Catharose de Petri – grootmeesteres van het Gouden Rozenkruis, gedeelte uit ‘Geroepen door het wereldhart’

Catharose de Petri (1902-1990) voegt zich in 1930 bij de ondernemende, idealistische vriendenkring die zich heeft gevormd rond de broers Wim Leene (1892-1938) en Jan Leene (1896-1968), oprichters van de School van het Rozenkruis. Het nieuwe spirituele ideaal en de opbouw van de groep ziet ook zij dan voor zich. Zij formuleert uitdrukkelijk, dat zij een eigen opdracht heeft die zij op 28-jarige leeftijd van de broederschap ontvangen heeft, namelijk ‘van de bonafide Orde van het heilige Rozenkruis’. Hoewel zij aanvankelijk geen heil in de vorming van een groep ziet, kunnen de beide broers haar toch overtuigen dat gebundelde kracht sterker is. 

Haar eigen naam is Henny (Hendrikje) Huizer, en ze is in de roerige eerste jaren van de twintigste eeuw geboren in Rotterdam. Haar vader was scheepmaker; als meisje volgt zij een Mulo-opleiding en daarna komt ze op kantoor. we lezen in een artikel in de weekuitgave ‘Het Vaderland Weekjournaal’ dat zij net als haar vriend en broeder Jan Leene reeds als jong meisje geheel vervuld is van de vele levensvraagstukken die er zijn, zoals het doel en wezen van het menselijke leven hier op aarde. Zij vertelt dat deze problemen haar reeds in het achtste levensjaar intensief bezighouden. en helder schrijft ze:

‘het gnostiek verleden als bindende factor van onze levensopgave in het heden in mensheidsdienst, zagen de heer Van Rijckenborgh en ik reeds in de jeugdjaren voor het bewustzijn oplichten. […] Het persoonlijkheidsbewustzijn stelde nauwelijks zijn kracht in dienst van het stoffelijke voertuig, reden waarom men ons toen onbegrepen dromers noemde.’

En onbegrepen is ze. Haar vader is van gereformeerde ouders en haar moeder hervormd, maar beiden doen weinig aan hun geloof. ook bij haar, net als bij J. Leene, is het gewone christelijke onderricht verre van voldoende om haar levensvragen te kunnen beantwoorden, en de catechesatielessen die ze krijgt bij een hervormde predikant te Rotterdam vindt ze onbevredigend. Net as hij volgt zij een Mulo-opleiding en daarna komt ze op kantoor. zij vertelde wel eens hoe ze er onder leed dat de arbeidsomstandigheden van haar jeugdjaren het niet toelieten haar innerlijke wereld met haar collega’s te delen. In die tijd heeft ze niet veel omgang met collega’s of vriendinnen; ze heeft het gevoel dat ze enigszins van hen vervreemdt. Haar levenshouding  begrijpen zij niet en vaak wordt ze om haar geestelijke instelling , die zeker in die tijd toch heel anders is, bespot of uitgelachen.

Naarmate zij ouder wordt, voelt ze zich steeds meer iemand met een roeping, waarbij haar voortdurend de vraag bezighoudt: wat ligt toch ten grondslag aan mijn leven? In 1929 trouwt zij met H.J. Stok. deze brengt haar in contact met het Nederlandse Rozenkruisers Genootschap. In een innerlijke ervaring, na veel wijsgerige en religieuze overdenkingen, ervaart zij haar opdracht in de vorm van een etherische duif die als uit een azuren gewelf verschijnt. Sindsdien weet ze zeker dat ‘Het rozenkruis als geestesschool met geestkracht bekend moest worden gemaakt aan allen, die hunkeren naar ziele-bevrijding. veel is mij nadien ook geopenbaard, waarvan de vruchten zich intussen kenbaar hebben gemaakt in de geestesschool van de jong-gnostiek broederschap.’

De geestelijke naam ‘Catharose de Petri’, die zij indertijd bij monde van Antonin Gadal ontving en sinds het midden van de jaren vijftig voert, (‘Catha-Rose – want het woord katharos is niet het eigendom van een enkele categorie van mensen. Pur, parfait te worden ligt binnen de mogelijkheden van de gehele wereld’) geeft een binding van de microkosmos weer met de kathaarse broederschap en de broederschap van het rozenkruis, gestoeld op de hoeksteen die Christus is. Over haar geestelijke naam deelt ze verder nog mee dat deze in feite alleen bedoeld is ten dienste van de geestesschool en de mensen, die daarin bijeen zijn. Zij gebruikt deze naam ook naar buiten, ‘niet vanwege de grotere welluidendheid, maar omdat ik het eigen persoonlijkheidsleven ondergeschikt wil maken aan mijn opdracht, in dienst van allen […]. 

Gadal gaf haar die naam als een eerbetoon, na veel jaren van voorbereiding en toetsing. Zij moest, verklaart zij later, ‘in staat zijn te getuigen van de goddelijke kracht die de mens van zijn stoffelijke wezen vrijmaakt. En voordat men van die kracht kan getuigen, dient men eerst zichzelf voor te bereiden om deze bewust te ontvangen, om haar daarna te kunnen toepassen. Een bevestiging van mijn goddelijke opdracht’ lezen we verder in hetzelfde artikel, ‘ontving ik ongevraagd en zonder er met hem eerder over gesproken te hebben uit de handen van A. Gadal. Na een tweede ontmoeting met deze patriarch overhandigde hij mij ‘als herkenning en erkenning’ een door hemzelf ontworpen zijden doek, met als motief daarin: een witte duif met gespreide vleugels, in een azuren veld’.

Haar nieuwe naam houdt tegelijk een nieuwe opdracht in. En deze opdracht, die eveneens betrekking heeft op een interne aangelegenheid van het werk, verdient vermelding. Gevraagd om welke opdracht het dan gaat, en met welke bedoeling, schrijft ze: 

‘Deze naam drukt namelijk een levensgerichtheid uit die nauw verbonden is met het streven van de school: de drie-eenheid graal, kashaar en rozenkruis, die zich openbaart op de onwankelbare rots. Het gaat er onder andere om deze driebond van het Licht in een nieuw te vormen graalgemeenschap tot een harmonische eenheid te smeden, mét de daarbij behorende vertegenwoordiging in de stof.’    

[…]

Men kan zeker zeggen dat J. van Rijckenborgh het boegbeeld was – en in menig opzicht nog steeds is – van de moderne geestesschool. Catharose de Petri is evenwel in alle opzichten de bewaarder van de innerlijke structuur. Zij is het, die het hoge niveau van de interne organisatie en haar ontwikkeling consolideert en bevordert.

Bron: Geroepen door het wereldhart van Peter Huijs

LEES MEER OVER DE BOEKEN VAN CATHAROSE DE PETRI

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *