Webinar 2 van 3 over ‘Katharen en gnosis’: de rol van de vrouw in het katharisme

KATHAREN WEBINAR 1KATHAREN WEBINAR 2KATHAREN WEBINAR 3

De bovenstaande video is een opname van het tweede webinar van een serie van drie met de titel Volg de kathaarse voetstappen van het Gouden Rozenkruis. Het webinar gaat over de rol van de vrouw binnen het katharisme, is gehouden op maandagavond 16 mei 2022 en werd gepresenteerd door Mirjam Duivenvoorden (midden), Peter Huijs (links) en Dick van Niekerk (rechts). Hieronder volgt de integrale tekst uit de cursusmap. 

HOOFDSTUK 3 – DE ROL VAN DE VROUW IN HET KATHARISME

In de voorgaande hoofdstukken spraken wij over het ontstaan van het katharisme en over de begrippen die centraal stonden in hun leer. Hoewel de term ‘katharisme’ pas in later eeuwen is ontstaan, geeft hij treffend weer wat deze beweging in de samenleving vertegenwoordigde: de beleving van het christendom vanuit de oorspronkelijke uitgangspunten van reinheid (het Griekse katharos betekent rein), eenvoud, zuivere levenswandel en dienstbaarheid aan God en medemens.

Overigens werd het woord katharos in de derde eeuw na Christus voor het eerst door de vroege kerkvaders gebruikt om ‘afvalligen’ te bestempelen als ‘ketters’. ‘Kathaar’ is dus min of meer een geuzennaam, zelf noemden de katharen zich eenvoudig ‘christenen’ of ‘vrienden van God’.

Occitanië en haar hoogstaande cultuur van convivencia en fin’amor

Het katharisme ontwikkelde zich in de twaalfde-dertiende eeuw in grote delen van West-Europa, maar de grootste bloei vinden we in Occitanië (Zuid-Frankrijk), Catalonië (Spanje) en Lombardije (Italië), vanwaar het uitwaaierde naar het noorden. Occitanië was van oudsher een zelfstandig gebied, dat zich uitstrekte over heel het zuidelijke deel van Frankrijk. Het had door de eeuwen heen zijn onafhankelijkheid weten te bewaren van de noordelijke overheersers, ‘Parijs’, enerzijds en van het centrale kerkelijk gezag en dogma, ‘Rome’, anderzijds. Door de ligging aan het uiterste westen van de Middellandse Zee, op het kruispunt van continenten, vormde het gebied een ontmoetingspunt van culturen, kennis en wijsheid. Het kende een open en tolerante samenlevingsvorm, waarin joodse, christelijke en Arabische tradities samenkwamen en elkaar wederzijds bevruchtten.

In die vrije atmosfeer gedijde een jonge, opkomende Romaanse cultuur, die idealen in een eigen taal goot, die spiritueel en nobel was. Zonen en dochters uit de adellijke huizen namen hierin het voortouw en vervulden belangrijke posities. Zij gaven leiding en boden een beschutting waarin geloof en bevolking konden gedijen, en in een losse, niet nadrukkelijke structuur, was ook het denken vrij.

Convivencia

Tolerantie kan makkelijk begrepen worden als een bepaalde toegefelijkheid ten opzichte van andersdenkenden en is dan min of meer passief en vrijblijvend. In Occitanië bestond een actievere vorm, die convivencia werd genoemd, de ‘kunst van het samenleven’ met respect voor onderlinge verschillen tussen mensen, in volledige gelijkwaardigheid. Later kwam het accent meer te liggen op hoffelijke, ‘hoofse’ manieren. Manieren kan iedereen leren, maar convivencia vraagt om wezenlijk respectvol begrip. In de Occitaanse samenleving was dit onlosmakelijk verbonden met de waarden van paratge (waardigheid, hoffelijkheid, ridderschap, zieleadel) en libertat (vrijheid, ook vrijheid van bewustzijn, autonomie).

Deze geest van openheid en gelijkwaardigheid drukte zich uit in de verhouding tot andere culturen en godsdienstige richtingen, maar ook in de positie van de vrouw binnen de samenleving en, zoals wij zullen zien, binnen de kathaarse gemeenschap. Nergens werd de positie van de vrouw zo hoog aangeslagen als in het toenmalige Zuid-Franse cultuurgebied. In vergelijking met haar tijdgenoten genoot zij een zekere onafhankelijkheid, ook materieel, doordat zij deelde in het erfrecht.

Fin’amor

Vrouwen, al of niet van adellijke afkomst, speelden gedurende de opkomst, bloei en latere vernietiging van het middeleeuwse Occitanië een bijzonder actieve en inspirerende rol. Meer en meer ontstond een vorm van beschaving die wij nu kennen als de ‘hoofse cultuur’, die van de amour courtois of fin’amor (Occitaans), de hoofse liefde die werd uitgedragen in de literatuur en zang van die tijd. In de cours d’amour of hoven van liefde, die werden voorgezeten door de meest vooraanstaande vrouwen van die tijd, streden ridders tijdens toernooien om de gunst van hun vrouwe, niet alleen met wapens maar ook in een steekspel van woorden. In Plaatsen waar de Geest waait is te lezen:

Er zijn landstreken die het grote heimwee van de mensheid in zich lijken te dragen, gebieden die met hun stille en brandende hartenklop getuigen van een legendarisch bestaan dat nog niet helemaal is verstorven. Het Romanië van de twaalfde en dertiende eeuw [Occitanië] was een van de bevoorrechte streken waar de poëzie en de liefde vurige discipelen kenden. Streken waar ‘de Geest waait waarheen hij wil’, volgens het woord van het evangelie, en waar deze lang blijft hangen, terwijl hij conventionele grenzen doorbreekt, en de steden, de versterkte kastelen zowel als de wouden en de grotten vervult met een vlaag van goddelijke inspiratie. Ik haal het vergleden Romanië hier niet aan om de geschiedenis ervan op het spoor te komen, ook niet om zijn taal te bestuderen; ik wil alleen de dichterlijke kleuren oproepen van het fresco van die tijd, dat het, Romanië, aan de westerse wereld wist te geven.

Een bruisende en hogelijk verfijnde samenleving die bloeide tussen de Alpen en de Pyreneeën, van de oevers van de Loire tot aan de stranden van de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan, te midden van de grove en oorlogszuchtige middeleeuwen. Haar poëzie, die met de magie van haar schoonheid het onzichtbare met het zichtbare wist samen te toveren, roept voor ons het decor op waartegen het wel en wee van de mensen van die tijd – van de edele dames van het gai sçavoir [‘kennis der vreugde’ in de minneliederen] en van stoutmoedige ridders – zich afspeelde.

De dichters van de Languedoc die men troubadours noemde, bezongen de lente van het leven, de lente van het hart en de lente van de aarde, begeleid door de diepbewogen akkoorden van hun luit. (…) Deze troubadours bezongen niet alleen de dame van hun keuze, de heldin van hun onbevredigbaar hartsverlangen, maar zochten in haar de onzichtbare ziel, het eeuwig vrouwelijke waarvan iedere man een zegel en afdruk in zich draagt…

Fanita de Pierrefeu in Plaatsen waar de Geest waait, p. 203-204

Ridderschap en zielewaarden bij de troubadours

In alle mystieke stromingen die in deze periode tot ontwikkeling komen, wordt de ziel als vrouwelijk voorgesteld, als de geliefde, de beminde. De ziel is in eerste instantie een ontvankelijk principe. Vanuit deze gedachte kan de hoofse liefde worden gezien als een metafoor die het diepe verlangen vertolkt om dat ongrijpbare iets in onszelf dat wij ‘de ziel’ noemen waardig te mogen zijn. Daartoe moeten in de middeleeuwse ridderromans beproevingen worden doorstaan en gevaren getrotseerd.

Allemaal ervaringen die het leven in zo ruime mate biedt en waardoor in een mens de noodzakelijke zielewaarden worden ontwikkeld. Deze waarden worden wel aangeduid als 1. ingetogenheid, 2. kuisheid, 3. mildheid, 4. trouw, 5. maathouden in alle dingen, 6. barmhartigheid, 7. schaamte of berouw, 8. bescheidenheid, 9. standvastigheid, 10. deemoed, 11. geduld en 12. minne, de vervulling in en door de liefde. Tezamen vormen zij de ‘ridderkrans’ die de ridder – symbool voor iedere strevende mens – bekroont.

In veel van de middeleeuwse riddervertellingen – en in het bijzonder in de graalverhalen, die juist in deze tijd ontstaan en de ronde doen – gaat het niet om heldendom, krijgsmanschap en liefde zonder meer, maar om werkelijke menswording, om een proces waarin stap voor stap elke vorm van zelfzucht wordt afgelegd. Een sprekend voorbeeld hiervan is de Parzival van de Duitse ridder en troubadour Wolfram von Eschenbach (1170-1220), van wie bekend is dat hij regelmatig te gast was aan de Occitaanse hoven van Foix, Carcassonne, Toulouse en op kastelen als Puivert en Lordat. Op zijn zoektocht naar de Graal draagt Parzival de herinnering aan zijn geliefde Kondwiramur – van het Franse conduire en amour, ‘zij die tot de liefde leidt’ – als een innerlijk richtsnoer mee in zijn hart. Door zijn onwankelbare trouw aan dit principe, het zielewezen in hem, is het zeker dat hij de Graal, de heilige beker die verbonden is met het grote liefdeoffer van Christus, op enig moment zal vinden.

Troubadours, boodschappers van geestelijke waarden van de ‘minne’

Troubadours hadden vaak een hoge opleiding genoten, zij waren wetenschappers, boodschappers, musici en dichters tegelijk. Onderlegd in de klassieken, waaronder Homerus, Ovidius en Vergilius, waren ze vanzelfsprekend ook vertrouwd met de Bijbel. Ze werden geïnspireerd door de Arabische liefdeslyriek, maar eveneens door de Keltische barden die eeuwenlang de traditie bewaarden en overdroegen die hun door de druïden was onderwezen. In hun liederen weefden zij kennis over de natuur en de kosmos, vanuit de inzichten van de astronomie, astrologie en alchemie van die tijd, en ze hadden bovenal een groot inzicht in de menselijke psyche. Al deze elementen wisten zij te vatten in een spannend en schijnbaar lichtvoetig verhaal, waarachter echter een wereld aan betekenis schuilging.

Deze troubadours konden verbonden zijn aan een adellijk hof, maar doorgaans trokken ze van de ene burcht naar de andere en hadden zo een sterk verbindende rol. In zekere zin fungeerden ze als de gezanten en ambassadeurs van die tijd, waarbij ze in verhulde vorm belangrijke boodschappen overdroegen. Hun langage clus was een vorm van poëzie waarin zij in gesluierde bewoordingen de meer geestelijke waarden doorgaven van de ‘minne’, waarvan de hoogste vorm het huwelijk is van ziel en geest. Het is heel aannemelijk dat zij in Occitanië – waar een groot deel van de adel het kathaarse gedachtegoed aanhing of ondersteunde, en vaak zelf het kathaarse consolamentum had ontvangen – in hun voordrachten ook de verschillende niveaus van kathaarse volmaking uitdroegen op een wijze die alleen door ingewijden kon worden begrepen. In de periode van de vervolging van de katharen dienden zij als belangrijke bron van informatie en communicatie.

De betekenis van de vrouw of het vrouwelijke

In het vorige hoofdstuk spraken we over het katharisme als een ‘johanneïsch christendom’. Het evangelie van Johannes stond in hoog aanzien bij de kathaarse gemeenschap, evenals de Apocalyps van Johannes op Patmos en de Interrogatio Johannis, die grote overeenkomst vertoont met het gnostische Apocryphon of het Geheime Boek van Johannes. Het kathaarse christendom verschilde in aard en leer dan ook wezenlijk van de meer ‘patriarchale’ kerk van Rome, de kerk van Petrus. ‘God is liefde,’ zo spreekt Johannes, ‘en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem.’ Niet voor niets wordt het katharisme wel aangeduid als de ‘kerk van liefde’ en in liederen en cansos uit die tijd als Joana, de vrouwelijke vorm van Johannes. ‘God is liefde’, met deze drie woorden is in het kort het wezen van het kathaarse christendom samengevat. En deze liefde kan werkzaam zijn in iedere gevoelige mensenziel. Liefde is het uitgangspunt van het mens-zijn, liefde doet alles groeien, ook de menselijke ziel in het proces van eenwording met de geest.

Eva, inzicht en gnosis

In de kerk van liefde bestond een grote mate van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, die uniek genoemd kan worden in het toenmalige Europa. Al vele eeuwen overheerste in de samenleving en in de kerken immers de overtuiging dat de vrouw ondergeschikt was aan de man, niet in het minst door de rol die de kerk haar toerekende in de val van de mens uit de oorspronkelijke hemelse wereld. Was het gedrag van Eva niet de aanleiding dat de mens het paradijs had moeten verlaten, omdat zij op suggestie van de slang gegeten had van de ‘appel’ – de vrucht aan de boom van de kennis van goed en kwaad – en deze vervolgens aan Adam had aangeboden, ondanks de waarschuwing van God om niet van de vruchten van deze boom te eten? Stond zij daarmee niet aan de wortel van al het kwaad dat de wereld kent?

Hoe anders werd dit benaderd in de hermetische traditie en de gnostieke stromingen die zo sterk doorwerken in het vroege christendom en door de eeuwen heen hun weg zouden vinden in religieuze gemeenschappen als die van de bogomielen en katharen. In de gnostieke traditie is Eva degene die Adam uit de diepe slaap van onwetendheid wekte en hem daarmee gnosis, kennis of wijsheid over, van zijn goddelijke oorsprong, schonk. De slang wordt gezien als de brenger van wijsheid.

In het Geheime Boek van Johannes – een tekst die in onze tijd pas weer bekendheid heeft gekregen door de vondst in 1945 van een kruik met 52 geschriften, in het woestijnzand nabij Nag Hammadi in Egypte – zegt Eva tegen Adam nadat ze van de boom van kennis van goed en kwaad gegeten heeft: ‘Sta op en herinner jezelf. Volg mij, je eigen wortel.’ In Oorsprong van de Wereld, een andere tekst uit Nag Hammadi, wordt verteld hoe Eva ziet dat Adam slaapt. Ze wordt daardoor met medelijden bewogen en ze zegt: ‘Adam, leef! Sta op!’ Adam wordt wakker en als hij Eva ziet, zegt hij: ‘Jij zult de moeder van de levenden genoemd worden, omdat jij degene bent die mij het leven schonk.’

Sophia, liefde – wijsheid

In het oudtestamentische boek Genesis is te lezen dat God de mens schiep naar zijn beeld en gelijkenis, ‘man én vrouw schiep hij ze’. Hij is vader én moeder, waarbij het vrouwelijke aanzicht de wijsheid, of de Sophia, vertegenwoordigt. De wijsheid is in staat het wezen van God, het goddelijke in zich op te nemen en als een zuivere spiegel te ‘weerspiegelen’ en dus te openbaren. In het apocriefe geschrift Het Boek der Wijsheid wordt dit zo verwoord:

Want zij [de Wijsheid of Sophia]
is een ademtocht van Gods macht
en een zuivere uitstraling
van de heerlijkheid van de Almachtige.
Zij is de weerglans van het eeuwige Licht,
een vlekkeloze spiegel van Gods werkzaamheid
en een beeld van zijn goedheid.

In de hermetische traditie, in de gnostische stromingen, bij de eerste christenen en later ook in de islam leeft een sterk besef dat in het hart een eeuwigheidsbeginsel verborgen ligt. Dit beginsel wordt beschreven als een vonk van de goddelijke wijsheid, van de Sophia. Het ligt als een zaad verborgen in heel de schepping, dus ook in de mens, en vertoont dezelfde eigenschappen als de Sophia zelf. Deze wijsheid wordt niet door iets of iemand van boven of van buitenaf geschonken, maar zij is een straal van de Geest die zich in de stof gevangen geeft en de mens van binnenuit kan verlichten… als epinoia of verlichtend inzicht. Zij verlicht het denken van de mens en leert hem de weg van opstijging vanuit zijn gevangenschap in de materie.

Dit ‘gewaarworden van binnenuit’ wordt de kennis van het hart genoemd, of gnosis. Het betekent dat de mens iets gaat bevatten ván en inzicht verkrijgt in de werkelijke bedoeling die achter het leven drijft. Een inzicht dat ook de behoefte wekt om aan die bedoeling te beantwoorden. Iets omvatten kan ook begrepen worden als iets begrijpen. Het goddelijke wezen totaal begrijpen en omvatten is wijsheid. Waar iets van deze wijsheid, van deze gnosis, deze goddelijke Sophia zich kenbaar gaat maken in de mens, waar de mens ‘tot bewustwording komt’ van het goddelijke bedoelen, wordt zij vereenzelvigd met de Heilige Geest, de geest die helend en genezend werkt. In het vroege christendom is zij dan ook in de drie-eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest het vrouwelijke principe. Er is dan sprake van de Christus-Sophia, ofwel de liefde-wijsheid. In later tijden raakt dit weten op de achtergrond en wordt het aspect van de wijsheid geheel aan Christus toegeschreven.

‘Joana’ of de kathaarse kerk van de liefde

Een kerngedachte in de kathaarse leer is dat alle menselijke wezens, vrouwen zowel als mannen, dezelfde hemelse oorsprong hebben. Maar de zielen van de engelen, die verbroken werden van hun geest en van hun hemelse lichaam bij de val in de zichtbare en ‘boze’ wereld, werden opgesloten in lichamen van vlees. Er is dus principieel een gelijkheid van ziel, die immers bij allen van dezelfde geestelijke substantie is, terwijl de verschillen tussen de geslachten in feite niet meer zijn dan een eigenaardigheid van de materiële schijnwereld. Deze verschillen verliezen bovendien hun betekenis door het ontvangen van het consolamentum, waarbij de ziel van haar gebondenheid aan de materie wordt bevrijd.

Dit sacrament kon door ieder mens worden ontvangen die daartoe de ernstige wens te kennen gaf. Zo konden bij de katharen zowel de man als de vrouw de weg gaan van gelovige tot pur – een ‘rein’ of gereinigd mens – en vervolgens tot parfait of parfaite – de staat van volmaaktheid van de geest-mens. Zij werden gerekend tot de ‘goede christenen’, ofwel goede mannen en vrouwen, bons hommes en bonnes femmes.

Kathaarse vrouwen werkten op voet van gelijkwaardigheid samen met de mannen en werden, op dezelfde wijze als bij de eerste christengemeenschappen, ingezet voor priesterlijke taken, hoewel zij niet het ambt van bisschop konden bekleden:
Zowel de katharen als de Romaanse samenleving kenden een zeer hoge plaats toe aan bepaalde vrouwelijke persoonlijkheden en er bestond een bloeiend diaconaat [het Griekse diakonos betekent ‘(be)dienaar’].

Sommigen houden vol dat er geen diaconessen bestonden, omdat we in de annalen van de Inquisitie dat woord niet tegenkomen. Zij vergeten dan dat de kerk hen op basis van de verwijten van Paulus bleef wantrouwen; dat het ondenkbaar was een schepsel dat zo inferieur was als de vrouw een plaats te gunnen in het goddelijke plan van het priesterschap. En dat terwijl Christus zelf Maria Magdalena volkomen in eer had hersteld! Maar het negeren daarvan was onderdeel van de uitkomsten van het Concilie van Mâcon van 585 n.Chr. [waarin bediscussieerd werd of ‘de vrouw een ziel bezat’].

Rond de dienaren van de kathaarse kerk schaarden zich diaconessen, edelvrouwen die zich onderscheidden van de vrouwelijke parfaites. Zij werden de revêtues en couronnées genoemd, ‘zij die bekleed’, ‘zij die gekroond zijn’. Zij konden voor het welzijn van de organisatie alle priesterlijke handelingen verrichten, met een gezag dat door geen van hun collega’s ter discussie werd gesteld. Er was geen enkele eredienst, geen gebed, ook niet het Onze Vader, of de woorden van Johannes of enige voordracht die niet door een diaconesse kon worden uitgesproken, omdat voor hen alles symbolisch was. Ook is het niet zo dat de parfaites en de diaconessen nooit in het openbaar spraken. Daarmee zou men ontkennen dat zij zeer welsprekend waren en als verkondigers bijzonder overtuigend konden zijn. Maar het was wel zo ingericht dat het de mannen waren die hun benoeming bepaalden, en ook het toedienen van de hulp en verlichting van de Parakleet [de Heilige Geest of Trooster] was aan hen voorbehouden.

Het Industaou was de specifieke ceremonie waarbij een parfaite diaconesse werd, een die gekozen werd uit medeleerlingen die al gevorderd waren op de weg van vervolmaking. Zij hadden dezelfde rechten als de diakenen, maar men was hun geen gehoorzaamheid verschuldigd; en al helemaal geen aanbidding, wat in dit verband een totaal onjuiste aanduiding is. Maar als ze eenmaal archidiaconesse waren, dan bekleedden ze een rang die overeenkwam met de hoogste kathaarse graad, die van het episcopaat.

En terwijl de parfaites in [besloten] gemeenschappen leefden, bleven de diaconessen deel uitmaken van het wereldlijke leven. Ze leefden meer als priesters, ze spoorden aan, ze verkondigden, ze leefden ook meer als eenlingen, terwijl zij toch door hun aanwezigheid de moraal van de bevolking hooghielden. En door hun actieve dienst aan allen leek het wel alsof er weer profetessen waren, begiftigd met de gave van helderziendheid. Deze edelvrouwen, die geen menselijke of maatschappelijke ambities meer koesterden, die de beproevingen en de vreugden van het huwelijk en het moederschap hadden doorleefd, beschikten over een enorme ervaring. Zij speelden een grote rol in de verspreiding van de ideeën over de volmaakbaarheid, en spreidden de eeuwige waarheid van de liefde in tijden waarin medelijden niets betekende.

Simone Coincy-Saint Palais in Plaatsen waar de Geest waait, p. 77-78

De domus, epicentrum van het kathaarse religieuze leven

Het katharisme beperkte zich niet tot een elite in de hogere laag van de samenleving, maar kende een brede aanhang in alle lagen van de bevolking. Wel kon het zich vrijelijk ontwikkelen doordat veel adellijke families zich aangetrokken voelden tot het kathaarse christendom – met enerzijds zijn inwijdingsleer en anderzijds het praktisch bewijs van zijn liefde door ieder mens bij te staan in zijn dagelijkse levenspraktijk – en zo als het ware een beschermende
mantel vormden waarbinnen dit gedachtegoed tot hoge spirituele groei kon komen. Zij vonden hierin dezelfde waarden die hen in de hoogontwikkelde samenleving van Occitanië inspireerden: innerlijke vrijheid, autonomie, zelfverantwoording, zelfovergave, (naasten)liefde.

De katharen beschikten niet over kerkgebouwen en de rituelen en ontmoetingen met de rondtrekkende geestelijkheid vonden vooral plaats in de domus of gemeenschapshuizen, buiten op de pleinen, en ook in de huizen van de gelovigen waar de reizende geestelijken regelmatig werden ondergebracht. Deze huizen waren in principe het leefdomein van de vrouw, waar zij haar kinderen opvoedde en de zorg droeg voor de huishouding en het gezin. Waar het leven van de vrouw normaal gesproken beperkt was tot de huiselijke kring, kreeg het in het kader van het kathaarse religieuze leven een nieuwe dimensie.

Niet alleen speelden de vrouwen door hun traditionele rol in de opvoeding een belangrijke rol in de verankering en instandhouding van de kathaarse godsdienst in het gezin, maar deze godsdienstigheid in het hart van het dorpsleven, en in het hart van hun woonhuizen, stelde hen en alle kathaarse gelovigen in staat om deel te nemen aan het godsdienstige leven én tegelijkertijd open te staan voor de wereld.

Aan het begin van de dertiende eeuw leidden de vrouwelijke katharen een nagenoeg kloosterlijk leven in deze domus, in kleine gemeenschappen van twee tot zes vrouwen, die vooral geleid werden door edelvrouwen. Deze gemeenschappen stonden open voor het castrum, de burchtgemeenschap, een door muren of aardwallen versterkte nederzetting, en voor de wereld. Zij waren het epicentrum van het kathaarse religieuze leven; er werden diensten gehouden; ze vormden een ontmoetingsplaats, maar waren ook werkplaats, leerlingenverblijf, school, herberg en ziekenhuis. Na hun inwijding leefden de kathaarse vrouwen, de bonnes femmes, met minstens één andere vrouwelijke ingewijde en volgden de kathaarse leefregels.

Katharisme en de hoofse liefde

Van de katharen wordt wel gezegd dat zij streng waren voor zichzelf maar mild voor anderen. Zij leefden in celibaat en uiterst sober, met regelmatige vastenperioden. Daarmee gaven zij uiting aan hun streven te komen tot een proces van innerlijke reiniging en ‘zelfversterving’, het proces van het endura waarin elke vorm van zelfzucht werd afgelegd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het volk de katharen kende als ‘goede mannen’ of ‘goede vrouwen’.

En het is begrijpelijk dat kerk en werelds gezag hen niet met geweld hebben kunnen overwinnen. De verbetenheid waarmee zij hen vervolgden, eerst tijdens de kruistocht tegen de ‘Albigenzen’ (naar de plaats Albi in Occitanië) en daarna door de Inquisitie, slaagde er weliswaar in de kathaarse beweging uit te roeien. Toch bleven de sporen van hun gedachtegoed onuitroeibaar aanwezig in de harten van de mensen en ontkiemden krachtig in latere samenlevingen.

Uit het voorafgaande blijkt dat katharisme en de hoofse liefde niet als vreemden tegenover elkaar stonden, maar dat er vele parallellen en raakvlakken te vinden zijn. Maria Bartels heeft tijdens het symposium De gouden draad van de vrije geest een boeiende lezing gehouden waarin zij ingaat op de ontwikkeling van het begrip ‘liefde’ door de eeuwen heen: de eros van Plato, de agapè van het vroege christendom, de caritas in de middeleeuwen. In haar conclusie zegt zij:

‘Afgezien van de begripsmatige versmelting, laat de samenleving van het twaalfde en dertiende-eeuwse Occitanië niet alleen zien dat katharisme en de hoofse liefde elkaar goed verdroegen, maar dat het bovendien vaak dezelfde mensen waren die zowel verbonden waren met de cultuur van de hoofse liefde als met het katharisme. Beide stromingen gaan ervan uit dat onze ziel spiritueel van aard is, dat het onze geest is die de essentie vormt van ons zijn. Deze geest is als het ware het aanknopingspunt in onszelf van waaruit de weg van zuivering kan beginnen, die deze geest blootlegt en bevrijdt uit alles wat haar belemmert en gevangenhoudt.

De fin’amor richtte zich op de vrouwe, het katharisme op de liefde van de Heilige Geest [de Parakleet], die vanouds werd gezien als vrouwelijk, als de Sophia, en geassocieerd werd met helende, troostende, verzachtende kwaliteiten.

Uitgaan van de geest betekent uitgaan van het hoogste in een mens, datgene wat in eenieder gerespecteerd en geëerd dient te worden. Deze geestelijke kern verbindt ons dus niet alleen met het hoogste, met God, maar vormt tevens de basis van alle medemenselijkheid, van broeder- en zusterschap tussen mensen, zonder onderscheid in sekse, afkomst of cultuur.’

Maria Bartels in De gouden draad van de vrije geest, p. 61-62

LEES MEER OVER DE BOVENSTAANDE AANBEVOLEN BOEKEN OVER DE KATHAREN