ramen te sluiten en aldus de bol weer een weinig te laten afkoelen. Dit geschiedde om zeven uur. Wij meenden er daarom goed aan te doen nu wat uit te rusten en te ontbijten, teneinde daardoor weer wat op krachten te komen. […] Na het lichte ontbijt maakten wij ons weer voor de arbeid gereed, daar de bol voldoende afgekoeld was. Wij moesten hem met veel moeite en inspanning van de ketting nemen en op de vloer neerlaten. […] Toen wij de bol met een scherpe diamant geopend hadden, bevond zich daar niets roods meer in, doch een fraai, groot, sneeuwwit ei. […] De jonkvrouw liet het ei spoedig naar buiten brengen, verliet ons zelf eveneens en sloot de deur, zoals steeds, achter zich dicht. […]

Wij moesten tezamen een kwartier wachten, totdat het derde gat geopend werd en wij, met behulp van onze werktuigen, op de vierde verdieping kwamen. In deze zaal troffen wij een groot koperen bekken aan, met geel zand gevuld, dat door een klein vuur verwarmd werd. Daarin werd het ei in het zand begraven, zodat het tot volle rijping kon komen. […] Ons ei was thans gereed en werd uit het bekken genomen. Het behoefde echter niet te worden opengepikt, daar de vogel die erin zat, zichzelf spoedig bevrijdde en zich verheugd toonde, hoewel hij er bebloed en vormloos uitzag.

Wij zetten hem eerst op het warme zand en de jonkvrouw beval ons, hem, alvorens hem te eten te geven, goed vast te binden, daar wij anders nog de handen vol met hem zouden krijgen. Hij werd dan ook vastgebonden en vervolgens gaf men hem wat te eten, hetgeen beslist niets anders was dan het bloed van de onthoofden, verdund met geprepareerd water. Hiervan groeide de vogel zienderogen zo snel, dat wij wel begrepen waarom de jonkvrouw ons voor hem gewaarschuwd had. Hij beet en krabde zo vijandig om zich heen dat, als hij iemand te pakken had kunnen krijgen, hij spoedig korte metten met hem zou hebben gemaakt.

Hij was nu volkomen zwart en daar hij wild werd, werd hem ander voedsel gebracht, misschien het bloed van een andere koninklijke persoon. Hierdoor vielen al zijn zwarte veren uit en groeiden er andere, sneeuwwitte veren voor in de plaats. Nu werd hij ook wat tammer en wat beter handelbaar, maar toch vertrouwden wij hem nog niet erg. Toen hij voor de derde keer voedsel kreeg, begonnen zijn veren zich hierdoor te kleuren. Ze werden zo mooi van kleur als ik in mijn leven nog nooit gezien had. Hij was nu ook buitengewoon tam en gedroeg zich jegens ons zo vriendelijk dat wij hem, met toestemming van de jonkvrouw, losmaakten.

Vervolgens sprak de jonkvrouw: ‘Nu de vogel door uw vlijt en met toestemming van onze Oude, het leven en de hoogste vervolmaking verkregen heeft, ligt het voor de hand dat hij door ons ook met vreugde ingewijd wordt.’ Daarop beval zij het middagmaal op te dienen, opdat wij weer wat op verhaal zouden komen, daar het moeilijkste werk voorbij was en wij er recht op hadden van de door ons verrichte arbeid te gaan genieten. […] !Na het middageten werd ons niet veel tijd gelaten voor de spijsvertering, want nadat de jonkvrouw mét de vogel was weggegaan, werd de vijfde zaal voor ons geopend, waar wij op de reeds eerder beschreven wijze aankwamen en waar wij onze diensten aanboden.

In deze zaal was voor onze vogel een bad gereed gemaakt, dat zodanig met een wit poeder gekleurd werd dat het er precies uitzag als melk. […] In dit bad verloor de vogel al zijn veren en werd zo glad als een mens. […] Tenslotte lieten wij de vogel los. Hij sprong zelf uit het bekken en was zo glanzend glad dat het een lust was hem te zien. […]

Intussen werd er onder het bekken een groot vuur gemaakt, zodat het badwater inkookte tot er uiteindelijk een blauwe steen overbleef. Wij namen deze eruit, stampten hem stuk en moesten hem vervolgens op een andere steen fijnwrijven en tenslotte de gehele huid van de vogel ermee beschilderen. Hierna was hij nog verwonderlijker om te zien, daar hij nu volledig blauw was, behalve de kop, die wit bleef.

Hiermee was ook op deze verdieping onze arbeid afgelopen en nadat de jonkvrouw met haar blauwe vogel was weggegaan, werden wij uitgenodigd door de opening op de zesde verdieping te komen, hetgeen ook geschiedde. Hier kwam een gevoel van grote beklemming over ons, aangezien er in het midden een klein altaar opgesteld werd, juist zoals ik in de koningszaal beschreven heb. Daarop stonden de zes eerder genoemde voorwerpen en de vogel zelf was de zevende. Eerst werd het kleine fonteintje voor hem geplaatst, waaruit hij een diepe teug nam. Vervolgens pikte hij in de witte slang, tot deze hevig begon te bloeden. Dit bloed moesten wij in een gouden schaal opvangen en het de vogel, die zich heftig verzette, in de keel gieten. Daarna hielden wij de kop van de slang in de fontein, waardoor zij weer opleefde en in haar doodskop kroop, zodat ik haar lange tijd niet meer zag. […]

Na verloop van tijd legde de arme vogel deemoedig zelf zijn hals op het boek en liet zich door één van ons, die daartoe door het lot was aangewezen, gedwee de kop afslaan. Er vloeide echter geen druppel bloed. Pas toen hij aan de borst geopend werd, sprong het bloed zo fris en helder tevoorschijn, alsof het een robijnen bron was. Zijn dood ging ons ter harte, maar wij konden wel begrijpen, dat wij met een naakte vogel niet geholpen zouden zijn. […] Wij ruimden het altaar af en hielpen de jonkvrouw het lichaam van de dode vogel op het altaar tot as te verbranden, met een vuur dat aan het licht ontstoken werd. Daarna reinigden wij deze as enige malen en borgen deze zorgvuldig op in een kastje van cypressenhout.

De muzikanten zeiden ons dat wij vrolijk moesten zijn en hen langs de wenteltrap moesten volgen, die ons tot boven de zevende verdieping, onder het dak, leidde. Daar troffen wij de oude man aan, die wij tot dat moment niet meer gezien hadden en die boven een kleine ronde oven stond. Toen kwam de jonkvrouw met haar kistje aanlopen, deed de as in een ander vat. […] Onze arbeid bestond hierin dat wij de as vochtig moesten maken met het water dat wij tevoren geprepareerd hadden, zodat het een dun deeg werd. Daarna plaatsten wij deze massa op het vuur, totdat zij goed heet was. Vervolgens goten wij haar, aldus verhit, in twee kleine vormpjes of modellen en lieten haar zo enigszins afkoelen. […]

Wij openden de vormpjes en zagen toen twee fraaie, stralende en haast doorschijnende beeldjes, als nog nimmer door mensenogen aanschouwd: een jongetje en een meisje, elk slechts vier duim lang. Wat mij het meest verbaasde was, dat zij niet hard waren, maar zacht en vlezig, als een mens. Toch bezaten zij geen leven, zodat ik stellig geloof dat ook het beeld van vrouwe Venus op deze wijze gemaakt was. Deze kinderen, als engelen zo schoon, legden wij eerst op twee satijnen kussentjes en keken er toen zo lang naar dat wij door dit bevallige tafereeltje geheel vertederd raakten.

De oude heer riep ons echter tot de orde en gaf ons opdracht het bloed van de vogel, dat in de gouden schaal opgevangen was, druppel voor druppel in de mond van de beeldjes te laten vloeien. Daarvan groeiden zij zienderogen en hoewel zij ook in hun kleine gestalte reeds schoon waren, werden zij, naarmate zij verder groeiden steeds schoner. […] De gestalten begonnen nu zo groot te worden, dat wij ze van de kussentjes moesten afnemen en ze op een lange tafel moesten leggen, die met wit fluweel bekleed was. De oude man droeg ons vervolgens op ze tot aan de borst met fijne witte, dubbele tafzij te bedekken, hetgeen wij, vanwege hun onuitsprekelijke schoonheid, haast met tegenzin deden.

Om kort te gaan, voordat het bloed op deze wijze geheel verbruikt was, hadden zij reeds de juiste volwassen grootte verkregen. Zij hadden goudblond krullend haar en het eerder genoemde beeld van Venus verbleekte, vergeleken bij hen, tot niets. Zij bezaten echter nog geen natuurlijke warmte of gevoel en waren nog als dode beelden, weliswaar met een levende, natuurlijke kleur. Om te voorkomen dat zij te groot zouden worden, mochten wij hun van de oude man niets meer geven. Met de doek dekte hij ook hun gelaat geheel toe en liet rondom de tafel fakkels aanbrengen.

Laat de lezer niet denken dat deze lichten noodzakelijk waren; de bedoeling van de oude was alleen, ons niet te laten merken wanneer de ziel in hen zou varen. Wij zouden dat dan ook niet opgemerkt hebben, indien ik niet tevoren al tweemaal de vlammen gezien had. Ik liet de andere drie echter maar in de waan en ook de oude wist niet dat ik iets meer gezien had. De oude man liet ons op een bank bij de tafel plaatsnemen, waarna spoedig ook de jonkvrouw verscheen met de muziek en alles wat er verder nodig was. Zij bracht twee fraaie witte gewaden mee, zo als ik ze in het slot nergens gezien had en die ik ook niet kan beschrijven, maar het leek mij dat ze van puur kristal waren. […]

Na vele ceremoniën traden zes jonkvrouwen binnen. Ieder van haar droeg een grote bazuin, die met een groene, licht brandbare stof als met een krans omwikkeld was. De oude man nam één van deze bazuinen in ontvangst en plaatste die nadat hij aan het boveneind van de tafel enkele fakkels had weggehaald en ook de bedekking van het gelaat van de beide mensvormen had verwijderd, op de mond van één van de lichamen en wel zo, dat het bovenste, wijde gedeelte van de bazuin precies gericht was op de genoemde opening in het dak.

Mijn metgezellen bleven voortdurend naar de gestalten kijken, maar mijn gedachten waren op iets anders gericht. Zodra de versiering of de krans om de buis werd aangestoken, zag ik hoe het gat erboven openging en een heldere vuurstraal door de buis naar beneden schoot en in het levenloze lichaam voer. Daarna werd de opening weer gesloten en de bazuin weggenomen. Door deze kunstgreep werden mijn metgezellen in de waan gebracht dat het leven door het vuur van de brandende versierselen in het lichaam was gekomen. Immers, nauwelijks had het de ziel ontvangen of het opende de ogen en sloot ze weer. Het bewoog zich echter nauwelijks.

Voor de tweede keer plaatste de oude man een bazuin op hun mond, stak de krans aan en liet de ziel door de buis naar binnen varen. Dit gebeurde bij elk van de beelden driemaal, waarna alle lichten werden gedoofd en weggenomen. De fluwelen tafelkleden werden weer over hen uitgespreid, terwijl er terstond een veldbed uitgezet en opgemaakt werd. Gewikkeld in de kleden werden zij daarin getild en, nadat de kleden waren weggenomen, voorzichtig naast elkaar gelegd. De gordijnen werden dichtgetrokken en zo bleven zij geruime tijd slapen. […]

Intussen zaten wij in stilte af te wachten wanneer het echtpaar zou ontwaken. Nadat er ongeveer een half uur verstreken was, verscheen opnieuw de baldadige Cupido, die, nadat hij ons één voor één begroet had, onder het gordijn door naar hen toe vloog en hen net zolang plaagde tot zij ontwaakten. Zij waren hogelijk verwonderd, daar zij niet anders dachten dan dat zij van het ogenblik dat zij onthoofd waren tot nu toe geslapen hadden. […]

Niet lang daarna kwam de jonkvrouw zelf. Nadat zij de jonge koning en koningin, die zich nog wat zwak voelden, eerbiedig had begroet en hen de hand had gekust, bracht zij hun de twee eerder beschreven fraaie gewaden, die zij aantrokken, waarna zij aldus naar voren traden. Reeds waren er twee fraaie zetels klaar gezet. Hierop namen zij plaats, waarna zij ook door ons met de grootste eerbied werden begroet. De koning in eigen persoon dankte ons allerminzaamst en verzekerde ons op zijn beurt van zijn gunst.

Het was nu reeds tegen vijf uur, zodat zij niet langer konden blijven. Zodra de voornaamste dingen ingeladen waren, moesten wij het jonge koningspaar begeleiden, de wenteltrap af, door alle poorten en langs alle wachters naar buiten, tot aan het schip. Daarin namen zij met enkele jonkvrouwen en de kleine Cupido plaats en voeren zo snel weg dat wij hen spoedig uit het zicht verloren. […]

Gedurende de avondmaaltijd was ook de oude heer bij ons en hield ons scherp in het oog. Niemand kon iets nog zo verstandigs te berde brengen, of hij wist het te weerleggen dan wel te verbeteren, of er althans een wijze lering over ten beste te geven. Van hem heb ik het meest geleerd en het zou goed zijn als een ieder zich naar hem zou richten en zijn leringen ter harte zou nemen. Het zou dan dikwijls niet zo slecht aflopen. Na afloop van de sobere maaltijd bracht de oude heer ons eerst in zijn kunstkabinetten, die zich hier en daar in de bastions bevonden. Daar zagen wij zulke wonderbare scheppingen der natuur, en ook andere dingen, waarin het menselijke vernuft de natuur had nagebootst, dat wij wel een jaar nodig gehad zouden hebben om alles te bekijken. Wij bleven er dan ook tot diep in de nacht, bij kaarslicht.

Toen wij tenslotte meer zin kregen te gaan slapen dan naar nog meer vreemde dingen te kijken, werden wij in vertrekken ondergebracht en troffen hier in de omwalling niet alleen uitstekende bedden aan, maar ook bijzonder luxueuze kamers. Het verwonderde ons daarom des te meer dat wij de vorige dag zoveel hadden moeten doorstaan. In deze kamer genoot ik een goede nachtrust, en daar ik nu grotendeels zonder zorgen was en ook vermoeid was van de onafgebroken arbeid, bracht mij het zachte ruisen van de zee in een diepe, rustige slaap, als een ononderbroken droom, die van elf uur tot de volgende morgen acht uur duurde.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *