De beschermengel, tekst uit ‘De mens en zijn engel’ van Daniël van Egmond

BESTEL DE MENS EN ZIJN ENGEL

Wat is onze ziel? De ziel is de adem die ons gegeven wordt. Die adem is een universele adem, de adem van de Heilige. Die adem blaast overal en als hij door een bepaalde mens ontvangen wordt, neemt hij een bepaalde kleur aan. Je zou kunnen zeggen dat er dan een zekere mate van individualisatie plaatsvindt.

Als een kind pas geboren is, kan die adem nog heel diep komen; niet alleen fysiek, maar ook innerlijk, want er is niets wat die adem tegenhoudt. Zo zou je kunnen zeggen dat in de eerste jaren van ons leven een begin van de groei van de ziel plaatsvindt en dat de ziel een zekere mate van individualiteit krijgt, een kiem van individualiteit.

Tegelijkertijd wordt er, na onze geboorte, aan ons gewerkt door onze ouders en door onze omgeving. Daardoor krijgen wij ook een psychische structuur, een persoonlijkheidsstructuur. Die hebben we ook nodig om in deze wereld te kunnen leven en op aarde te bestaan.

Deze persoonlijkheidsstructuur gaat vervolgens een barrière vormen tussen de hemelen en de aarde. Een barrière die nodig is, want een kind zou niet in staat zijn zonder deze barrière deze werelt te ervaren. Een kind zou anders, net als een pasgeboren baby, nog volledig deel blijven uitmaken van de hemelen.

Zoals ook in het Lied van de Parel verteld wordt, moet dit kind naar Egypte gestuurd worden en, of hij dat nou wil of niet, zijn afkomst vergeten. Het kind moet eerst ‘mens‘ worden, een concreet, psychisch, individu. De ziel kan zich dan heel snel niet meer uitdrukken in dit kind en de psychische structuur begint steeds sterker te worden.

Daar is niets mis mee, want, zoals gezegd, die structuur is eerst nodig om mens te zijn. Wanneer echter de psychische structuur voltooid is en het kind volwassen is geworden, moet het verlangen naar de weg terug wel steeds sterker worden. Want onze beschermengel roept ons opnieuw wakker te worden, opdat de ziel in ons weer geboren kan worden.

Wat is de ziel? Eenvoudig gezegd, is de ziel de verbinding tussen de Heilige en ons. Zoals ook de adem de verbinding is tussen de Heilige Geest en ons. Deze verbinding dringt echter niet tot ons bewustzijn door. Dat betekent dat de ziel zich niet in de persoonlijkheid kan uitdrukken.

Het betekent ook dat de persoonlijkheid helemaal wordt opgenomen in Egypte, dat wil zeggen, in de wereld van het zintuiglijke en het psychische. Daardoor zijn we niet meer ontvankelijk voor de Heilige, en kan de Heilige dus ook niet tot ons doordringen. Tenzij er een middelaar is die deze kloof overbrugt.

Deze middelaar is onze beschermengel. Je zou, vanuit een bepaald gezichtspunt, kunnen zeggen dat er bij onze geboorte een engel geschapen wordt die als functie heeft ons te beschermen en tegelijkertijd de ruimte te zijn waarin wij bestaan.

Als wij in meditatie proberen ruimte te zijn, is dat feitelijk om ons bewust te worden van het lichaam van die engel die ons voortdurend omhult en beschermt. Wijzelf zitten in die ruimte als een in zichzelf opgesloten ego dat meent dat alles wat het ervaart of denkt of voelt het enige is dat bestaat. Het is onze engel die er echter voor zorgt dat we, ondanks die bewustzijnsvernauwing, toch voortdurend verbonden blijven met de Heilige.

Wanneer de persoonlijkheid niet al te eigenwijs is, of is opgevoed met gebedspraktijken of meditatie en vertrouwd is met symbolen en daardoor al wat transparanter geworden is, is dit verlangen daardoor al sterker. Dat is het moment waarop het ware gebed kan beginnen.

Het is het moment dat het gebed niet alleen maar woorden is die je geleerd hebt en die uit het hoofd komen, maar dat er gebeden of gemediteerd wordt vanuit een verlangen. Door daar uitdrukking aan te geven geef je de kracht die je hebt ontvangen, weer terug, en in die beweging van ontvangen en geven kan de ziel sterker worden en geboren worden.

Dan kan er, in ons, een ander gaan ontstaan dan wijzelf en kan, zoals de Bijbel zegt, ‘Christus in ons geboren worden’. Maar hiermee wordt niet mijn ‘hoger zelf bedoeld‘ zoals Mani dat wel noemt. Overigens leefde Mani in een tijd dat het ‘hoger zelf‘ nog niet door Jungiaanse en andere interpretaties was misvormd en daarover geen misverstanden konden ontstaan.

Tegenwoordig wordt vaak gedacht dat het ‘hogere zelf‘ bij mijzelf behoort, dus bij de persoonlijkheid, maar dit ‘hoger zelf‘ is een ander dan ikzelf. Het is de ziel. Pas wanneer de ziel sterk genoeg is geworden en daarmee in ons is ‘geboren‘, kan de ziel verbinding maken met de persoonlijkheid. Op dat moment heeft de beschermengel geen functie meer, want de barrière hoeft nu niet langer overbrugd te worden.

Zo kun je, vanaf beneden en op een rationele wijze bekeken, de functie van de beschermengel zien als de plaats of de ruimte die wij zijn. De ruimte waarin al onze gedachten, gevoelens, wilsimpulsen en emoties plaatsvinden. Maar omdat het voor ons heel moeilijk is aanwezig te zijn, ruimte te zijn en in het hier-en-nu ter zijn, zijn we ons in ons dagelijks leven niet bewust van de aanwezigheid van die engel.

Deze engel is dus de plaats waarin wij leven. Een beschermengel is ook de plaats en de ruimte waarin de Heilige aan ons kan verschijnen, in overeenkomst met onze kwaliteiten. In die zin is de beschermengel mijn tweeling, want als ik mijn beschermengel mag zien, zie ik mijzelf. Dat wil zeggen, ik zie in de spiegel van mijn hart mijn huidige kwaliteit weerspiegeld, omdat dit de enige manier is waarop mijn engel zich kan tonen.

De beschermengel heeft dus de vorm, de structuur en het gewaad van de kwaliteit van mijn innerlijk, van mijn wezen, van de ‘persoon‘ die ik ben. Het kan ook zijn dat mijn kwaliteit van dien aard is dat ik een afzichtelijke persoon ben. Dan zal de beschermengel niet langer een engel zijn, maar een demon.

En dan zal het kleed dat ik draag, geen bruiloftskleed zijn, maar een kleed dat tot de aarde behoort. Zodat, als ik sterf, dit kleed eveneens verloren zal gaan; en omdat er dan geen bruiloftskleed overblijft, kan ik ook niet tot de bruiloft worden uitgenodigd. Een beeld dat we, weliswaar met andere symbolen, in bijna alle tradities tegenkomen.

Wanneer dus Mani zegt dat de beschermengel zijn ‘tweeling’ is, dan klopt dat ook. Die beschermengel was er voordat ik geboren werd. De adem was er voordat ik geboren werd. De ruimte was er voordat ik geboren werd. Maar de vorm waarin dit alles kan verschijnen, is afhankelijk van wie ik ben.

In dat prachtige ‘Het Lied van de Parel‘ verschijnt de engel als een boek, als een vogel en als een woord; allemaal vormen waarin een engel kan verschijnen. En dat boek of dat woord kan alleen door mij verstaan worden als het in overeenstemming is met mijn kwaliteit.

Met andere woorden, de Heilige zal zich altijd uitdrukken op een manier die aan ons is aangepast. Wanneer ik bijvoorbeeld in een toestand van bewustzijnsvernauwing verkeer, zal de aanwezigheid van de Heilige voor mij uiterst subtiel zijn, want deze aanwezigheid kan niet door mijn beperkingen heenkomen.

Alleen als ik stil wordt, letterlijk stil en niet meer achter alles aanren, zullen deze beperkingen minder worden. Als ik dan op zo’n stille plaats ga bidden of mediteren, zal ik misschien de rust vinden om de plek te vinden van mijn mystieke hart en me zelfs te openen voor dit mystieke hart.

Misschien dat ik dan iets van het verlangen naar de aanwezigheid van de Heilige, naar die beschermengel, mag gaan ervaren.Stil zijn, een stille plaats vinden temidden van de drukte van deze wereld, is uiterst essentieel om ‘mens’ te kunnen worden. In die zin wordt het ons tegenwoordig ontzettend moeilijk gemaakt, en wat dat betreft bevinden we ons allemaal in Egypte.

En toch is er voortdurend een vogel of een boom of een zon die ons kan raken en kan wakker maken en ons in het hier-en-nu kan laten zijn. Zodat we ons bewust worden van het lichaam van onze beschermengel, die de ruimte is waarin we bestaan.

Bron: De mens en zijn engel van Daniël van Egmond

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *