Bogomil, de broederschap van de Bogomielen, hun leer, hun leven en hun boodschap voor nu

ROZENKRUIS ONTMOET DEUNOV OP DINSDAG 22 OKTOBER IN HILVERSUM

I

Het is met de Bogomielen vreemd gesteld. Er is niet veel over bekend en de boeken herhalen steeds weer dezelfde weinige feiten. Er zijn wel veel geleerde beschouwingen over verschenen. De Bogomielen zijn vaak versleten voor manicheeërs en gezien als hun opvolgers, wat deels waar is en deels niet klopt. Ze zijn vervolgd van alle kanten, door zowel de westerse, roomse als de Grieks-orthodoxe kerk, en ook nog door de staat. En toch hebben ze tot ver en ver na hun bloeitijd op de één of andere manier voortbestaan. 

Vanaf de negende tot de twaalfde eeuw was hun invloed en spreiding het belangrijkst. In het jaar 872 werd een laatste groep van manichees denkende broeders, de Paulicianen, uit het Turkse rijk verdreven en kwamen hun eerste boodschappers op Bulgaarse bodem. De volgende bewaard gebleven vermelding is een brief van de Patriarch van Constantinopel, die deze in het jaar 954 aan de Bulgaarse Tsaar Peter stuurde, en die hem waarschuwde voor ‘die nieuwe ketterij, die een mengeling van manicheïsme met een vleugje Paulicianisme is’. Daar reeds werden ze als ketters bestempeld, en aan manicheeërs gelijkgesteld. 

Uitvoeriger worden ze behandeld in een brief van de priester Kosma; een kleine 30 jaar later, in 972. ‘Het geschiedde,’ zo begint die brief, ‘dat tijdens de regering van de rechtgelovige tsaar Peter een pope met de naam Bogomil optrad […] die als eerste zijn ketterse leer in Bulgarije begon te prediken…’ Verder schrijft hij: ‘Met wie moet ik ze vergelijken? Ze zijn slechter dan de dove en blinde afgodsbeelden. Die kunnen niet zien en niet horen. Maar deze ketters, omdat ze menselijke gedachten hebben, zijn uit eigen wil versteend en hebben de ware leer niet aangenomen.’ Hun leider noemde zichzelf Bogomil, vertaald: ‘Godsvriend’, maar Kosma zegt dat hij beter ‘Bogunemil’ kon heten, ‘God-niet-aangenaam’. 

Wel, die beschuldigingen zullen wel meevallen. Van hem wordt vermeld dat hij zich opwond over de corruptie en het machtsmisbruik van de toenmalige adel. Slavernij, uitbuiting en lijfeigenschap konden in zijn ogen niet in overeenstemming zijn met het oorspronkelijke christendom. Want daarin gaat het juist om vrijheid en naastenliefde. Men zegt dat juist daarom de Bogomielen zulk een enorme verspreiding kregen: zij mobiliseerden het arme volk met populistische denkbeelden, gericht tegen een rijke elite van adel en geestelijkheid. 

Dat lijkt op politiek; dat klinkt hetzelfde als de socialistische leuzen van de opkomende arbeidersbeweging aan het begin van de twintigste eeuw. En dat heeft dan weer weinig of niets te maken met de werkwijze van de gnosis, of met haar bedoelingen. Ook toen niet! Toch zeggen dezelfde vroegste bronnen ook dat de eerste Bogomielengemeenschappen ‘apostolische en monnik-achtige eigenschappen hadden, en dat ze ook als monniken gekleed gingen’; hun wezenlijke gedachtengoed betrof de christelijke armoede en een ‘apostolisch leven als rondreizend boodschapper ’. 

Naar hun eigen zeggen predikten ze slechts het echte evangelie, omdat de kerk zo’n funeste ontwikkeling was gegaan, die met het ware christendom niets meer te doen had. In de oorspronkelijke gemeenschappen noemde men elkaar broeders, jongeren, gelovigen, uitverkorenen en geroepenen. Hun eis was: naastenliefde, bescheidenheid, geen laster maar de waarheid spreken, niet doden, het boze verdragen. Ze wilden ‘betere christenen zijn, door goed en kwaad tot een zaak van elk mens persoonlijk te maken’. 

Na 1018 verbreidde de leer van de Bogomielen zich over het gehele Byzantijnse Rijk. Je kwam hun denkbeelden tegen in de kloosters, in Constantinopel waren er zelfs aanhangers onder de adelijke families; tot aan het hof van de keizer toe vond je symphatisanten. In de tweede helft van die eeuw begonnen evenwel de vervolgingen; niet om de leer, maar om de privileges en voorrechten, die in handen van de gevestigde orde waren. Rond het jaar 1100 nodigt keizer Alexios het toenmalige hoofd van de Bogomilen, Basileios, uit naar zijn hof te komen onder het voorwendsel meer over de leer te willen weten. Basileios, een arts, was toen al op leeftijd; een magere, lange gestalte met een dunne baard. Hij had de Bogomielse leefwijze vijftien jaar lang onderwezen en meer dan veertig jaar verkondigd. Hij werd aan de keizerlijke dis genodigd. Basileios vertrouwde de keizer helemaal, en antwoordde vrijmoedig en bereidwillig op alle gestelde vragen. 

Achter een voorhang zat echter een stenograaf die de gehele samenspraak opschreef. Op een gegeven moment werd het gordijn teruggeschoven en liet Aleixos zijn vrome masker vallen. Hij liet de senaat en de geestelijkheid bijeenroepen en begon een proces. Nadat alle bekeringspogingen vruchteloos bleken, wachtte Basileios natuurlijk de brandstapel. 

De Bogomielen hebben grote invloed gehad op de katharen, maar ze waren niet hetzelfde. Al vroeg onderhielden de beide ‘kerken’ als je het zo noemen wilt betrekkingen met elkaar en toen de Bogomielen steeds feller werden vervolgd, namen enkele leiders de wijk naar het westen en zij inspireerden hun Kathaarse broeders en zusters in belangrijke mate. Een belangrijke bron uit 1230 vermeldt dat de Kathaarse gemeenten hun oorsprong hebben in de Bulgaarse en de Dragovische Kerk. 

Het is bekend dat in 1167 de bisschop Nicetas, afkomstig uit Constantinopel, een belangrijke vergadering had met vertegenwoordigers van de Kathaarse kerk in het slot St. Felix de Camaran, vlakbij Toulouse. Dat was in Occitanië, ofwel Zuid-Frankrijk. Nicetas was erin geslaagd de belangrijkste vertegenwoordigers uit Zuid- en Noord-Frankrijk en Lombardije bijeen te brengen. Daar werden de ver- schillende stromingen binnen de Kathaarse Kerk tot een gemeenschappelijke inspanning aangezet. 

We lezen in een artikel in Pentagram 1998-4: ‘In de elfde en twaalfde eeuw waren Bulgarije, Thraci en Macedonië de belangrijkste centra van activiteit. Daar Bulgarije toen een provincie van het Byzantijnse Rijk was, konden de Bogomielen hun leer gemakkelijk verbreiden. Van de twaalfde eeuw tot aan het einde van de vijftiende eeuw vormden Bosnie« en Herzegovina het bolwerk van de Bogomielen. Er werd zelfs gesproken over de ‘Bosnische kerk’ en hun aanhangers noemden zich ‘pravi krstjani’: ware christenen. Op veel belangrijke punten kwamen hun godsdienst en beleving overeen met die van de katharen.’

In een document uit 1199 wordt paus Innocentius III gewaarschuwd dat in Bosnië ‘een niet onbeduidende ketterij om zich heen grijpt’ en dat een van de vorsten reeds zou zijn ‘overgelopen’. Er wordt gewag gemaakt van 10.000 aanhangers. Dat was aanleiding voor de paus om de koning van Hongarije en Kroatië opdracht te geven de ketters uit Bosnië te verdrijven en hun bezit in beslag te nemen. Ze vluchtten naar het oosten, terwijl er ook verschillenden naar het noorden trokken en terechtkwamen in de Duitse steden langs de Rijn. 

Tenslotte maakte een Turkse invasie in 1463 een definitief einde aan de Bosnische Bogomielenkerk, waarna de meerderheid van de boeren vrijwillig overging naar de islam. Toch berichtten Engelse reizigers in de zeventiende eeuw dat de Bosnische moslims niet alleen de Koran lazen, maar ook het Nieuwe Testament – maar ook dat is niet het laatste van hen; ook daarmee is de stroming van de Bogomielen niet aan haar einde gekomen. Er heeft tot in de twintigste en eenentwintigste eeuw een verborgen beweging bestaan, die de ideeënrijkdom der Bogomielen levend hield. 

Mensen die officieel misschien de islam beleden, of tot de Grieks-orthodoxe, of christelijke kerk behoorden, hebben de vlam van de in oorsprong gnostieke Bogomielse leer brandende gehouden. Dat is mogelijk geweest omdat zij niet op de voorgrond traden. Dat is mogelijk geweest omdat zij in principe een landelijke beweging vormden, ver weg van het rumoer van de steden, ver weg ook van maatschappelijke invloed, en de snel wisselende regeringen in Joegoslavië en Bulgarije. Ze zijn vergeten, en daarom hebben zij lange tijd in stilte hun werk kunnen blijven doen. 

II 

Niet dat Pop Bogomil nu de eerste is geweest, die de leringen van de onvergankelijke geest-mens verkondigde, en die probeerde het licht te wekken in de harten van de mensen die op de Balkan woonden. In het Byzantijnse keizerrijk bruiste al vele eeuwen een gnostiek-manichese activiteit. Pop Bogomil zag de onmetelijke rijkdom ervan voor de individuele mens en het innerlijk geluk dat erin besloten ligt, en het is daarom dat hij ze verspreidde. Hij concentreerde die leer, en haar werkzaamheid werd in die tijd bekend als de Bulgaarse kerk (in het westen) en de Dragovische kerk (in het oosten). Je kunt deze zien als twee hoofdstromingen binnen een uitgebreid netwerk van losse ‘broederschappen’, die min of meer dezelfde levensprincipes probeerden na te leven. Bogomil vormde daarbinnen het nieuwe, lichtende centrum. 

We zagen al dat het meeste dat over deze broederschappen bekend is komt uit de monden en de geschriften van hun tegenstanders. Sommige van deze denkbeelden stammen direct af van de eerste gnostieke christenen, andere ideeën zijn duidelijk manichees. Het zal je niet verbazen dat ‘de ruzie’ tussen de beide kerken (de staatskerk en de bogomielse) ging over het begrip van de schepping der wereld. Volgens de gevestigde kerk van toen (en nu) is déze wereld de door God bedoelde, en de hemel is de plek waarheen je gaat na je dood, dankzij Christus, ‘die onze zonden en de erfzonde’ heeft uitgeboet. 

En in deze wereld is de kerk het belangrijkste, want die zorgt dat de mensen beschaafd leven, het goede doen en het kwade laten, en de aanwijzingen van de kerk opvolgen. Maar volgens de Bulgaarse kerk is deze wereld het gevolg van de activiteiten van de tegenoverweger, die zij Satan of Satanaël noemde. Daarin zijn alle mensen, alle lichtdragers, gevangen in een mix van goed en kwaad; meer kwaad dan goed overigens. De door God ‘geschapen wereld’ ligt buiten de onze. 

Gnostieker kan het niet. Dat kwam zo, leerden zij: ‘In het oerbegin heerste alleen de goede God. Hij had geen vorm of lichaam. Deze God schiep de zeven hemelen die zonder grenzen waren en geen begin of eind hadden. Uit die Lichtgod kwam Satanaël voort. Deze was eigenwillig en schiep zijn eigen wereld. Daardoor werd Satan, oorspronkelijk een broeder van Christus, nu een engel des doods. ‘Mijn Vader ’, zo zegt Christus in dit boek, ‘heeft hem wegens zijn aanmatiging geheel herschapen en zijn licht van hem weggenomen’.

De rol van de mens in dit oerdrama wordt als volgt weergegeven: ‘De geesten van de duisternis wilden zich op het lichtrijk storten. Zij kwamen tot aan de grenzen, maar zij vermochten niets te doen tegen het lichtrijk. Nu moesten zij door het lichtrijk worden bestraft, maar het lichtrijk bestond uitsluitend uit het goede. Straf is een onbekende grootheid in hun wereld. Dus konden de demonen van de duisternis alleen door iets wat niet in hen was geraakt worden. Daarop namen de geesten van het lichtrijk een deel van hun eigen rijk en zij lieten dit vermengen met het rijk van de duisternis… Daardoor kwam er een zuurdesem in het rijk van de duisternis en een werveling ontstond. Hierin kwam de dood terecht en hij ontving de kiem van zijn eigen vernietiging. Langzaam verteerde hij. Als gevolg ontstond het geslacht der mensen, de oermens die uit het Lichtrijk voortkwam en die zich met het rijk van de duisternis wilde vermengen en het daarom moest overwinnen.’

III 

Als de politiek zich gaat mengen in het leven van een gnostieke gemeenschap is het gedaan met een vrije, ongestoorde ontwikkeling. Daarom zijn die gemeenschappen waar werkelijk bevrijdend gewerkt werd, steeds verder van de centra van beschaving en de middelpunten van de macht weggetrokken, in oostelijke richting, om zich in alle rust, geheel onafhankelijk aan dat doel te wijden. Daar, in de rust van de natuur maar gericht op de zielennatuur, hadden zij genoeg aan het weinige dat een mens nodig heeft om in leven te blijven. Zij wakkerden begeerten niet aan; daarentegen brandde in hen een groot innerlijk verlangen. 

Leergierig als ze waren, richtten hun activiteiten zich ten volle op reinmaking van het hart, geheel in overeenstemming met het leven dat Jezus hen had voorgeleefd. Zij lieten, als vanzelf, het oude los. In het magnetische veld en de wijsheid van de broeder of broeders die zo’n groep leidden, traden zij het nieuwe levensveld tegemoet. Daarbij was het nieuwe testament van de bijbel hun leidraad, met name het evangelie van Johannes. Deze apostel werd door hen Johannes Bogoslov, dat betekent: ‘Gods Woord’ genoemd. De Bogomielen begrepen zijn boek ‘door inspiratie uit de heilige geest’. 

Het enige echt Bogomielse boek is het ‘Boek der Geheimen’, ook wel genoemd het ‘Boek van de heilige Johannes’. Johannes en de opgestane Jezus onderhouden zich hierin waarbij de meester alle vragen van ‘de discipel, die hij liefhad’ over het ontstaan en het einde der wereld, de val en het ontstaan van de tweede wereld, die wij als de aarde kennen, verklaart. 

De Bogomielse gemeenschappen werkten kleinschalig, maar ze wisten zich verbonden in het ene grote lichaam van de Bulgaarse Kerk. Ze beoefenden de noodzakelijke ambachten. Zij bestudeerden in hun gemeenschappen de natuur, de geneeskunst, de zang en de muziek, de wetmatigheid van de kosmos, de mens, de ziel en het leven van de meester Jezus. Zij hadden niet de minste belangstelling voor de wereld en haar beschaving (hoewel ze vaak in politieke conflicten betrokken werden). In onze ogen offerden zij alles op, maar zij wonnen veel meer. ‘Leer het lagere om te zetten in het hogere. Niet het geestelijke komt eerst, eerst komt het natuurlijke. Daarin wordt het geestelijke gezaaid’.  ‘Het koninkrijk is binnenin u!’ Woorden, toegeschreven aan de Christus, die hun eenvoudige harten in vuur en vlam zetten. 

Alleen door het vrijmaken van de ‘lichtmens’ kan God gevonden, gekend en gezien worden. En als de lichtmens weer leeft, zal hij leven in een zielenlichtwereld, die geen schaduwen kent en een volstrekte en harmonische zieleneenheid van alle thuisgekomen lichtdragers te zien geeft, in wijsheid, waarheid en liefde.’ Het zijn woorden, die direct van Mani lijken te komen. 

In de verschillende ‘broederschappen’ wordt in diezelfde harmonieuze eenheid een leven van soberheid, teruggetrokkenheid en contemplatie geleefd, zonder misbruik van macht en zonder bezit, waarin de aarde-mensen van toen de nieuwe dag van het zielenbewustzijn naderden. Maar de beschaving breidde zich uit, en de Bogomielse gemeenschappen moesten zich voegen naar de wettelijke overheden. Werkelijk afgezonderde gebieden werden steeds schaarser. Steeds verder naar het oosten trokken ze, en er waren steeds minder van deze gemeenschappen. 

Van Rijckenborgh schrijft in het veertiende hoofdstuk van de Egyptische Oergnosis:  ‘De gehele wijdheid van een werelddeel als bijvoorbeeld Siberië draagt de sporen van het Bogomielse leven. Overal, onder metersdikke lagen van sneeuw en ijs, vinden we die sporen. Maar ook daar achterhaalde hen de wet. En dat tot op onze dag. Naar wij menen is in het laatste van de vorige eeuw een Bogomielse sekte uitgeweken naar Canada en bouwde daar een intieme, pure en edele gemeenschap op, omringd en beschermd door onmetelijke wouden en gebergten.’

Het was duidelijk: deze manier van mensheidbevrijdend werken was aan haar einde. ‘Want de gnostiek-gerichte mens zal van binnenuit maar al te vaak met die wetten in conflict komen. Niet omdat hij de wetten der samenleving zou willen overtreden, maar omdat hij aan die samenleving wil ontstijgen en op wil gaan in de wereld van God! Maar dat kan de wetgever niet tolereren. Iedere overtreding wordt bestraft. Daarom is de mens gehouden, althans wanneer hij vrede wil houden met de wereld, de wetten van zijn samenleving te aanvaarden.’ Waar vind je nog ontoegankelijke gebieden om een dergelijke gemeenschap op te bouwen ? Er moesten nieuwe wegen gezocht worden. 

In de Tweede Wereldoorlog is de laatste grote leider van een Bogomielse groepering, de meester Peter Deunov, gestorven. Hij leefde van 1864 tot 1944, en tijdens zijn leven was hij arts. In 1900 richtte hij de ‘Broederschap van het Licht’ op. Rond hem ontstond een nieuw, modern centrum van esoterisch christendom, geheel geschoeid op het spirituele verleden van de Balkan. Eerst door het nazisme, en later door het opkomend communisme dat in die streken vooral op het platteland grote gevolgen heeft gehad, is daarna het centrum van de moderne Bogomielse beweging naar Frankrijk uitgeweken, hoewel er in Bulgarije nog duizenden sympathisanten te vinden zijn. 

IV 

In het licht van het bovenstaande zal het ons niet verbazen dat sporen van hun bijzondere leer in ver verwijderde streken van Rusland, Bulgarije , Roemenië of zelfs dichterbij, in Bosnië-Herzegovina zullen worden teruggevonden. Want de Bogomielen hebben hun godsdienst van het ‘ware christendom’ altijd gepaard doen gaan met een natuurlijk leven, zo eenvoudig en zo zuiver mogelijk. Zo zeggen zij bijvoorbeeld dat de mens het contact met de kosmos is verloren. 

Wel, dat is een gedachte die we in het westen ook weer tegenkomen: de kosmische invloed op de groei van gewassen, zaaikalenders met de standen van de maan, het is allemaal weer volop in de belangstelling. Maar ze bedoelen daar nog iets anders mee: Niet alleen is de mens geen bewoner meer van het oorspronkelijk levensveld, wat op zich natuurlijk al erg genoeg is. Maar dat valt nog te begrijpen; dat was immers een ander soort mens, een engel, een geestelijke mens, heel anders dan zij zelf waren. 

Bovendien is hij het besef verloren dat hij een bewoner van de kosmos is. Hij denkt dat hij het midden van de wereld is. Hij denkt dat de aarde het middelpunt van het heelal is. Ook al spreekt de wetenschap hem tegen, ook al weet hij met zijn verstand heus wel dat niet alles om hem draait; in zijn houding en vooral in zijn gevoel is er in de mens nog lang geen ruimte voor een besef van de juiste verhoudingen. 

Maar ga eens op een ochtend naar het open veld, vlak voor zonsopgang, zo klinkt een gedachtengang der Bogomielen. Richt je blik op het oosten waar de zon opkomt. Zie hoe, vlak voordat ze opkomt, de horizon al gaat oplichten. Voel met wat voor kracht, met welk een geweld dat gepaard gaat. De duisternis verdwijnt! En niet alleen met kracht: er komt vreugde in de atmosfeer, opnieuw komt er leven, met licht, met grote snelheid, met trilling, de atmosfeer binnen. Vogels beginnen hun zang niet als de zon op is, nee, ze reageren op die nieuwe zonne-ethers die in de aarde-atmosfeer verschijnen. Daarom fluiten ze juist net vóór de dag aanbreekt. Want het voorvoelen van de zon wekt hen, brengt hen tot fluiten en zingen. De hele aarde, de hele natuur verheugt zich daarover. De dood van één  nacht is weer overwonnen. 

Dan voel je, dan ervaar je weer wat de kracht van het Zonne-al is. Dan weet je weer dat het leven in jezelf dáár vandaan komt. En ze gaan daarin nog verder. Zie jezelf daar staan. Je kijkt naar de zon, hoe die in een boog rond de hemel trekt. Maar je vergist je. Het is niet de zon die beweegt. Zij is ten opzichte van de aarde het middelpunt. Zij is als een onverzettelijk baken in het wijde heelal, het enige ‘statische’ in een voor ons besef altijd-wervelend, altijd bewegend zonnestelsel. Het enige dat ons in de dialectiek eraan herinnert dat er een ‘onbeweeglijk’ koninkrijk is. 

Niet de zon draait om de aarde, van oost naar west. Nee, in een eindeloze duikvlucht draait de aarde van west naar oost, elke morgen zich verblijdend in de stralengloed van de zon en haar nieuwe leven indrinkend, elke avond, beschaamd om de vele vergissingen, fouten en wreedheden die op haar oppervlak bedreven zijn, het aangezicht weer van haar goddelijke glans afwendend. 

En daarop sta jij, mens. Ook jij moet mee op die rondedans. Ook jij ervaart licht en donker. Ook jij bent een mix van goed en kwaad, van licht en donker. En zelfs je bewustzijn ervaart het licht van de dag, en het donker van ‘het er niet zijn’, want men zegt wel eens dat je leven een dag is, jouw dag, en dat je erop moet toezien de juiste besluiten te nemen nu het kan, ‘voordat je “dag” weer verglijdt in het verleden.’

De Bogomielen kenden een enorme rijkdom aan ideeën die allemaal op de een of andere manier erop gericht zijn om in een vijandige wereld zo zuiver mogelijk te blijven leven. Daarom leefden zij teruggetrokken, zoveel mogelijk in overeenstemming met de natuur. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog trok hun meester, Peter Deunov, elke zomer enkele maanden naar een gebied dat ‘de zeven heilige meren’ heette, een prachtig Bulgaars landschap in het Rillagebergte. Daar, ver weg van het rumoer en gedruis van de levendige Balkan-steden, onderrichtte hij zijn leerlingen. Toen hij oud was, kwamen er honderden en honderden mensen naar hem luisteren, als hij sprak aan de voet van een van die bergen. 

De mens in het westen kan niet meer zo leven, het is niet meer mogelijk en het is ook niet de bedoeling. In feite is zijn levensgang veel moeilijker. Maar ook, zo mogelijk, belangrijker. Want juist in deze tijd, waarin alles zich enorm toespitst, kun je nog ongelooflijk veel goeds doen. Je nieuwe levenshouding kan je principieel vrijmaken van de wereld, hoewel je nog steeds erin werkt en bent. Zo kun je voor je naaste werkelijk een steun zijn, door een heel ander soort leven te bewijzen. En kijk, hoewel je anders leeft, en anders moet leven dan je Bogomielse voorgangers, zie je in verband hiermee een levenspraktijk van Mani terug, een wijsheid die je ook terugvindt in de School van het Rozenkruis: ‘Bestrijd het kwade niet, duld het’. Dat was een van de leefregels van de Bogomielen. 

Het kwade moet worden verlost, want het is niet in staat om zichzelf te redden. Het eigenlijke kwaad is niet zozeer de schrille tegenstelling tussen rijk en arm, hoewel deze onrechtvaardigheid zeker een gevolg is van het fundamentele kwaad, van de val. De Bogomielen onderwezen hoe het kwaad bij de wortels aan te pakken. Dat resulteerde in een vredelievende levenshouding die vooral was gebaseerd op mededogen voor al het geschapene. Met deze levenshouding plaatsten de Bogomielen zich buiten alle strijd, die toch het kenmerk is van de ‘toornwereld’ waarin wij leven. 

V 

En wat zijn dan die nieuwe wegen, die er dan nu zijn voor de moderne mensheid? In een beschouwing over de broederschap der Bogomielen, die zoals gezegd tot in de moderne tijd heeft bestaan, schrijft Catharose de Petri, een van de stichters van de School van het moderne Rozenkruis: ‘Peter Deunov was tijdens zijn leven de leider van de Bogomielse Broederschap – een groepering in Bulgarije – die door middel van landbouw zichzelf en haar geestverwanten in leven hield. Het boerenbedrijf was voor hen de enige accepteerbare vorm van maatschappelijke functie. Hieronder volgt een kort uittreksel uit De Graankorrel van de Leer van meester Peter Deunov. 

‘Een grote verandering moet zich voltrekken in het menselijke verstand. Een grote transformatie van de ouders, kinderen, professoren en opvoeders is noodzakelijk. Het is niet voldoende onze dwalingen en zwakheden te erkennen, men moet zich toeleggen om ze uit te doen; ons bewustzijn uit te breiden en omhoog te heffen, om de omstandigheden van ons tegenwoordige, enge en veranderlijke leven te verlaten. De goede en de slechte toestanden van het leven zijn voorbijgaande toestanden; het is het proces van ons beperkte ego; het is de ontlediging van oude schulden, de zuivering en toebereiding tot het nieuwe leven. 

De tijden zijn gekomen waarop de mens zich met allerlei middelen gereedmaakt, het derde beginsel van het leven binnen te gaan, en uit de beperktheid van het lagere zelf op te stijgen tot het kosmische of goddelijk bewustzijn. Volgens de taal van het evangelie wil dit zeggen dat de mens ‘geboren wordt uit water en geest’, dat hij met alle kracht streeft naar de liefde, de wijsheid, de waarheid, het recht en naar alle deugden waarop zijn ziel zal ontluiken in het kosmisch bewustzijn naar het eeuwige beginsel dat alles in zich bevat.’ 

Uit het bovenstaande citaat blijkt wel dat er in onze jaartelling en in ettelijke tijden daarvoor steeds groeperingen zijn geweest die de ene bevrijdende weg gezocht hebben. De Bogomielen vormden een religieuze beweging die de oorspronkelijke leer wilde uitdragen. Ze waren sterk verwant aan de katharen en zij wisselden ook wel hun werkers met elkaar uit. Maar hoe nauw verwant deze broederschap der Bogomielen ook lijkt aan de jong-gnostieke broederschap der rozenkruisers, toch blijkt bij nadere beschouwing dat de moderne mens de nieuwe levenshouding niet kan toepassen, zoals tot in onze eeuw de Bogomielse broederschap zulks deed en doet. 

Waarom schrijven we dan hier over de Bogomielen, wanneer de moderne mens toch niet hun wijze van leven kan volgen? Dat is om het juiste onderscheidingsvermogen te krijgen met betrekking tot het feit dat in iedere tijd andere eisen worden gesteld aan het bewandelen van het Pad. Houden we daar geen rekening mee, dan blijven we aan de beschouwende kant der dingen staan. Deze mensen der Bogomielse broederschap hebben gedurende vele, vele generaties reeds geheel buiten de moderne maatschappij gestaan, en de huidige vertegenwoordigers van deze broederschap zijn bij lange na niet zo verbonden met de natuur des doods als de gemiddelde West-Europeaan. 

De West-Europese volkeren hebben eeuwenlang vrijwel alle volkeren der aarde hun wil opgelegd. De bezitsdrift, de heerszucht, en de stofgerichtheid van de Europeaan is overduidelijk. Is het probleem voor de Bogomiel dus: Hoe word ik zo min mogelijk gegrepen dóór en hoe houd ik mij zo ver mogelijk verwijderd van de natuur-des-doods, voor de West-Europese gnostieke zoeker is het probleem: Hoe word ik zo spoedig en zo concreet mogelijk bevrijd van diezelfde natuur des doods. Enerzijds dus (de Bogomiel): ‘Hoe houd ik het gevaar op een afstand’, en anderzijds: ‘Hoe bevrijd ik mij van het gevaar’ (de Europeaan). Enerzijds (de Bogomiel): ‘Hoe behouden wij onze puurheid’, en anderzijds (de Europeaan): ‘Hoe wórden wij puur’. 

Dit alles dient om duidelijk te maken dat wij niet meer de methode van de ouden kunnen toepassen, en dat wij verplicht zijn een eigen methode te zoeken, ter oplossing van ons vraagstuk. Daarom dienen wij ernstig rekening te houden met het feit dat krachtens onze wezenheid en onze maatschappij het volstrekt onmogelijk voor ons zal zijn afstand te doen, of afstand te nemen van de totale natuur-des-doods. Want omdat ons menstype-in-wording dermate één is met de verstoffelijkte natuur, hebben wij krachten, atomen en fluïden van die natuur nodig om ons leven in stand te houden. Zonder het maatschappelijke probleem zelf ter sprake te brengen, blijkt dat onze dialectische persoonlijkheid de elementen der verstoffelijkte natuur dagelijks nodig heeft om zich te kunnen handhaven. 

De strevende mens naar het nieuwe leven der Godsnatuur zou bijvoorbeeld in de aanvang van zijn zielenreis naar de vader niet geheel kunnen leven van zuivere ethers en reine astrale substantie; zijn lichaam zou dat niet kunnen verdragen. Zijn voertuig zou al spoedig door de krachtige invloeden verbranden. Daarom zal de ernstig strevende serieuze leerling van de gnostieke geestesschool het moeten hebben van een compromis. Dat is een lelijk woord in dit verband! Maar om de houdbaarheid ervan te bewijzen, wijzen wij u op het bekende: ‘Geef de Keizer wat des Keizers is, maar Gode wat van God is’. De keizer kan op een gegeven moment de overheid zijn, met zijn het maatschappelijke leven regelende wet, doch op een ander moment een voor de instandhouding van het leven noodzakelijke kracht. 

Een voorbeeld: strikt genomen is al het voedsel dat wij tot ons nemen, welke voorzorgen men ook in acht mocht nemen, en welke vegetarische en diëtistische maatregelen je ook zou willen treffen, tot en met van de aarde-aards. Bovendien worden in onze tijd op dit punt alle leefregels wat hun nuttigheidselement betreft volkomen geneutraliseerd vanwege de overmaat aan radioactiviteit die in onze atmosfeer aanwezig is. 

De meest verantwoorde maaltijd wordt zo tot een dodelijk gif. Niet slechts voor je lichaam, maar ook en vooral voor je zintuiglijke en verstandelijke vermogens. Daarom is de levenshouding der Bogomielen in onze moderne tijd achterhaald. Hun zelf verbouwd koren is ook niet vrij van dit atmosferische gif. Daarom moeten wij het niet in de materie zoeken, want fijne of grove materie, gekookt of rauw, het blijft allemaal hetzelfde. Onze materie verstikt de mens als een gifgas. Wij gaan er allen aan ten onder. Geef daarom rustig aan de keizer wat des keizers is! Het is de tol, die de mens betaalt aan zijn natuurgeboren wezenheid, en vanwege zijn bestaan in de doodsnatuur. Want het één is net zo erg als het andere! 

Zijn wij dan fatalisten? Laat ons eten, drinken en vrolijk zijn want morgen sterven wij? Nee, zeker niet, want het standpunt van Jezus is: ‘Geef de Keizer wat des Keizers is, maar aan God wat van God is.’ Wat is aan God ? Wat kan zich neigen tot het goddelijke ? Wat of wie kan zich onverwijld en consequent op dat standpunt plaatsen? 

Alleen de ziel! Alleen als je de ziel, jouw ziel, tot Leven brengt, kan die aan God geven wat van God is. En alleen als je je onvoorwaardelijk voegt naar de eisen van de ziel, met je gehele persoonlijkheid. Dan kan die persoonlijkheid schade lijden, en door een eventuele vijand verknoeid worden, en door radioactiviteit tot een wrak worden gemaakt; dan kunnen de Kathaarse lichamen worden verbrand en Bogomielse lichamen worden doodgeknuppeld, doch voor hun zielen is dat feitelijk een ondergeschikte aangelegenheid. Als de zielen maar geen schade lijden, daar gaat het om! 

Daarom is de levenshouding in deze natuur een kwestie van intelligentie. Wij bedoelen te zeggen dat de zielenmens zijn natuurgeboren persoonlijkheid gebruikt om zo lang het kan, zo goed mogelijk God te dienen; zijn Plan met wereld en mensheid uit te dragen, en zich in te zetten om waarlijk zoekenden te vissen uit de levenszee. En voor de gehele rest moet je aan die natuur slechts de belangstelling schenken die zij verdient. De dringende raad, die wij je geven is: Plaats het centrum van je levensstaat in de ziel, dan zul je waarlijk levensgeluk ondervinden. Als je die raad opvolgt, dan zul je waarlijk aan God geven wat van God is. Want alleen de ziel kan zich opheffen tot God, alleen de ziel kan doordringen tot de goddelijke wereld. 

Alleen de ziel kan de binding bewerkstelligen met de geest. Het is alleen de ziel die het scheikundig huwelijk met de geest zal kunnen vieren. Het: ‘Geef de keizer wat des keizers is’ heeft slechts betrekking op het incidentele. Het: ‘Geef Gode wat van God is’, dat is de eeuwige werkelijkheid zelf.

Bron: Gnosis – Stromen van Licht in Europa door Peter Huijs

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *