Inleiding van het boek ‘Mysteriën en lofzangen van God, kosmos mens – het godsplan verwerkelijken’: de weg der sterren

Hieronder volgt de inleiding ‘De weg der sterren’ die Jan Schoeber op verzoek van Rozenkruis Pers schreef voor het nieuwe boek Mysteriën en lofzangen van God, kosmos mens – het godsplan verwerkelijken, deel 6 van de Spirituele teksten bibliotheek.

‘De mens is een groot wonder, o Asclepius’. Ieder weldenkend mens zal deze uitspraak, die wordt toegeschreven aan de Egyptische wijze Hermes Trismegistus, kunnen bevestigen, ongeacht zijn of haar afkomst, achtergrond, levensbeschouwing en religie. In de afgelopen duizenden jaren heeft de mensheid veel kennis opgedaan over zichzelf en over de verschijnselen op aarde en in het universum. Er zijn talloze studies gedaan die belangwekkende inzichten bieden in het functioneren van het mineralenrijk, het plantenrijk, het dierenrijk en de mensheid. 

De onderzoekingen binnen de wetenschappen strekken zich steeds verder uit, zowel naar het oneindig grote – naar het heelal met de planeten, manen, sterren, sterrenstelsels en zwarte gaten – als naar het oneindig kleine: naar de moleculen, atomen en elementaire deeltjes, waaruit alle materie is opgebouwd, deeltjes die als gestolde energie zijn te beschouwen. Hoe meer kennis we verkrijgen over het universum en alles wat daar deel van uitmaakt, hoe groter onze verwondering zal zijn over het ontwerp, de functionaliteit en de perfectie van de kosmos. 

Ook de levensprocessen worden met een toenemende nauwkeurigheid beschreven en verklaard. Wetenschappers ontwikkelen steeds effectievere methoden om levensprocessen te beïnvloeden in richtingen waar zij belang aan hechten. 

In de afgelopen eeuw zijn er grote vooruitgangen geboekt in alle wetenschappen die de mens en het menselijk handelen onderzoeken en beschrijven, zoals biologie, psychologie, sociologie, antropologie, economie, politicologie en theologie. Zouden al die wetenschappen tezamen in staat zijn om een compleet beeld te geven van het verschijnsel mens? Wetenschappers kijken op een objectieve manier naar de mens, naar aspecten die zintuiglijk vastgesteld kunnen worden en vaak ook kunnen worden gemeten. Door die restrictie gaan ze voorbij aan de essentie die de mens werkelijk tot mens maakt, en die samenhangt met de bewuste, levende ervaring, die ook wel wordt aangeduid met het woord ziel. Zo krijgen zij geen toegang tot de mysteriën van de mens, en zeker niet tot de mysteriën van de kosmos en van God. 

BESTEL MYSTERIEN EN LOFZANGEN VAN GOD, KOSMOS, MENS

Het lijkt erop dat we, naarmate we meer te weten komen over het wat en het hoe van het leven en het mens-zijn, we verder verwijderd raken van fundamentele vragen als: Wat is de betekenis van ons bestaan hier? Wat heeft ons naar deze vreemde wereld gebracht? Wat is onze bestemming? Via zulke vragen kunnen we in contact komen met de mysteriën van het leven waar ons verstandelijke denken niet in kan doordringen. De Chinese filosoof Lao Zi schreef enkele eeuwen voor het begin van de jaartelling in vers 14 van zijn Daodejing: 

Kijk naar Tao en je ziet het niet; men noemt het kleurloos. 
Luister naar Tao en je hoort het niet; men noemt het geluidloos.
Tast naar Tao en je raakt het niet aan; men noemt het onstoffelijk. 

Wie wil doordringen tot de essentie van het leven, heeft iets nodig dat wereldwijd wordt aangeduid met het Griekse woord gnosis, dat ‘kennis’ betekent en verwijst naar innerlijk weten. Steeds wordt deze benaming gebruikt om duidelijk te maken dat het gaat om de kennis van het hart en niet om de kennis die voortvloeit uit ons verstandelijke denken. 

Is het mogelijk om iets van die kennis, van die gnosis te verwerven? Het antwoord luidt: ja! Maar het is essentieel te beseffen dat gnosis niet kan worden verkregen met de ons vertrouwde intellectuele methoden voor het verkrijgen van kennis zoals die overal worden toegepast. Gnosis manifesteert zich namelijk in de mens in wie een bijzonder proces begonnen is. We zouden kunnen zeggen dat de verwerving van dergelijke innerlijke kennis een soort fermentatieproces is dat op gang komt zodra een goddelijk principe actief wordt in een individu. Dit goddelijke principe is overal ter wereld bekend in religies, mythen en filosofieën, omdat dit het fundament is van al het spirituele streven. 

De Duitse dichter Friedrich Schiller sprak in zijn gedicht ‘Ode aan de vreugde’ over de godenvonk. In het oosten wordt het aangeduid als het juweel in de lotus, als atman of als de geest in de vallei, zoals Lao Zi het noemt. En de rozenkruisers spreken over de roos in het hart, die in de mens aanwezig is als een bloemknop, maar kan openbloeien wanneer hij zich weet open te stellen voor het geestelijke licht. De Bijbel gebruikt het symbool van het zaad dat in de aarde wordt gezaaid en uitgroeit tot een levensboom waarvan de vruchten kunnen worden geoogst. 

Werkelijke gnosis komt van binnenuit en manifesteert zich veelal als het gevolg van een innerlijke aanraking na een uitgebreid zoeken. Ieder mens zoekt, heeft gezocht of gaat zoeken. Heel het mens-zijn is verbonden met het zoeken naar vervulling. Er ontbreekt ons iets, we zijn beperkt, eindig, onvolkomen. Wat kunnen we doen om te ontkomen aan deze innerlijke onrust? 

We kunnen ons verdoven met alles wat deze wereld ons biedt. Dan zoeken we vergetelheid. We kunnen ook alles in het werk stellen om een aangenaam leven te leiden. Dan zoeken we geluk. We kunnen ook ontevreden zijn met onze materiële levensomstandigheden. We zoeken dan bezit. 

Het menselijke zoeken kent dus allerlei gradaties. Voortgedreven vanuit het gevoel onwetend te zijn, niet in staat de wereld te beheersen, niet wetend hoe het volmaakte te scheppen, zoekt de mens. Hij zoekt naar het hogere, het diepere, naar het ware, want er moet een geheim zijn, een sleutel. Er moet toch een waarheid zijn, wellicht ergens verborgen in de vorm van wetenschap, religie of kunst. Een waarheid die het volmaakte vertegenwoordigt. Heilige geschriften, legenden en verhalen daarover spreken ons toch niet voor niets aan, en roepen soms in ons een gevoel van heimwee op. 

Sinds mensenheugenis wordt er gezocht naar de ontbrekende schakel die met meerdere namen wordt aangeduid. Men zoekt naar het levenselixer, naar de steen der wijzen en naar de heilige graal, omdat daarover wordt gezegd dat zij leiden naar het goede, het ware en het schone.

Wat is de ontbrekende schakel, de schakel die ons verbindt met de hogere werkelijkheid, waarvan we het bestaan soms intuïtief aanvoelen, maar die ons telkens weer ontglipt? Ons mens-zijn is niet compleet, onvolmaakt, omdat de verbindende schakel met onze goddelijke oorsprong er niet meer is. Fundamentele wetenschap, ware religie en koninklijke kunst van bouw zijn losgelaten, vergeten, vervaagd. De terugkeer tot dat goddelijke, het herstel van de binding met het goddelijke, dat is het geheim, het mysterie. 

Er is een sleutel die de deur tot die oorspronkelijke toestand, dat oorspronkelijke rijk, dat koninkrijk opent. Het is de gnosis, de mysterieuze kracht uit het goddelijke rijk, waaraan dit boek ‘Mysteriën en lofzangen van God, kosmos, mens’ is gewijd. Het is de inspiratie vanuit een onzichtbare levensrealiteit, die zich in de mens kan manifesteren als gnostiek geïnspireerde wijsheid, liefde en daadkracht – attributen die geschonken worden wanneer het latente goddelijke principe in het hart van de mens ontwaakt en hij de stille stem vanuit zijn diepste innerlijk gaat volgen. 

Het volgen van de stem van het rozenhart is als het gaan van een weg die ook wel het pad van transfiguratie wordt genoemd, omdat de mens aan een fundamentele verandering wordt onderworpen. Het is het pad van inwijding, dat van oudsher wordt vergeleken met de metamorfose van de rups tot vlinder. Binnen de middeleeuwse gnostieke beweging van de katharen werd het aangeduid als de weg der sterren, waarop de mens symbolisch vrij komt van de aantrekkingskracht van de aarde. 

Die gedachte werd zo’n duizend jaar eerder al uitgedragen in een aantal geschriften die in de eerste eeuwen van de jaartelling in het Grieks geschreven zijn in de Egyptische havenstad Alexandrië, en die op naam zijn gesteld van Hermes Trismegistus. Deze legendarische ingewijde beschrijft de weg der sterren als het opstijgen door meerdere hemelsferen. De eerste zeven sferen zijn nog sterk verbonden met de aarde en houden verband met de zeven klassieke planeten, maar vanaf de achtste sfeer is alles totaal anders. 

Vandaag de dag zouden we zeggen dat er vanaf de achtste sfeer sprake is van een andere dimensie of van een totaal ander levensveld, waarvan we ons met ons gewone denkvermogen geen voorstelling kunnen maken, maar die toch door de mens intuïtief kan worden ervaren. 

Kenmerkend voor de hermetische geschriften, ook wel de hermetica genoemd, is dat zij ervan uitgaan dat er een onverbrekelijke samenhang en verbondenheid bestaat tussen God, de kosmos en de mens, en ook dat de mens de opdracht heeft om het goddelijke in zichzelf te laten ontwaken en groeien, zodat hij geschikt wordt om mee te werken aan de uitvoering van het goddelijke plan dat aan de kosmos ten grondslag ligt. Ook in de huidige tijd kan de mens zich door die ideeën, die voortkomen uit innerlijk weten, uit gnosis, nog steeds laten inspireren. 

De sterrenkunde is één van de oudste wetenschappen. Vanaf de vroegste tijden heeft de mens met eerbied en ontzag opgezien naar de wonderbare sterrenhemel. Door de eeuwen heen zijn er altijd mensen geweest die grote belangstelling hadden voor de wetten en orde die wij kunnen opmerken in de hemelverschijnselen, en die grote voldoening vonden in het vergaren van kennis over de hemellichamen en hun bewegingen. Tegenwoordig worden er drie vormen van sterrenwijsheid onderscheiden die duidelijk van elkaar verschillen, maar die in vroegere tijden nog een eenheid vormden: astronomie, astrologie en astrosofie. Deze drie gaan er allemaal van uit dat in het universum systeem en ordening heersen. 

De astronomie of sterrenkunde brengt de ordening van het zichtbare deel van het heelal in kaart en probeert daar verklaringen voor te vinden. Voor zover begrip en bewustzijn dat mogelijk maken en met behulp van steeds geavanceerdere instrumenten wordt een gedeelte van het universum onderzocht. Die instrumenten zijn momenteel zo gepreciseerd, dat we in plaats van over het zichtbare, beter over het waarneembare heelal kunnen spreken. 

Astrologie geeft de invloed weer die sterrenstanden en planeetstanden in opeenvolgende perioden uitoefenen op mens en wereld. In individueel opzicht gaat het hierbij om de levensperiode vanaf de eerste geboortekreet tot aan de laatste ademtocht. Daarbij is het meestal de praktijk dat de mens die astrologie beoefent, zoveel mogelijk harmonie probeert te creëren in de wereld van tegenstellingen waarin hij leeft, door rekening te houden met de sterrenstanden. 

Aldus manoeuvreert de mens zo behoedzaam mogelijk tussen goed en kwaad, tussen datgene wat het lot al bepaalde en datgene wat hij mogelijk nog als keuze heeft, en probeert er het beste van te maken. Het leven naar de wetten van het lot, door middel van de astrologie, vermindert echter niet de angst en de bezorgdheid van de mens. Integendeel, door er zo intensief mee bezig te zijn wordt de mens nog sterker aan zijn zelfhandhaving gebonden. En die zelfhandhaving is een grote barrière op wat Hermes ‘de weg van de godsvrucht’ noemt. 

De astrosofie gaat ervan uit dat de invloed van sterrenstelsels en planeten naar ons uitgaat op basis van onvergankelijke, boven- aardse wetten. Deze sterrenwetenschap beperkt zich niet tot het zichtbare en meetbare heelal. Zij heeft goddelijke openbaring als grondslag. Zij geeft de planmatigheid weer van alles wat plaats- vindt in het universum. En zij stelt dat die planmatigheid uitgaat van een goddelijk plan met mens en wereld. Achter het voor de mens zichtbare drijft een onzichtbare, reële werkelijkheid, die invloed heeft op het zichtbare. Dit boek, ‘Mysteriën en lofzangen van God, kosmos, mens – het godsplan verwerkelijken’, gaat niet over astronomie en astrologie, maar is wel geworteld in astrosofie. 

De hermetische geschriften waaruit in dit boek wordt geciteerd, zijn filosofisch van aard en bovendien geïnspireerd door een hoger, innerlijk weten dat zich heeft geopenbaard. Toen ze in de renaissance herontdekt werden, waren vele geleerden er bijzonder enthousiast over omdat ze grote overeenkomsten ont- dekten met het hun zo vertrouwde christendom. Zij meenden de sleutel in handen te hebben tot wat we de universele wijsheidsleer zouden kunnen noemen. 

Uit de manifesten van de klassieke rozenkruisers uit het begin van de zeventiende eeuw is af te leiden dat zij de hermetische geschriften kenden en daar grote waarde aan toekenden. Zij beschouwden Hermes als de oerbron van alle wijsheid. Aan de hermetische leringen ontleenden zij met name ook een aspect dat een centrale rol speelde in hun plannen om te komen tot een algehele vernieuwing van mens en maatschappij: het inzicht dat de mens een microkosmos is, een afspiegeling van de macrokosmos. Ook binnen de huidige Internationale School van het Gouden Rozenkruis is dit een essentieel uitgangspunt. 

Als microkosmos en als klein zonnestelsel behoort de mens tot een eeuwigheidsnatuur van goddelijke oorsprong. Uit die oorsprong is de mens als microkosmos voortgekomen en van die openbaring moet men zich opnieuw bewust worden. De huidige realiteit van de mens laat echter zien dat hij verbroken is van dit bewustzijn, dat zijn wezen is beneveld en dat hij vanwege zijn ik-centraliteit het goddelijke veld van leven niet meer kan waarnemen.

Door de eeuwen heen is de mens echter gewezen op de godsvonk die hij in zijn hart meedraagt. Daarin ligt als een zaad de mogelijkheid tot wedergeboorte, tot terugkeer naar de oorsprong besloten. De mens is om die reden een tweevoudig wezen, hij behoort tot twee naturen: de aardse, sterfelijke natuur met al zijn facetten, en de bovenaardse natuur, de godsnatuur. 

De microkosmos is om die reden gelijktijdig opgenomen in twee ontwikkelingen. Ten eerste is er een ontwikkelingsweg als goddelijk wezen binnen de oorspronkelijke natuur, een natuur die niet is onderworpen aan de factor tijd, die aan alles een einde maakt. En ten tweede zien we een tijdruimtelijke ontwikkeling waarin de microkosmos wordt geleid tot een volheid van ervaringen, tot aan een dieptepunt, van waaruit hij weer zou kunnen opklimmen vanuit de materiële gebondenheid, om vervolgens, verrijkt met de schat aan opgedane ervaringen, het pad van de eerste ontwikkeling te vervolgen. Zo zullen uiteindelijk mens en microkosmos als een eenheid gaan be- antwoorden aan hun oorspronkelijke bestemming. 

Momenteel bevindt de mensheid zich op een omslagpunt van haar ontwikkeling. Na het bereiken van het dieptepunt, het nadir, moet nu met behulp van de sterfelijke persoonlijkheid de weg van opgang worden gerealiseerd. Vanuit een nieuwe bezieling door goddelijke kracht kan een verandering ontstaan van bewustzijn, denken, willen en voelen, ja, van het hele wezen. 

Heel de mensheid wordt momenteel in een andere richting gedreven door nieuwe sterrenkrachten. Een hogere orde doet een appèl aan de mens tot reageren. Eeuwenlang is dit al in de universele leer van verschillende volken aan de mens overgedragen, en hebben mensen daaraan gehoor gegeven. Steeds sterker wordt ieder mens voor de noodzaak geplaatst om op die roep te reageren. Wanneer dat gebeurt, verandert ook de oude voorstellingswereld. Grootse perspectieven openen zich voor de mens die de zin van zijn leven gaat begrijpen. De belangstelling verandert. 

God vinden en dienen ligt als mogelijkheid in het hart van ie- der mens besloten. Dit houdt in, dat de goddelijke kern moet groeien en de ik-centraliteit minder moet worden. Hij of zij die deze omslag in het eigen zelf teweeg heeft gebracht, is vanaf dat moment een eeuwigheidsganger geworden. Hij ondergaat de waarheid van het goddelijke plan voor wereld en mensheid, dat zich in macrokosmos, kosmos en microkosmos kenbaar maakt. 

Jan Schoeber, Hilversum, juli 2018 

BESTEL MYSTERIEN EN LOFZANGEN VAN GOD, KOSMOS, MENS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *