De Driebond van het Licht: Graal, Kathaar en Kruis met Rozen

BESTEL IN HET TEKEN VAN DE DRIEBOND VAN HET LICHT

De Driebond van het Licht, zo krachtig neergezet door Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21), Catharose de Petri (fakkeldrager van het Rozenkruis 22) en Antonin Gadal getuigt van de eenheid van werken, de eenheid van straling ook, van alle bevrijdingsarbeid. Als concentrische cirkels strekt deze bevrijdingsarbeid zich uit, van het materiële leven tot de geestelijke sfeer, van de stofsfeer tot ether-stoffelijk levensveld, van het heden naar het verleden en van het nu naar een toekomst die altijd lichtend ‘heden’ is. 

Het is een arbeid die terugreikt tot in de dagen dat Hermes, de prins van het Licht, aan de oevers van de Nijl in het Oude Egypte zijn heilzame leringen deelde met de meest vooruitstrevende mensen van die tijd. Zij werden in staat gesteld zich in de sferen van het werkelijke leven te verheffen, en zijn vele malen teruggekeerd om de doffe en grijze atmosfeer van de wereld van de dualiteit te doorkruisen. Soms als een bliksemschicht, een lichtflits van hoop aan een dreigende hemel. Soms met de rust van een groep in een samenleving die haar duldde. Nu eens als eenling, roepend in de woestijn, onbegrepend maar volhoudend, dan weer eenheid voortlevend, vaak gehuld in het kleed van een godsdienst die in de praktijk scheiding en polarisatie preekte. 

In die arbeid vormt de Geestesschool een autonoom onderdeel, zelfstandig werkend onder de beschermende vleugels van de broederschap van het Rozenkruis. De Orde van de Roos en het Kruis vormt met de broederschap der Katharen en die van de Graal de Driebond van het Licht. De Graal verbindt ons met de geestelijke atmosfeer van de bovennatuur, zij is het zonnesymbool bij uitstek. Zoals de zon haar kosmos, haar lichaam, dat is haar planetaire stelsel, ononderbroken voedt met de energieën die zij omzet uit de bovenzinnelijke sferen van de logos, zo verschaft de Graal bovenzinnelijk voedsel aan het onsterfelijke, geestelijke principe in de kleine wereld, de microkosmos. 

De Driebond van het Licht wordt omhuld en gedragen door de Christuskosmos, het geheel van zuiver geestelijk, werkelijk spiritueel christendom. Sinds de aanvang van de jaartelling omvat en ondersteunt zij reeds tweeduizend jaar alle streven naar bevrijding, verheft zij strevende zielen en waar mogelijk verzacht zij met haar drie spirituele beginselen van geloof, hoop en liefde het menselijke levenslot. En ook al is tweeduizend jaar een lange tijd, nochtans staat deze kosmos pas aan de aanvang van haar werkzaamheid, die zich nog vele duizenden jaren uitstrekken. 

De Christuskosmos is het veld waarin de westerse mysteriën worden bewaard, die steeds weer ter beschikking komen als een groep de vlam van idealiteit weet te bewaren. Een groep waarin de leden de eerste hinderpalen van het elkaar niet als gelijken erkennen uit de weg weten te ruimen, als hun onbaatzuchtig streven enige vrucht afwerpt en zij zo het niveau naderen waarop de mysteriën opnieuw werkzaam kunnen zijn. 

Naast haar zijn er andere kosmoi, werkzaam voor andere mensheidsgroepen. Tezamen vormen zij de universele broederschap der mensheid. Wij werken in háár beschermende radiaties. Om haar werkzaamheid ten volle te begrijpen, dienen wij ons bewustzijn op te heffen. Wij dienen in staat te zijn tot het eerste begin van abstract denken – hetgeen zeggen wil dat er op het hoge niveau waartoe het denken zich kan verheffen, in ons gedachte wordt en hogere ideatiekrachten ons bewustzijn vormgeven.  

KRUIS MET ROZEN

De broederschap van het klassieke Rozenkruis ligt in historisch opzicht het dichtst bij ons. Ook al is haar werkzaamheid ver verwijderd van het moderne wetenschappelijie denken, zij verbindt ons met het eeuwenoude corpus van kennis, dat we het hermetische denken noemen. Het bijzondere van deze zeventiende-eeuwse impuls was, dat zij dat weten op waarlijk alchemische wijze omzette in een christelijke-hermetisch denken. Tegelijk hertvormde zij de grote reformatie van Lutherin Christo mea vita – in hermetische zin, daarmee de weg van de mensheid voor de toekomst aangevend. 

Het schitterende van het hermetische denken ligt in het feit, dat het de scheiding opheft tussen twee scherp van elkaar onderscheiden werelden of bewustzijnssferen. Het erkent de gevallen status van ons mensen, maar verbindt ons direct met het universele potentieel in ons als geestelijke mens. Het herkent – net als de kerken – het Woord als het zuivere leerboek. Dat Woord wordt absoluut universeel gezien. Het drukt zich niet uit op papier, maar vindt in de gehele zichtbare, begrijpbare, levende Natuur haar afdruk. In het groot, als het Boek M., het liber mundi, het boek van de Wereld. In het klein als de levende mens (het boek H) in de microkosmos.   

Daar bovenuit gaat het boek T., het liber theos, het Boek Gods. Dat is de ene, oneindige schepper, onzichtbaar, de drager, die alles mogelijk maakt. Dat is Hij die zich in oneindige variatie uitdrukt in het Boek M., en die tegelijk, en direct, zich als geest, als intuïtie, als vonk van zijn geest uitdrukt in de microkosmos. Direct kenbaar, als de mens het fragmentarische van zijn persoon te boven komt, zich verheft in de Rede en zo het Licht van de Natuur – dat is de Zoon! – kennen leert. 

Dan leert hij zien het geheimzinnige vuur van de rozenkruisers, waarmee zij ‘de zieken genezen’. Dan ervaart ook hij het Aurora van Jacob Boehme (fakkeldrager van het Rozenkruis 7), dat deze waarnam toen hij in een flits doordrong tot de diepste geheimen van het Ene, het Paradijs en de werkzaamheid van de zeven geesten van de oneindige schepper. 

In praktisch iedere zin van de hermetische teksten klinkt het door: ‘Wij zijn van goddelijk geslacht.’ Maar als wij de tak afsnijden van de stam, leert Hermes, kunnen de goddelijke levenssappen ons niet meer bereiken, verdort ons bewustzijn, zien wij tegenstelling op tegenstelling, verliezen wij ons in polariteiten, geven wij het levende verband op dat tussen alle schepselen bestaat én sluiten wij de geestelijke wereld, en al haar verheven leven, voor onszelf toe. 

Hoe anders zijn de opvattingen van de toenmalige kerken! Het woord was voor hen wet op gedrukt papier, letterlijke tekst. Hoe juist troffen de rozenkruisers en hun geestverwanten de ware grond van godsdienst: De geest waait waarheen hij wil, God-in-de-mens, en het bewustzijn van waarom de mens microkosmos wordt genoemd. Hoe juist ook hun oproep, de ‘onbekende helft van de wereld’, namelijk de goddelijke helft, met een verlichte geest te onderzoeken en het Boek T. te leren lezen. 

‘Namen zijn van geen belang,’ zegt de ware rozenkruiser. In de toekomst zullen de namen van de dienaren en de groeperingen vergeten zijn, maar de resultaten van hun werkzaamheid gemeengoed zijn geworden. ‘Reeds lang geleden nam een engel mijn pelgrimshart weg en liet daarvoor in de plaats een vurige kool, die nu onafgebroken brandt en in liefde gloeit voor de algehele verbroedering van de mensheid,’ lezen we in ‘Zeventien kenmerken van de ware rozenkruiser’. Die vurige kool is aspiratie, verbinding, menslievendheid, dienst voor anderen. 

Met enige moeite kunnen wij ons in onze tijd nog verbinden met dat grote christelijk-hermetische veld van denken, waarin sterren en kruiden, astronomie en alchemie hand in hand gingen met retorica, geneeskunst, fysica en mathematiek, die eertijds het laatste middeleeuwse denken en onderzoeken bepaalden. Leven, denken, onderzoek en aspiratie vormden een geheel. er ontstond een scheiding tussen leven en denken toen de wetenschap zichzelf ging verlichten en haar licht niet meer wilde laten afhangen van een hoger samenbindend principe: de rationele Verlichting van het einde van de zeventiende eeuw. De rozenkruisers wezen altijd op het tegenovergestelde: Jesus ex omnia parte, zoek in alle de samenhang, het verbindende element, de ziel. 

KATHAAR

De broederschap van de Katharen ligt voor ons bewustzijn nog weer verder terug – in een tijd dat wetenschap vooral overgeleverde kennis was. Het hogere maatschappelijk-culturele leven drukte zich voornamelijk uit in strijd en heroïek, in hogere liefde en ware minne. De edelste geesten zochten contemplatie en vereenzaming in hun streven naar reinheid en volmaking. Het centrum van die cultuur zoeken wij niet in Ravenna, Rome of Avignon, maar in het rijk dat zich uitstrekte van Noord-Italië, Zwitserland, Zuid-Frankrijk tot Noord-Spanje: Occitanië, zalig en vruchtbaar gebied, waar harmonie en samenhang te vinden waren. Waar de laurier van Apollo bloeide en de geuren van de terebint op ‘vleugelen van winden’ de vervoering van geest aankondigden. ‘Terebinten van de gerechtigheid, een planting van de geest, tot zijn verheerlijking’, zegt de heilige taal in Jesaja 61…

Voor de moderne mens is het moeilijk, om zich daartoe op een juiste wijze te verhouden. In onze tijd vinden we niet spontaan de relatie tot ons strevend gemoed. Men is liever succesvol, vol persoonlijkheid en snelheid. Er is schroom, we schamen ons misschien om eenvoudig te zijn … Zijn we dan niet te naïef, te kinderlijk, te … middeleeuws?

Het moderne leven bracht ons ver af van het vermogen om spontaan het goede te denken, het juiste medegevoel te tonen en in staat te zijn rechtvaardig te handelen. Er is een lange weg van ervaring nodig, voordat de mens van onze tijd beseft dat juist het contact met zijn strevend innerlijk, het gewone menselijke gevoel – niet geweldige esoterische inzichten en ervaringen met het onzichtbare – de beste uitgangspunten blijken te zijn voor geestelijk leven. Uitgangspunten die voor de twaalfde-eeuwse middeleeuwer veel vanzelfsprekender waren. Niet iedereen in die dagen ging de weg der sterren, maar die hem wilde gaan, werd daar gebracht waar het pad van inwijding een aanvang nam: bij de bonhommes (later ook wel parfaits genoemd) …

Om die reden kent de moderne Geestesschool een ander uitgangspunt: de School van het Rozenkruis is een opvolger in geestelijke zin, geen navolger. Zij werkt vanuit dezelfde impuls, maar in deze tijd is een heel andere Christusopenbaring nodig, afgestemd op wat de mens nu begrijpt, en aanvaarden wil. En meer nog dan met haar wijsbegeerte bewijst zij de nieuwe methode met de kracht van haar vuurtempels, die iedere naderende kan ervaren, en waarin deze nieuwe mogelijkheden voor de eigen levensgang zal ontdekken. 

GRAAL

Tot de broederschap van de Graal kan de moderne mens in feite geen verhouding hebben, anders dan tot een verhaal, een mythe, een vertelling van een mysterievolle queeste. In niets correspondeert die sprookjesachtige zoektocht met de moderne werkelijkheid. 

Wat weten wij van de vijfde en zesde eeuw? Er zijn fragmenten van denkers over, meest monniken die uit het snel afbrokkelende Romeinse Rijk westwaarts trokken. De omstandigheden van de tijd waarin dit alles zich afspeelde, veertien, vijftien eeuwen geleden, zijn praktisch onbekend, en het is maar de vraag of de beschreven gebeurtenissen wel in de reële tijd hebben plaatsgevonden, en niet in een onbekende maar ook veel zuiverder sfeer, waar andere dingen werkelijk zijn dan wij bereid zijn aan te nemen. De eerste documenten die er in historische zin over vertellen, stammen uit een tijd zeven eeuwen later. Dat is net zo lang geleden als wij nu terugblikken naar de tijden van Esclarmonde, Montsavatsche, ‘de Heilige Berg’ en de graven van Foix. 

En toch neemt binnen de arbeid van de Geestesschool juist de arbeid van de Graal een reële en buitengewoon belangrijke plaats in. In een beslissend moment van de historie van de School, toen de voortgang van het werk uiterst onzeker was, bepaalde Catharose de Petri, onze grootmeesteres, het bewustzijn van de goep bij een perspectief dat ongekend lichtend was – maar nog slechts door een kleine groep getrouwen kon worden gegrepen. 

De Graal, zo overdenken de universele leringen, bevindt zich waarschijnlijk niet meer in de stoffelijke levensvelden. Waaruit wij mogen concluderen dat geen mens haar ooit zal vinden. De zoektocht waarvan de legenden verhalen, kan derhalve niet de zoektocht zijn van één enkele mens. 

Iedere zoekende mens begint zijn zoektocht in eenzaamheid; het vinden is evenwel in de gemeenschap, in het besef niet zonder de medemens te kunnen. Op het diepst van zijn eenzaamheid; het vinden is evenwel in de gemeenschap, in het besef niet zonder de medemens te kunnen. Op het diepst van zijn eenzaamheid ontdekt de zoekende mens in eerste instantie de drie gaven van de Christuskosmos, die al behoren tot het vrijere zieleleven: het geloof dat er enige verlichting of bevrijding moet zijn uit de situatie waarin hij zijn zoeken begon, de hoop die de eerste glanzen, het Aurora van een nieuw bewustzijn verkondigt, en de liefde die hem ervaren doet niet alleen te staan, en zijn verbondenheid met velen doet ervaren. Vandaar dat ‘het vinden in de gemeenschap is’. 

Deze vertroosting is het eerste mysterie, het drievoudige geschenk van de broederschap van de Graal, de Orde van de Parakleet. De volgende mysteries zijn gelegen in de nieuwe werkzaamheid, die voortkomt uit het bewuste samenvloeien in een vooruitstrevende groep. Het gaat om transformatie, om het zich verheffen in het veel omvangrijkere bewustzijn van het levende lichaam, dat in onze School treffend vergeleken wordt met een Gouden Hoofd.    

Zoals een mens een bewustzijn heeft, zo bestaat er een levend, nieuw bewustzijn van het levende lichaam, dat in een zeer hoge vibratie existeert. Het behoort niemand toe, het zij dan Christus; het is niet de verdienste van één mens, terwijl allen er gelukzalig in delen. En als we dan in de legende lezen dat:

‘…Jozef van Arimathea en de zijnen plaats nemen in de kring – treffend symbool voor de gemeenschap – en wanneer “er geen zondaar zich in zijn aanwezigheid ophoudt’, allen de heerlijke radiaties ondergaan van de schaal, en de Graal ervaren als hemelse weldadigheid en als ‘zoete vervulling van hun hart’…

…dan is het zonneklaar dat de hier beschreven verheven zaligheid er een is van een voortgeschreven groep, geborgen aan het hart van de Hemelse Roos, die in volstrekt ware zin communiceert met het opstandingsveld, en met de orde van de volmaakten. 

Gelukzaligheid vervult hen – en niemand houdt vast, beperkt, kapselt in. Allen zijn in hun eenvoud stralend bewust, en vormen een perfecte schaal, een Graal, als een glazen zee. Wat doen zij anders dan deze zuivere vibraties van de geest verder uitdragen? Wat zouden zij anders willen? Zij ontvangen meer dan overvloedig en geven, geven, geven.

Bron: In het teken van de Driebond van het Licht, p. 118 – 125

BESTEL IN HET TEKEN VAN DE DRIEBOND VAN HET LICHT

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *