Engelen en de negen engelenscharen, een gedeelte uit het boek ‘De mens en zijn engel’

BESTEL: DE MENS EN ZIJN ENGEL

Een hemelse hiërarchie wordt gevormd door wezens die allemaal uniek zijn. Dionysius vertelt ons dat er duizend maal tienduizend maal tienduizend maal engelen zijn. Er zijn er dus niet negen, dat is een symbolisch getal.

Verschillende auteurs gebruiken voor engelen en aartsengelen verschillende namen en geven ze ook verschillende functies. Met andere woorden, de namen die Dionysius gebruikt, zijn voor hem uitdrukkingen van iets wat veel meer omvat; hij gebruikt de namen die in de Bijbel voorkomen, vooral bij Paulus.

Aartsengelen zijn de engelen die, kabbalistisch gezegd, behoren tot de wereld van Briah, de wereld die te maken heeft met Gods denkvermogen. Dat wil zeggen dat die aartsengelen Gods denkvermogen weerspiegelen. En engelen behoren tot de mundus imaginalis, de wereld van Yetzirah, de wereld van de universele vormen. Engelen drukken zich uit in vormen; in concrete maar wel universele vormen, in levende symbolen.

Hoe dan ook, wanneer we over engelen spreken, hebben we te maken met levende symbolen. Levend betekent dynamisch, nooit vast te pinnen; zoals ook een mens nooit vast te pinnen is, hoe graag we dat ook willen.

Symbolen zijn veel concretere werkelijkheden dan onze zintuiglijke werkelijkheid én ze hebben altijd een meervoudige betekenis. Een symbool heeft in beginsel oneindig veel betekenissen; zonder aan de uniciteit van dat symbool tekort te willen doen, en zonder te zeggen dat daarmee álle betekenissen geldig geldig zijn, want dat is niet zo. De betekenis van een boom, bijvoorbeeld, is een heel andere dan die van een rivier.

Maar als ik het symbool van een boom of een rivier zou willen begrijpen, zouden er boeken vol over geschreven moeten worden, en dan nog hebben we zijn betekenis niet uitgeput. Zo is het met de engelen ook, het zijn levende symbolen.

Dionysius groepeert de engelen in 3 groepen van 3. Er zijn drie graden, en elke graad is drievoudig. De dienaren in het Heilige der Heiligen zijn de eerste drie engelen, de Serafs, de Cherubs en de Tronen. De Serafs, de Cherubs en de Tronen bevinden zich zo dicht bij de Heilige dat daar verder niets meer tussen zit.

De Serafs of Serafijnen zijn die engelenkrachten die te maken hebben met het voortdurend één zijn met de Heilige, met vurig verlangen. Zij zijn zo vol liefde voor de Heilige, dat ze praktisch één zijn met de Heilige; toch blijven ze zichzelf.

De Serafs kunnen ons leren om op die wijze de Heilige lief te hebben, want de mens is een microkosmos, dus ook in de mens kan een Seraf aanwezig zijn. De mens kan ook de kwaliteit van een Seraf hebben en tegelijkertijd mens blijven. Maar als de Serafs alleen zouden zijn, zouden ze als motten in de vlam terechtkomen. Daarom worden ze in evenwicht gehouden door de Cherubs.

De Cherubs of Cherubijnen hebben te maken met het denken, met kennis, met inzicht en met verlichting. Verlichting is een fase op de mystieke weg die te maken heeft met kennis en onderscheiding maken. Die onderscheiding zorgt ervoor dat de drang tot eenwording juist net in toom wordt gehouden door de drang tot differentiatie.

De derde engelenkrachten die rond de Troon van de Heilige zitten, worden de Tronen genoemd. Zij zijn de engelen waardoor het Heilige zich uitdrukt, waarop de Heilige verschijnt en waarop het Heilige weergegeven en doorgegeven wordt. Het zijn de engelen die ervoor zorgen dat de kracht van de Heilige zuivering geeft aan alles om ze heen.

De volgende zes engelen behoren tot de Heilige Plaats van de tempel. Zij corresponderen daarmee en behoren tot de mundus imaginalis, de wereld van Yetzirah; zij zijn als 2 x 3 gegroepeerd.

De ondersten in het schema, de engelen, Aartsengelen en Vorstendommen, zijn die engelengroepen die zich vooral richten op de mensen; zij zijn ons het meest nabij. De Engelen, waaronder onze beschermengel, zijn de engelen die ons leiden naar eenwording met de Heilige, naar onze plaats, onze roeping.

De Aartsengelen zijn de engelen die ons boodschappen brengen. Denk aan Gabriël, die de Koran bracht en die tegen Maria zei dat zij zwanger zou worden van de Zoon van God. Het zijn de engelen die kennis en verlichting geven, zodat wij weten wat wij op onze plaats moeten doen. Zoals Gabriël tegen Maria zei: ‘U bent waardig gevonden om het kind te ontvangen’.

Als wij ons op onze plaats bevinden zijn wij ook waardig, want iedere plaats is een waardige plaats. De Vorstendommen, ten slotte, zijn die engelenschare die ons helpen om gezuiverd te worden; om van onze fascinaties af te komen.

Dan hebben we nog de tussenlaag van de Overheden, soms ook Deugden genoemd, de Heerschappijen en de Krachten die als het ware bemiddelen tussen, aan de ene kant de Serafs, Cherubs en Tronen, en, aan de andere kant, de drie engelengroepen die vooral met de mens verbonden zijn.

De Overheden/Deugden zorgen ervoor dat de kracht van de Serafs en de kracht van de Engelen met elkaar verbonden blijven. Het is mooi dat ze soms Deugden worden genoemd, want wanneer wij die kracht mogen ontvangen, wordt ons onze deugden gegeven. In de traditie noemen we dat theologale deugden. Wij kunnen niet deugdzaam zijn.

Wij kunnen heel erg ons best doen eerlijk te zijn, geen kwaad te spreken, enzovoort; dat moeten we ook vooral doen, maar we kunnen het pas echt als ons de kracht daartoe gegeven wordt. Als we de deugden krijgen, zijn we één met de Heilige, want dan hebben we de Deugden ontvangen. Maar we kunnen de deugden pas ontvangen als we eerst gezuiverd zijn door de Krachten en als we de kennis hebben ontvangen van de Heerschappijen.

Al deze negen engelen hebben alles te maken met de Zielen. Vandaar dat helemaal onderaan de Zielen staan. Bovenaan staat God getekend waar die negen engelen uit voortkomen. Je zou ook kunnen zeggen dat ze allemaal weer samenkomen in de zielen. Het is beslist niet zo dat het Heilige zich ergens ver weg bevindt met alle engelenscharen daartussenin, want engelen zijn concrete manifestaties van het Heilige.

Het moge duidelijk zijn dat in het hele verhaal van Dionysius het er niet om gaat dat je bevrijd wordt of dat je een heerlijk leven zult hebben. Daar heeft hij het niet over. Het is de taak van de mens om het web van de schepping, of het kristallen paleis, of welk ander prachtig beeld ook, te laten zijn zoals het bedoeld is. De Grieken zeggen ‘kosmos’: juweel.

Het is de taak van de mens eraan bij te dragen om het juweel dat de schepping had moeten zijn, weer te laten glanzen als een juweel. Omdat de Heilige daarnaar verlangt. Daarom heeft hij de wereld geschapen; dat is zijn grote liefde. Wat kunnen we anders doen als dank voor de liefde die wij ontvangen op elk moment – anders zouden wij niet meer bestaan – dan die liefde terug te geven en ervoor te zorgen dat het juweel weer gaat glanzen.

Bron: De mens en zijn engel, Daniël van Egmond

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *