Wie waren de katharen?

De benaming katharen duikt vanaf de 12e eeuw op in Zuid-Frankrijk. Net als Mani, baseerden de katharen hun ethiek op de zaligspreking van Jezus uit de Bergrede: ‘Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.’ De katharen ontleenden hun naam aan het Griekse woord ‘katharoi’ dat rein, zuiver betekent. Hun innerlijk streven was: ‘katharsis’, reinmaking. Het woord in Evangelie van Johannes ‘gijlieden zijt rein’ was hun devies.

In 1163 had er een bijeenkomst van katholieke bisschoppen plaats gevonden in Tours, het bestuurlijk centrum van Frankrijk. Deze synode vaardigde het besluit uit, dat er strenge maatregelen moesten worden genomen tegen een nieuwe ketterij die de kop had opgestoken. Deze kathaarse ketters werden ook wel manicheën genoemd, maar zo noemden zij zichzelf niet. Zij refereerden niet aan Mani, hoewel zij bepaalde kenmerken gemeen hadden. De katharen beschouwden zichzelf niet als vertegenwoordigers van een nieuwe leer, zoals de manicheërs dat deden, maar als oprechte en goede christenen. 

De voornaamste bron, waaruit zij hun leer putten was het Nieuwe Testament. Vooral de vier evangeliën hadden hun voorkeur. In de jaren volgend op de synode van Tours kregen de katharen in sommige streken veel steun en aanhang. Vooral in de graafschappen Toulouse, Albi, Carcassonne, Beziers en Foix. Een aantal omstandigheden speelde hierbij een rol. Zo werd dit hele gebied verscheurd door bloedige twisten. Het grootgrondbezit was verdeeld over een groot aantal adellijke families die voortdurend met elkaar vochten. Ook liepen er veel handelsroutes waarop veel geld viel te verdienen en waar rovers en huurlingen altijd wel iets van hun gading vonden. De Zuid-Fransen stonden verder open voor nieuwe denkbeelden. 

Binnen de officiële kerk was de evangelieprediking vrijwel onbekend. De geestelijkheid was slecht of in het geheel niet opgeleid. Zij leidde een losbandig leven, wars van de zedelijke normen die hun godsdienst stelde. Daardoor heerste er bij de bevolking veel onwetendheid ten aanzien van de katholieke leer. 

Een bijzonder gegeven was, dat het in dit gebied – vergeleken bij het noorden van Frankrijk – ideaal was voor vrouwen. Hier toonde men achting voor de vrouw. Bezat zij land en kwam zij uit een adellijke familie, dan genoot zij niet alleen een gelijke behandeling als de man, maar werd zij bovendien gehuld in een waas van romantiek. Dit was het tijdperk van de minnezangers. Er speelde zich als het ware een pre-renaissance af op elk cultuurniveau. Vooral op het gebied van de dichtkunst, literatuur en muziek. Ondanks voortdurende bedreiging, werd de hoofse liefde binnen de kasteelmuren in tedere woorden bezongen. Men verlangde naar vrijheid.

In een tijd, waarin het verboden was in de volkstaal te schrijven en er andere opvattingen op na te houden dan die van de kerk van Rome, werd gezongen, geschreven en gezegd dat een mens vrij moest zijn. Vrij van betutteling van de kerk, van de dwang in het Latijn te schrijven. Het is van groot belang geweest dat, dankzij de katharen, de evangeliën in de Occitaanse taal beschikbaar kwamen. Dit was de wereld, waarin de katharen verschenen met een boodschap van eenvoudig, geestelijk leven. En zij werden door vele duizenden met open armen ontvangen. 

Dankzij talloze kronieken en documenten over de Katharen is veel bekend over hun opvattingen en hun levenswijze. Er bestaan nog gedichten die door rondtrekkende troubadours werden verspreid. Zoals ‘Le chanson de la Croisade’. Dit epos bezingt de kruistocht tegen de Albigenzen, zoals de katharen vaak door hun vijanden werden genoemd. Bovendien zijn in o.a. de bibliotheek van het Vaticaan en de Bibliotheque Nationale in Parijs duizenden verslagen van ondervragingen door de Inquisitie opgeslagen. 

De katharen worden vaak in verband gebracht met mythen over de heilige graal, koning Arthur en de gnosis. De katharen leefden als broederschap in de Sabarthez, het stroomgebied van de Ariège. Daar lag de Montagne Sacré, de Heilige Berg. De vele grotten dienden hen als woonplaatsen, werkplaatsen en tempels. 

De katharen gingen uit van de absolute navolging van Christus. Dat is een verlossingsweg, waarop ieder mens in zijn eigen wezen de goddelijke lichtkern vrij kan maken. Met de manicheeën en de bogomielen deelden de katharen dus de opvatting, dat de mens een wezen is van twee werelden: de zichtbare en de oorspronkelijke, goddelijke wereld. Zij leerden, dat er vanuit die goddelijke wereld op de mens wordt gewacht en gewerkt aan zijn terugkeer. Daarbij kon tijdens het leven de uiterlijke wereld als leerplek dienen, als oord waar ervaring kon worden opgedaan. De katharen beleefden en beleden dit actief. Zij droegen een spiritueel christendom uit en zagen zichzelf als volgelingen van Johannes. 

Christus vertegenwoordigde voor hen een lichtimpuls uit het oorspronkelijke godsrijk; een onuitputtelijke bron van liefde. Dit was de betekenis van het door hen gebruikte symbool van de Graal, de beker die gevuld is met kracht, licht en liefde. Het zoeken en vinden van de graal achtten zij het hoogste innerlijke doel dat de mens zich in het leven kan stellen omdat door de goddelijke vermogens hiervan de verlossing van de mens kan worden voltrokken. Als een Parzival, de symbolische figuur, dient dit een zoeken te zijn in het eigen wezen. Daarbij, zo vertelt de legende, lacht de wereld hem uit. 

Om dit doel te bereiken, leefden de katharen sober, teruggetrokken en contemplatief, zonder macht of bezit in een voortdurend streven naar puurheid en heiliging. Dit streven noemden zij het endura. Op basis van een innerlijk verlangen wilden zij alle aardse bindingen opgeven, hun persoonlijkheidswezen offeren ter wille van de groei en opbouw van een nieuwe, goddelijke werkelijkheid.

Dit bevestigden zij met behulp van een ritueel dat ook al door de bogomielen werd gebruikt, het consolamentum. Dit was een sacrament, een teken van inwijding. Hier golden de woorden van Jezus de Christus: ‘Verkoopt al wat gij hebt en volgt mij’. En: ‘Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk niet beërven.’ Puren, reinen, werden zij genoemd. Uit het innerlijk proces volgden kenmerkende eigenschappen als de absolute strijdloosheid. Want strijd, zo stelden zij, bindt aan de wereld. Zij genazen zieken en gaven hulp aan behoeftigen. Geheel en al vanuit een volstrekt onpersoonlijke liefde. 

De katharen waren ervan overtuigd dat, als de mens zich aan dit doel geschonken had, er heiliging en inwijding tot een waar priesterschap kon plaats vinden in de grot van het eigen hart. Het persoonlijke, microkosmische stelsel was dan daarvoor gereed gemaakt. Het licht van de heilige Graal zou dan dit stelsel vervullen. Zo kon dan het bewustzijn van de goddelijke werkelijkheid worden geboren. De groep die hiervoor volkomen leefde, werden de volmaakten, de parfaits genoemd. Zij leefden celibatair, onthielden zich van het eten van vlees, doodden geen dieren en hielden zich verre van alle zonden en verleidingen. Van hen, die deze weg van zelf-inwijding in alle eenvoud leefden, ging een sfeer van vrede uit, die door tallozen rondom hen werd ervaren. Daardoor kwamen er ook onder de adel vele volgelingen. Gravin Esclarmonde van Foix ontving bijvoorbeeld in 1204 het consolamentum en deed daarbij afstand van al haar bezittingen. 

Ook de gelovigen noemden zich reeds katharen, hoewel zij nog geen verplichting op zich hadden genomen om de strenge leefregels te volgen. Zij gaven er de voorkeur aan de definitieve breuk met de wereld (het consolamentum) uit te stellen tot hun sterfbed, of, waar het vrouwen betrof, tot de tijd dat zij hun kinderen hadden groot gebracht. 

De katharen maakten voor hun erediensten geen gebruik van kerken. De plaats van gebed en discussie was niet van belang. Zij vonden dat ‘de kerk van God niet van hout of steen is gemaakt; maar dat de gemeenschap van gelovigen de kerk is’. Deze opvatting is typerend voor het gnostieke geloof in een onzichtbare ‘ecclesia’ of ‘samenkomst’ van de zielen die elkaar kennen ‘vanuit het hart’. 

De wereldlijke machten bleken zelfs bereid dit bijzondere veld van rein leven tegen de Inquisitie van de kerk te verdedigen. Deze had reeds alles wat in haar vermogen lag ondernomen om de kathaarse beweging uit te roeien. Ze bestreed haar gnostieke wijsheid, in het bijzonder de leer van de goddelijke en ongoddelijke natuur en die van zelfinwijding tot priester. Hierdoor moesten de katharen zich meer en meer terugtrekken. Uiteindelijk werd de Montségur hun laatste bolwerk. Op gruwelijke wijze werden de katharen door de inquisitie vervolgd. Zij en verdachte sympathisanten werden gevangen gezet, gemarteld en verbrand. 

De strijd heeft 200 jaar geduurd. De belegering en de val van de Montségur in 1244 wordt beschouwd als de definitieve, vernietigende slag die aan het katharisme werd toegebracht. Toch was, ook na deze val het katharisme nog niet uitgeroeid. De vervolging werd steeds grimmiger. Uiteindelijk trokken de laatste katharen zich terug in de grot van Lombrives in het dal van de Ariège in Zuid-Frankrijk. De autoriteiten lieten de ingang dichtmetselen en nog drie dagen hield men de wacht. Toen was men overtuigd van de dood van de laatste katharen. Twee en een halve eeuw later werd de grot geopend. Het gebeente van honderden personen werd gevonden. Verkoolde houtresten vormden sporen van vuren, waaromheen zij in een kring gezeten, het einde hadden afgewacht. 

Toen in de 20e eeuw de belangstelling voor het katharisme een grote opleving meemaakte, doken al spoedig speculaties op over een kathaarse schat. Sindsdien hebben velen naar die vermeende schat, die bij de val van de Montségur uit de handen van de belegeraars zou zijn gered, jacht gemaakt. Publicaties over oude legenden die van de schat verhaalden, vonden gretig aftrek. Maar hoe sensationeel de verhalen, speurtochten en theorieën ook waren, die uiterlijke schat werd nooit gevonden. 

Er bestaat echter wel een immateriële schat. Deze innerlijke schat is feitelijk dezelfde als die van alle bonafide spirituele broederschappen en gnostieke bewegingen. Hij bestaat uit de onmetelijke rijkdom die al deze groepen en individuele mensen verkregen, dankzij de verworven Gnosis, de kennis des harten. Voor de gnostieke mens worden de kracht en de wijsheid van de eeuwige goddelijke Geest werkelijkheid. Zij komen in hem tot openbaarheid, tot leven. Voor hem zijn er dan geen grenzen meer van weten en kennen en beheersen en doen. Zoals Catharose de Petri, een van de stichters van de School van het Gouden Rozenkruis, zegt: 

‘Principieel zijn alle grenzen, alle belemmeringen, alle beperkingen volkomen weggevallen. En van stonde aan ontwikkelt zich de verhouding van het kind van God tot zijn Vader. Dat wil zeggen, terstond is er sprake van een procesmatige ontwikkeling van universele aard, van een groeien, dat princi pieel niet meer tegengehouden kan worden. Dus: één voortdurend ononderbroken leven en streven en werken uit de onvergankelijke schat. Dát nu is het immateriële aspect van de schat van de katharen, die de schat van alle ingewijden was en is.’ 

Bron: Syllabus van de cursus ‘Van wijsheidsstromingen naar innerlijke wijsheid’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *