De erfenis van Carl Gustav Jung – het collectieve onbewuste, individuatie en synchroniciteit – Pentagram 2016 nummer 4

Carl Gustav Jung (1875-1961) is geboren in de late negentiende eeuw, toen door het optimistische geloof in de menselijke vooruitgang de empirische wetenschap in volle opmars was. Die wilde alles herleiden tot de meetbare resultaten van objectieve waarnemingen, tot de proporties van wat berekend kan worden. Op die manier werd de mythische en religieuze wereld onomkeerbaar geklasseerd als irrationeel en slechts een lege illusie. Hemel en hel werden geheel en al onzichtbaar, en goden en demonen zonder uitzondering dood en begraven. Jung, die aanvankelijk natuurkunde wilde studeren en later misschien interne geneeskunde, streefde ernaar de geloofwaardige wetenschapper te worden zoals hij dacht dat men van hem verwachtte. 

Maar naast dit alles was er, reeds vanaf zijn vroegste jeugd, die mysterieuze invloed, hoewel in de aanvang zeer verborgen en amper waarneembaar. Hij werd opgevoed door een moeder met paranormale en zelfs mediamieke gaven, die haar zoon meenam naar de spiritistische séances die binnen de familie werden georganiseerd. Minder beïnvloed door een vrij zwakke vaderfiguur dan door twee opmerkelijke persoonlijkheden als grootvader: van moederszijde een bekend linguïst in de Hebreeuwse taal en antistes of voorganger in zijn kerk, die van vaderskant op een gegeven moment zelfs rector magnificus van de universiteit waar hij doceerde en bovendien als grootmeester aan het hoofd staande van de verenigde Zwitserse vrijmetselaars. Er ging zelfs het gerucht dat hij de natuurlijke zoon zou geweest zijn van Goethe, iets waar Jung zelf heimelijk van genoot. 

Als klein jongetje had Jung trouwens zelf ook spirituele ervaringen, in de vorm van vreemde initiatiedromen. Diep van binnen wist hij niet alleen een kind te zijn maar ook een oude, wijze man, die leefde in vroegere tijden. Geen wonder dat toen hij opgroeide hij ook een verwoed lezer werd van inspirerende denkers, die elk ook hun eigen inwijdingsweg waren gegaan, zoals Nietzsche, Goethe (fakkeldrager van het Rozenkruis 11) en Swedenborg, en Schopenhauer, Meister Eckehart en Boehme (fakkeldrager van het Rozenkruis 7). 

Jungs Zofingia-lezingen weerspiegelen dit op heldere wijze. Dat waren toespraken die hij hield tussen 1896 en 1899, toen hij studeerde aan de universiteit van Bazel, een stad waar de geest van Paracelsus (fakkeldrager van het Rozenkruis 1) nog rondwaarde. Door deze lezingen heen schemert tevens een gnostiek pessimisme, zeker waar hij zegt:

‘We hebben veel te veel vertrouwen in deze wereld, we geloven veel te sterk dat geluk af te leiden is van succes, niettegenstaande dat de allergrootsten, Christus en de wijzen van alle tijden, ons leren en aantonen dat we juist het tegendeel dienen te doen. (…) Sinds kort lijken mensen dit vergeten te zijn en willen er niet meer aan herinnerd worden dat alle transcendentale wereldvisies pessimistisch zijn. Zij hebben elke vorm van metafysica uitgebannen en houden met een aan idiotie grenzende naïviteit mooie toespraken over een ethiek, vrij van alle metafysica, wat uiteraard resulteert in het meest ergerlijke optimisme.’

Volgens ons niet echt wat je van een toekomstig wetenschapper zou verwachten. Eigenaardig genoeg zijn het de wetenschappers zelf – we denken aan Charcot, Janet, Breuer en natuurlijk Freud – die het vreemde verschijnsel van het onbewuste hebben ontdekt. Eerst was dit bekend als een onderbewustzijn, iets wat minderwaardig is ten opzichte van de bewuste gedachten en dat teruggaat tot een ver verleden in de kindertijd, aan de oppervlakte komend in de vorm van afwijkende reacties, neurotisch en psychotisch gedrag. Als een subjectieve wereld van dromen verstoort dit onderbewuste van binnenuit vaak elk rationeel gedrag en wordt daarom door onze redelijke visie en bewuste gedachten streng onderdrukt. 

Dus toen de wetenschap van die tijd de wereld van geloof en bijgeloof herontdekte, werd het nog altijd beschouwd als een soort mentale ziekte. Deze kon alleen maar door hypnose, droomanalyse of vrije associatie worden behandeld en genezen. ‘Wo Es war soll ICH werden’ (waar het onderbewuste was, moet nu het bewuste zijn). Freud hoopte dat zijn collega Jung de loyale vertegenwoordiger zou worden van dit motto, en beschouwde hem als een betrouwbare opvolger. Maar na hem enkele jaren te hebben gesteund, wijzigde Jung zijn opvatting van het onbewuste op vrij radicale wijze.

Werkzaam in de kliniek van Bürghölzli in Zürich was hem namelijk opgevallen dat er iets zinvols was aan het zogenaamd zinloze gebral van zijn psychotische en schizofrene patiënten en dat hun gevoelsgeladen complexen een geheime bedoeling inhielden. En wat meer is: hij zag een opvallende gelijkenis tussen de lukrake voorstellingen bij zieke mensen en bijvoorbeeld religieuze beelden, gnostieke inzichten, en de riten van antieke mysteriën. 

Overtuigd als hij was dat het onbewuste niet enkel een persoonlijke en subjectieve afwijking was van een objectieve werkelijkheid, verwierp Jung uiteindelijk de freudiaanse hypothese. Hij beschouwde het niet meer als een afvalreservoir van verdrongen inhouden maar als een onafhankelijke psychische natuur, in staat om bovenpersoonlijke beelden voort te brengen, die dezelfde bleken te zijn in verschillende tijden en verschillende culturen. Nog belangrijker voor Jung als psychiater: het was zijn grote wens dat communicatie met de diepere lagen van dit onbewuste de ziekten van mensen zou kunnen genezen, of er tenminste toe zou kunnen bijdragen om zichzelf te helpen. 

Zo betrad Jung het objectieve veld van onderzoek naar wat hij eerst de dominanten van het onbewuste noemde en later archetypen, naar Plato, Augustinus en de hermetische bronnen. Na diepgaande studie van vergelijkende mythologie, cultuurgeschiedenis en godsdienstwetenschappen, als een soort innerlijke natuurkunde, was hij in staat om de psychische energie te volgen die schuilging achter de schepping van symbolen, achter de verbeelding, de imaginatie. Lege en dode beelden uit een ver verleden werden weer tot leven gewekt.

In die tijd beschikte hij om dit alles te verklaren echter nog niet over een ander interpretatiekader dan dat van Freud, dat elk symbool uitlegde in termen van seksuele energie of libido. Dit veroorzaakte bij Jung een diepgaand innerlijk conflict in de eigen ziel, vereenzelvigd met de libidoheld of in mythische termen: de zonneheld, die in een nachtelijke zeereis diende te strijden met het monster van het onbewuste, dat hem bijna ombracht. Onbewuste energieën overweldigden hem als vreemde, donkere machten. 

Freud, die zijn ‘mysticisme’ krachtig afwees, voelde zich door hem bedrogen en bande hem uit zijn kringen. Na zijn breuk met Freud kwam Jung terecht in een serieuze depressie, die door sommigen een creatieve ziekte wordt genoemd, op de rand van een psychose. De spirituele wereld die hij ‘onbewust’ had gekend toen hij jong was en die voor een hele tijd verdwenen was, stond nu in zijn eigen leven gereed om weer tot leven te komen als een belangrijke, maar even gevaarlijke factor. 

Zonder enige bescherming wilde hij zich nu zelf onderwerpen aan een gelijkaardige geestesgesteldheid als zijn eigen patiënten en dat doorstaan, waar zij zelf doorheen gingen. Zo begon hij rond die tijd, tussen 1913 en 1916, een dagboek bij te houden waarin hij in een semi-religieuze taal al zijn dromen en visoenen neerschreef. Dit werd later bekend als het Rode Boek, bijna honderd jaar na datum gepubliceerd, ingeleid en uitgebreid van voetnoten voorzien door Sonu Shamdasani (die in Londen als gast aanwezig was). Dit boek bevat dus Jungs verslag van zijn eigen queeste naar zijn ziel. Laat ons even de teneur van zijn eerlijke belijdenis aanhoren: 

‘Mijn ziel, waar zijt gij, hoort ge mij, want ik spreek, ik roep u. Zijt ge daar, ik ben teruggekeerd, ik ben hier terug. Ik heb het stof van alle landen van mijn voeten geschud, ben tot u gekomen, en ik ben nu met u. Na lange jaren van dwalingen ben ik tot u weergekeerd. Wilt gij horen van al het lawaai van het leven en de wereld? 

Het enige wat ik geleerd heb, is dat men zijn eigen leven moet leiden. Dit leven is de weg, de lang gezochte weg naar het onuitsprekelijke dat we “goddelijk” noemen. Er is geen andere, alle andere wegen zijn dwaalwegen. Ik heb nu de rechte weg gevonden die me geleid heeft naar u, naar mijn ziel. Ik kom terug, tot rust gekomen en gelouterd… Mijn ziel, mijn reis gaat van nu af voort met u. Ik wil met u gaan, en ingaan tot mijn eenzaamheid. De geest der diepten dwingt me ertoe dit te zeggen en dit terzelfdertijd tegen mezelf in te ondergaan, en tegen mijn eigen verwachtingen in. 

Ik werkte als misleid door de geest van deze tijd en dacht aldus veelvuldig na over de menselijke ziel. Ik dacht en sprak veel over de ziel. Ik kende er vele geleerde woorden voor, beoordeelde ze en behandelde ze als een wetenschappelijk object. Ik kwam niet tot de overweging dat mijn ziel nooit het voorwerp kan zijn van mijn eigen oordeel en kennis, want veeleer zijn dat oordeel en die kennis op hun beurt voorwerp van mijn ziel. Daarom dwingt de geest van de diepten mij om tot mijn ziel zelf te spreken, haar aan te roepen als een levend en werkelijk bestaand wezen. Ik moest me ervan bewust worden dat ik mijn ziel was kwijtgeraakt’. 

Deze verzuchtingen komen uit de bodem van Jungs hart, zijn schreeuw om bevrijding uit de gevangenis van de toenmalige wetenschap. Hoewel je in dit indrukwekkende boek de echo kan horen van de grote werken uit de wereldliteratuur, spreekt hierin het meest van al de taal van de gnostici. Daar had Jung mooie hymnen van gelezen die hem aangereikt waren door de theosoof G.R.S Mead. Veel later heeft Jung hem nog thuis in Londen bezocht om hem persoonlijk te bedanken voor de schitterende vertaling en uitgave van deze teksten. 

Nog even tussendoor: Jung noemde de gnostici zijn enige ware vrienden, die hem op deze eenzame afdaling naar de diepten van het onbewuste hadden bijgestaan, hoewel hij ze in die tijd nog niet ten volle kon begrijpen, omdat het hem ontbrak aan de noodzakelijke schakel van de alchemie, die hij pas later ontdekte. Hij beschouwde de gnostici als de eerste psychologen die de impulsen vanuit het onbewuste werkelijk hadden verstaan en die ze vertaald hadden in een mythologisch wereldbeeld, veel rijker dan de katholieke kerk ooit had kunnen doen in haar starre dogma’s. 

In het Rode Boek vind je ook de blauwdruk van Jungs eigen theorievorming, al heel gauw ‘analytische psychologie’ genoemd. Gebaseerd op deze nieuwe theorie, richtte hij in 1916 zijn eigen ‘Psychologische Club van Zürich’ op. Kort na de oorlog bracht hij deze dan in Londen voor het eerst naar buiten, naar aanleiding van een reis naar Cornwall en de rest van het westen van Engeland, waar de graallegende nog steeds voortleeft. Deze analytische psychologie was ontstaan uit het samenkomen van twee stromen: de ene direct vloeiend uit de diepten van zijn eigen irrationele wereld, als in een droom of een profetisch visioen. De ander moest dienen als een bescherming tegen de gevaarlijke wereld van het onbewuste. 

Inderdaad kwam deze psychische wereld hem voor als zeer ambivalent: een positieve en leven voortbrengende, maar tegelijk een verschrikkelijke en verslindende moeder, die het bewustzijn van het nog jonge ego naar het leven staat. Dit was de innerlijke natuur in zijn meest duale en verwarrende vorm. 

Bovendien zag Jung hierin de creatieve bron van de religie, de religieuze dogma’s en rituelen, voorheen vertegenwoordigd door de geïnstitutionaliseerde kerken, die daarnaast een collectief geloof oplegden. Nu deze instituten in grote mate aan impact op het bewustzijn van mensen hadden ingeboet, was het voor Jung belangrijk een rechtstreekse dialoog aan te gaan met de onbewuste energiestromen. Een persoonlijke confrontatie was nodig, met als doel een autonome en hele persoon te worden, een individu in balans met zowel de bewuste als de onbewuste zijde van zijn leven. Jung was ervan overtuigd dat dit enkel mogelijk was door een proces van integratie, dat hij individuatie noemde, of in het Duits Selbstverwirklichung. 

Dit proces moest aanvangen met het doorprikken van de vele valse maskers van de persona, het sociale en morele gedrag, bepaald door de invloed van het collectieve bewustzijn, om daarop volgend in de loop van een proces van actieve imaginatie (het activeren van persoonlijke symboolvorming) geconfronteerd te worden met de donkere krachten van eerst het persoonlijke en daarna het collectieve bewustzijn, herkenbaar in een schaduwfiguur, die men dient te integreren.

Daarna moet er gestreden worden met de dualiteit van het leven, voor een man houdt dit in de worsteling met de anima of het innerlijk vrouwelijke, voor een vrouw met de animus of het innerlijk mannelijke. Dat zijn, met andere woorden, de projecties van de eigen gepolariseerde ziel en, meer algemeen, het leven in al zijn ambiguïteit. Later verwerft men dan de mogelijkheden om lessen te ontvangen van de oude wijze, of de mana-persoonlijkheid en daarachter werkzaam het archetype van de geest, dit alles op gevaar af dat men er onderworpen aan raakt of verkeerdelijk mee geïdentificeerd. 

Enkel door de realisatie van het eigen zelf, door het transformeren en introjecteren van de energieën die corresponderen met al deze voorstellingen, en vooral zonder het ego met het zelf te vereenzelvigen, kan men het doel van de lang verwachte heelwording bereiken. Uiteraard kan dit enkel het resultaat zijn van een voortdurend proces van differentiatie en integratie. 

Gewapend met deze nieuwe psychologische inzichten in de werking van het onbewuste, meende Jung een belangrijke sleutel in handen te hebben waarmee hij deuren kon openen die voordien lange tijd gesloten waren gebleven. Hij maakte oude waarheden toegankelijk voor de moderne mens, door het verzamelen en vergelijken van empirische gegevens, die hij uit de meest uiteenlopende bronnen bijeen had gebracht. Door ze te ontdoen van hun metafysische achtergrond slaagde hij erin deze waarheden in een specifieke taal uit te leggen, die iedereen gemakkelijk leek te kunnen verstaan: die van de dieptepsychologie. 

Met het risico alles te psychologiseren, alles te herleiden tot een psychologisch gezichtspunt, was het zijn heimelijke bedoeling de beperkte en vernauwde visie van de moderne mens open te breken en bovendien spirituele boeken toegankelijk te maken voor een breed publiek, zoals het Tibetaanse Boek van de grote Bevrijding, Het Geheim van de Gouden Bloem, en middeleeuwse alchemistische traktaten, zoals ‘Aurora Consurgens’ en het ‘Rosarium Philosophorum’.

Op een objectieve en neutrale manier, bijna als een buitenstaander, slaagde hij er tevens in astrologische horoscopie, het gebruik van tarotkaarten en de I Tjing bespreekbaar te maken, zonder de verdenking op zich te laden een propagandist te zijn of een simpele aanhanger. Met zulk een open en onbevangen instelling werd Jung zowat de centrale figuur op de Eranos-conferenties te Ascona, waar spraakmakende geleerden van zijn tijd uit de meest diverse disciplines zich verzamelden, zoals James Hillman, Henri Corbin, de onlangs in Amsterdam herdachte gnosiskenner Gilles Quispel en vele, vele anderen.

Wat meer is, hij trachtte oplossingen te vinden waarmee hij de westerse mens en de westerse cultuur kon genezen. Als een echte zieledokter wilde hij de graalkoning Amfortas uit de graallegende helen van zijn wonden. In de ziekte van deze visserskoning herkende hij zijn eigen vader, de parochieherder die ernstig leed onder zijn eigen geloofstwijfels en die de genade niet mocht kennen van de levende ervaring van de heilige geest, die Jung op een zeer directe en persoonlijke wijze wel dacht te hebben ontvangen.

Jung vond daarbij heel wat inspiratie in de alchemistische symboliek. Lang voor de komst van de dieptepsychologie vermocht deze de eenzijdigheid te compenseren van het christelijke geloof. Zo hadden de alchemisten bijvoorbeeld symbolen voor een eigen verlosser: de steen der wijzen, die lood kon veranderen in goud.

Volgens Jung vonden ze daarmee nieuwe wegen om de goddelijke incarnatie voort te zetten, niet alleen in een unieke historische figuur als een volmaakte godszoon, maar ook in de onvolmaakte materie, in de psyche van elk mens. Niet alleen in een collectieve geloofsopvatting, maar ook in een actuele zelfrealisatie. Lang na de gnostici openden ze daarmee de poort voor een nieuw begrip van dogmatische formuleringen van bijvoorbeeld de triniteit, de kruisiging en opstanding, en van rituele praktijken als de misviering en de doop. 

Tijdens de toepassing van zijn eigen concepten op de alchemistische symbolen, gebeurde er iets heel vreemds. Jung zag hierdoor niet alleen zijn eigen theorie bevestigd, maar voelde zich genoodzaakt de inhoud van zijn begrippen te veranderen, te verdiepen, te verbreden, te gaan herzien in een veel breder perspectief. Zoals toen hij symbolen wilde begrijpen als de lapis philosophorum, het corpus glorificationis of het diamanten lichaam, de archeus van Paracelsus, de scintillia of lichtvonk van de manicheeën, het consolamentum van de katharen, of meer bepaald, in zijn magnum opus Mysterium Conjunctionis, De Alchemische Bruiloft van de Rozenkruisers Manifesten. 

Zo kwam hij aan de grenzen van de psychologische wetenschap, zoals hij reeds vaststelde in een van zijn Tavistock-lezingen die hij in Londen hield in 1935 aan het Instituut voor medische psychologie voor een publiek van artsen en psychotherapeuten. ‘Hoe dieper je doordringt tot de fundamentele problemen van de psychologie, des te meer kom je in de buurt van ideeën die met filosofische, religieuze en morele vooroordelen beladen zijn. Daarom moet je bepaalde zaken met de uiterste voorzichtigheid behandelen.’ Aldus Jung (Grondslagen van de Analytische Psychologie, p. 78). 

Lange tijd bleef Jung volhouden dat het uitsluitend om een puur psychologisch proces ging. Heel goed wetend wat de spirituele of metafysische implicaties waren, weigerde hij er meer over te zeggen. Hij wilde immers beschouwd blijven worden als de empiricus die hij was bij de aanvang van zijn loopbaan: ‘First facts, then theories,’ (‘Eerst de feiten, daarna pas de theorie’). 

Ondertussen zijn we ervan overtuigd dat zijn agnosticisme niet van het soort was als dat van Darwin of Freud. Het had veel meer weg van de mystieke onwetendheid uit ‘de wolk van het niet-weten’ of de onuitsprekelijke Stilte van de gnostici, het Ain Soph van de kabbalistische joden, of van de Ungrund, zoals Jacob Boehme dat noemde.Ter gelegenheid van een interview, in 1959 uitgezonden op de BBC, toen John Freeman hem vroeg of hij geloofde, schudde Jung heftig het hoofd, maar toen hij zei: ‘I don’t believe … I know,’ klonk zijn antwoord toch nog zeer dubbelzinnig. 

Zelfs in zijn Late Gedachten schreef hij: ‘Bij gebrek aan empirische feiten weet noch ken ik het soort zijnsvormen, dat gewoonlijk met ‘geestelijk’ wordt aangeduid. Met het oog op de wetenschap doet het niet ter zake wat ik daarover geloof. Ik moet genoegen nemen met mijn onwetendheid. (…) Al het begrijpen, al het begrepene, is op zich psychisch en in zoverre zijn we hopeloos gevangen in een uitsluitend psychische wereld. Desondanks hebben we redenen genoeg om te veronderstellen dat achter deze sluier het ons bewerkende en beïnvloedende, maar onbegrepen absolute object bestaat, ook in die gevallen, vooral in die van de psychische verschijningen, waar geen reële feiten geconstateerd kunnen worden.’ (Herinneringen, Dromen, Gedachten, p. 301)

De vraag die echter rijst is of Jung, aan de rand van het beloofde land dat hij wilde verkennen, niet leed aan een vorm van agorafobie, bang als hij was voor de wijde leegte van de oneindigheid. Maar terzelfdertijd probeerde hij wel zijn basisbegrippen te herdefiniëren, vooral na zijn hartaanval en bijna-doodervaring in 1944. Zo ging hij heel duidelijk aangeven dat wat hij archetypen noemde slechts de psychische ‘imprint’ kon zijn van een ‘archetype op zich’, an sich, zoals Kant dat noemde. 

En in een gesprek met Wolfgang Pauli over het onderwerp van de kwantumfysica, bedacht hij de nieuwe term synchroniciteit, om te beschrijven hoe verschijnselen in de psyche begeleid konden worden door fysieke voorvallen, en dat zonder oorzakelijk verband, op een zinvolle doch ‘a-causale’ manier. Voorts sprak hij ineens over het ‘psychoïde’, en probeerde op die manier stof en geest samen te brengen op het terrein van de ziel. Hij speculeerde erover dat het Zelf waarschijnlijk niet alleen het resultaat meer was van de vereniging of totaliteit van het bewuste en onbewuste, maar gezien moest worden als een vooraf bestaande matrix of motor van de individuatie. Voorts trachtte hij in zijn boek Antwoord op Job de globale individuatie van de mensheid te verwoorden in termen van de zelfrealisatie van de oudtestamentische God.

Daarom is de vraag gerechtvaardigd of Jung nu uiteindelijk nog metafysische en theologische begrippen psychologiseerde, of dat het juist omgekeerd was, en hij eenvoudigweg zijn eigen psychologisch systeem probeerde te theologiseren en daarmee de dingen door elkaar haalde? Feit is dat Jung aan het einde van zijn leven zijn visie probeerde te ontdoen van de limieten waaraan zijn oude wetenschappelijke denkkader gebonden was, zoals te lezen in zijn postuum verschenen Herinneringen, Dromen, Gedachten: 

‘De natuurkunde is er stilzwijgend van overtuigd dat er een niet-psychisch transcendent object bestaat. Ze weet echter ook hoe moeilijk het is de werkelijke aard van het object te kennen, met name daar waar ons waarnemingsorgaan tekortschiet of zelfs ontbreekt, en waar passende denkvormen niet bestaan, respectievelijk eerst nog geschapen moeten worden.’ (Herinneringen, 301) 

Mogen wij ondertussen echter niet al aannemen dat dit waarnemingsorgaan zich reeds volop aan het ontwikkelen is en deze denkvorm reeds bestaat? Misschien is nu wel de tijd gekomen om de empirische fundering van de Jungiaanse begrippen te verbinden met werkelijke metapsychologische en/of metafysische categorieën en ze te beschouwen als een empirische reflectie van een meta-empirische realiteit. Zoals de weerspiegeling van licht op het oppervlak van het water. Op gelijkaardige manier noemde de bekende Franse geleerde en vertaler van Jungs werk Etienne Perrot de Jungiaanse weg door het onbewuste, ‘de weg van het water’. 

Jung heeft ons uitgenodigd om de vaste grond van een te aardgebonden denken te verlaten. Neerwaarts gaan en de grip loslaten van het ik-bewustzijn, was zijn oproep. Hij bracht bevroren en gekristalliseerde zienswijzen tot smelten, maakte ze buigzaam en vloeibaar. Hij nam ons mee naar wijde, maar toch bevaarbare zeeën, waar het bewuste ik echter altijd bedreigd wordt. Zonder de begeleiding door een vaste spirituele ster lopen we groot gevaar in de diepe psychische wateren te verdrinken. 

De analytische psychologie scheert altijd rakelings langs een psychotische geestestoestand, langs een lagere droomstaat, vergelijkbaar met een hypnotische trance of onder de invloed van narcotica. Waarin de tegenstellingen vaag en uitgewist lijken, maar in het geheel niet zijn opgelost. Uiteindelijk moet deze waterige route verlaten worden en overstegen door op te gaan in een alomtegenwoordig en alles verterend vuur, een vuur dat ons wil leiden tot in nieuwe en vibrerende lichtgebieden. 

Om de krachten te kunnen omzetten in een superluminaal licht, dient men opgetild te worden door een bovenbewuste en transpersoonlijke geest. Dit transcendent bewustzijn ligt weliswaar verborgen in de diepte van het onbewuste, als een gouden graankorrel of het juweel in de lotusbloem, maar is in wezen afkomstig uit de hoge.

Aan dit hoogste krachtveld dient men ten slotte niet alleen zijn bewuste ego over te geven, maar zijn gehele persoonlijke en relatieve streven te offeren. Om het spoor niet kwijt te raken op de lange weg van psychologische groei, dient men niet alleen het bewuste en onbewuste te leren onderscheiden, maar ook de totale empirische, dialectische duistere natuur te scheiden van de onvergankelijke lichtwereld van het absolute. Dat is de eigenlijke hermetische betekenis van het solve et coagula van de alchemie, het scheiden en herenigen van de tegendelen.

Hoewel Jung in zijn boek Aion de komst aankondigde van een nieuwe tijd, was hij zelf nog altijd kind van zijn eigen tijd, het tijdperk van Pisces. Reikhalzend keek hij uit naar nieuwe horizonten, maar het was hem niet gegeven de grens daarnaar zelf te overschrijden, die de wetenschap van zijn tijd had vastgelegd. Aan het eind van zijn leven stelde hij nog: 

‘Ik beeld me niet in dat met mijn gedachten over zin en mythe van de mens het laatste daarover gezegd zou zijn, maar ik geloof dat het datgene is wat aan het einde van onze aeon der Vissen gezegd kan worden en wellicht gezegd moet worden, met het oog op de komende aeon, die een mensengedaante is.’ (Herinneringen, p. 291) 

Zelf gekomen op de drempel van de tijd van de Waterman, beschikken wij echter niet alleen over de mogelijkheid maar is het onze ‘heilige’ plicht om Jungs werk voort te zetten en tot een goed einde te brengen. Niet enkel om geïntegreerde individuen te worden op een horizontaal en natuurlijk niveau, wat uiteraard een noodzakelijke overgang is, maar ook in de meest werkelijke zin van het woord godgelijke mensen, mensen van de geest, op een verticale en bovennatuurlijke wijze. 

En dat is waarom wij nu openlijk durven te stellen dat het eengemaakte Zelf niet beperkt kan zijn tot de omtrekken van de beperkte persoonlijke psyche, maar met een hoofdletter dient te worden geschreven. Het is de hemelse lichtvonk in ons, afkomstig van de onverdeelde eenheidswerkelijkheid. Het kan tenslotte niet beperkt blijven tot een afgesloten intrapsychische realiteit, maar moet in de breedste zin opgevat worden als een open, sociale, metafysische, kosmologische en transcendentale werkelijkheid, kortom, het Nieuwe Zijn. 

Het is onze levende connectie met de alomvattende eenheid van leven, dat wat ons verbindt met alle levende wezens en ons herenigt met de ene, goddelijke bron van leven. Het Zelf is vast en zeker niet enkel het product van een biologische of psychologische ontwikkeling. Om tot zijn hoogten te kunnen reiken, dient men in een spiralengang omhoog te stijgen tot een hoger plan van evolutie, in een algehele regeneratie, een totale transformatie of transfiguratie, oprijzend tot een multidimensionaal niveau, ver uit boven ruimte en tijd. 

Niet door een biografische of historische regressie of terugkeer naar een lang vergeten verleden, in de hoop te kunnen herstellen wat is misgegaan in de loop van de eenzijdige vooruitgang of progressie van de westerse samenleving, maar door een totale transgressie in een geheel nieuwe staat van zijn. Door niet langer ‘aardgeborenen’ te zijn, zoals geformuleerd in de hermetische grondtekst, maar kinderen te worden van de sterren, burgers van de oneindigheid en medescheppers van een universele creatie.

Van daaruit gezien is de door Jung bedoelde individuatie een belangrijke aanzet tot wat we de kwantumsprong zouden kunnen noemen uit de empirische existentie tot in het absolute zijn, van de beneden- naar de bovennatuur. Dit was ook de meest innerlijke toestand van de mens bij de aanvang der tijden, zoals hij bedoeld en geschapen werd door de Elohim, de schepper-goden, naar hun beeld en gelijkenis, uit hun kracht en volgens hun plan. 

En het kan en zal opnieuw de ultieme status zijn van de spirituele mens, ook de Adam Kadmon genaamd; de Christus-mens. Dit beeld van het Zelf, het imago Dei, zoals Jung het zelf ook graag noemde, maar hij bedoelde daar het archetype mee, is tegelijk niets anders dan de absolute subjectiviteit, het eeuwige Al-bewustzijn. 

Het is niets minder dan het oog van God, waar doorheen hij het Al schouwt. Desondanks kan dit alles in de ogen van het individu slechts een al-onbewustheid zijn, die nooit ten volle geïntegreerd kan worden. Daarom wordt er ook gezegd: ‘Hij die God ziet, zal sterven.’ Om dit al-bewustzijn te bereiken ‘niet gedeeltelijk en als in een spiegel, maar van aangezicht tot aangezicht,’ zoals Paulus dat zag, moet men de onbewuste psychische krachten definitief overwinnen en alle ook overstijgen. 

Om het absolute bewustzijn van het Zelf te bereiken, is ook de dood vereist van de oude psychische mens, en de geboorte van de nieuwe, pneumatische mens, zoals de oude gnostici dat aangaven. Een kennis die tevens verborgen ligt in de woorden van Paulus in de eerste Korinthebrief en gebeiteld staat in de grafsteen van Jung op de begraafplaats van Küssnacht: ‘primus de terra terrenus, secundus de caelo coelestis’, ‘de eerste mens is van de aarde aards, de tweede van de hemel hemels.’ (1 Kor 15:47) 

Er is dus voldoende reden om Jung de heraut te noemen van de nieuwe tijd. Hij vertaalde de wijsheid van morgen in de mate die de wetenschap van zijn tijd verdroeg. Aan ons nu om nog een stap verder te gaan, een stap die Jung ongetwijfeld ook gezet zou hebben als hij in onze tijd zou hebben geleefd. 

Door deze ‘eeuwige wijsheid’ over te brengen naar een nieuwe tijd, een tijd waarin een nieuwe wetenschap opstaat: een metawetenschap, een holistische wetenschap, een waarlijk spirituele wetenschap. Dat is de wederkeer van de ware Gnosis, een Gnosis in zijn actuele manifestatie. Met geen ander doel, dan de mens vrij te maken van al zijn vroegere weerstanden en verdeeldheden, hem bewust te maken en zijn geest hier en nu te openen voor de oneindigheid. De grootsheid van de menselijke geest is de oneindigheid van zijn eigen Zelf. 

Bron: Pentagram 2016 nummer 4

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *