Antonin Gadal: patriarch die het spirituele erfgoed van de katharen overdroeg aan de School van het Rozenkruis

In dit artikel willen we laten zien hoe de gnosis, de graal en de impuls van de broederschap van de katharen in de moderne tijd tot een werkelijke synthese, tot een lang verwachte eenheid is gesmeed, die ongeacht tijd en plaats doorwerkt. Wat een wonder eigenlijk! ‘Probeer tot vernieuwing te komen’, lijkt ze te zeggen. ‘Ga over tot een zuivering van je motieven, richt je op de gnosis – die onbekende, aan de wereld vreemde innerlijke kracht. Realiseer, bouw jezelf zo een ziel, ontwikkel zo een zekere wijsheid en zelfkennis. Niet door anderen, maar zelf, vanuit je hart.’ 

Aan het begin van de vorige eeuw wilde een groep mensen in Zuid-Frankrijk, in het dal van de Ariège, eenzelfde visioen of ideaal uitdragen. Een van hen was Antonin Gadal (1877-1962), een onderwijzer en speleoloog uit Ussat-les-Bains. Dit visioen werd werkelijkheid toen deze historicus in contact kwam met de School van het moderne Rozenkruis, in de personen van Catharose de Petri en Jan van Rijckenborgh. 

Antonin Gadal kende de waarde van de geschiedenis. Hij zag uit naar het moment dat de gnosis van de katharen opnieuw zijn weg zou vinden tot in de harten van de mensen. In het begin van de jaren vijftig kwam het contact tot stand met het moderne rozenkruis en de vreugde van Gadal, toen 78 jaar, kende geen grenzen. Op het persoonlijke vlak was het een wederzijds herkennen. 

J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri zagen in hem de oudere broeder, die met een gefundeerde en innerlijke kennis hun arbeid bevestigen kon. En Gadal herkende in zijn Nederlandse vrienden de leiders van een groep, die niet alleen de herinnering hadden bewaard, maar tegelijk volop bezig waren de gnostieke idee tot leven en werkzaamheid te stuwen: niet alleen als een herinnering aan het verleden, maar als een toepasbare kracht in de nieuwe tijd, die voor de deur stond. En dit alles niet alleen voor een klein groepje mensen in Haarlem of voor een nog kleinere groep die van de katharen hadden gehoord in Ussat, maar voor een groep die het begin moest gaan vormen van een wereldwijde ontwikkeling. 

Gadal heeft vele toespraken gehouden, natuurlijk over de zo lang bewaarde, en de voor een groot deel door hemzelf teruggevonden wijsheid en geschiedenis van de katharen en hun wortels. En tegelijk wees hij erop dat de basiswaarden voor geestelijk leven door de eeuwen heen dezelfde zijn gebleven, als een bovenaardse rivier, die op verwachte maar ook onverwachte momenten het aardoppervlak raakt en de akkers vruchtbaar achterlaat. 

Een voorbeeld van de ‘bewaarders’ van wie hierboven sprake is, geeft Antonin Gadal zelf in een portret dat hij schreef van zijn leermeester, Adolphe Garrigou. Tegenwoordig heeft deze inwoner van Tarascon erkenning gekregen als pionier van de ontsluiting van de grotten in het dal van de Ariège, en als belangrijk stimulator van de geschiedvorsing van Zuid-Frankrijk in het algemeen. Alle kenmerken, die men zo in Gadal bewonderen kan, dezelfde worsteling ook, die hij heeft doorgemaakt in de eerste helft van de twintigste eeuw, vinden we terug in een sympathiek en geïnspireerd artikel dat hij over Garrigou schreef. Hij noemde hem wel ‘Papa Garrigou’ en vaak ook, met meer respect, ‘De Meester’, of ook wel ‘de patriarch van de Sabarthez’. 

Hij vertelt hoe hij als jongen voorlezer en secretaris werd bij de dan al stokoude Garrigou, die in de eerste dagen van de negentiende eeuw geboren werd, op 10 januari 1802. In zijn jonge jaren is hij met Garrigou opgetrokken. Hij was een soort privé-secretaris; en hij moest hem voorlezen omdat zijn ogen zwak waren geworden. Garrigou op zijn beurt zag in hem een ontvankelijke geest voor de nieuwe ideeën over de geschiedenis, die hij in de bijna honderd jaren van zijn leven had opgedaan.

Ideeën, voor een deel gebaseerd op een nog oudere bron, Napoléon Peyrat, een protestantse dominee met een voorliefde voor de eigen, nationale geschiedenis van Languedoc. Deze trok in zijn ‘Geschiedenis van de Albigenzen’ behoorlijk van leer tegen de roomse versie van de geschiedenis, en liet met een romantische en patriottistische pennenstreek een heel ander, ouder Frankrijk zien: dat van het voor onafhankelijkheid vechtende Acquitanië. 

De jonge Antonin wordt van meet af aan in die geest gedompeld: bij de stokoude Garrigou is zijn voornaamste taak luisteren, luisteren en voorlezen uit curieuze teksten en de aparte boeken die Garrigou bezat. En schrijven: hij schreef, terwijl de oude Adolphe vertelde wat in hem opkwam. 

Adolphe Garrigou overleed op 97-jarige leeftijd in Tarascon. Gadal heeft de praktische problemen van ‘het bewaren van het erfgoed der katharen’ waarmee ook hij in zijn lange leven werd geconfronteerd, een keer heel beknopt samengevat in een gedenkschrift voor zijn leermeester. Want Garrigou is hetzelfde verweten als hetgeen Gadal door latere wetenschappers voor de voeten werd geworpen, vaak op denigrerende en giftige wijze: ‘Er is geen bewijs voor alles wat u vertelt over de grotten van Bouan, Ussat en Ornolac, u vindt een eigen geschiedenis uit over katharen die hier in het zuiden hun centrum zouden hebben gehad.’

Garrigou werd hetzelfde verweten: dat hij de historische schatten die hij aantrof niet voldoende doorzocht, door Abbé Duclos bijvoorbeeld, een andere historicus. 

Gadal verdedigt zijn oude leermeester. ‘Want,’ legt hij uit, ‘hier gaat het om de eeuwenoude vraag: Laat ons die geestelijke wereldorde dan eens zien, dat andere rijk. Geef ons bewijzen! Dan zullen wij, misschien, ons ook daarheen wenden.’ 

‘Dit zwaarwegende verwijt is ongetwijfeld niet staande te houden,’ gaat Gadal verder, ‘wanneer men het openbare en vooral het privé-leven van de meester kent. Wat is de arbeid die uit zijn functies in de maatschappij voortvloeide vergeleken met het werk dat hij verzet heeft in zijn privé-leven? Waar zouden de bewijsstukken en de middelen vandaan moeten komen, om de schoonheid van het verheven geestelijke leven dat in de 11e en 12e eeuw op onze bergen bloeide voor het voetlicht van het wereldtoneel te brengen? Dat is een onderzoek dat enorm veel tijd vergt. 

Juiste weergave is een langdurige zaak, vaak moeilijk en altijd geldverslindend. En alle hulp ontbrak: Garrigou heeft altijd al zijn onderzoekingen zelf gefinancierd – tot het niet meer kon. Zijn kapitaal slonk en de belastingen stegen. De situatie van de meester was in zijn laatste levensjaren bedroevend. Maar zijn moed was sterker en zijn geloof krachtiger dan ooit. Hij gaf het allerbeste voorbeeld van een bescheiden leven dat van het begin tot het einde gewijd was aan de religie van de liefde, het Kathaarse geloof. 

Men kan zonder twijfel vaststellen dat A. Garrigou als eerste het onschatbare materiaal bijeengebracht heeft voor de geschiedenis van Sabarthez en het graafschap Foix. Als men de ongelofelijk grote rol kent, die dit kleine stuk van Frankrijk voor de kennis van het hogere geestesleven van Frankrijk gespeeld heeft, dan kan men de meester slechts bewonderen, die haar aan het daglicht heeft getild. 

In 1821 begon Garrigou met het blootleggen van de prachtige grot van de Lombrives, de kathedraal van de Albigenzen. Daarna kwamen de drie kerken van de Albigenzen: Ussat, Ornolac en Bouan aan de beurt, en enkele kleinere grotten, rijk aan historie, maar wellicht minder belangrijk. 

En hij wist dat hij bouwde, dat hij reconstrueerde. En als, op een gegeven moment, iedere steen precies op zijn plek gevoegd is, dan is het Schathuis gereed. Daaruit dient een ieder te putten, die de nieuwe weg wil gaan die door de patriarch gebaand is, en die in de plaats komt van de oude wegen, die door sektarisme en intolerantie gedicteerd werden. 

Hij wist, hij wilde… Hij wist dat het opnieuw de weg van de heilige graal was, niets meer en niets minder, en dwars door achterdocht, teleurstellingen en ellende wilde hij hem bekend maken…’

In 1936 schrijft Gadal profetisch: ‘Ongetwijfeld zou het mogelijk geweest zijn in een ander geestelijk klimaat betere dingen te verrichten. Laten we bescheiden zijn, zoals de meester; laten we begrip hebben voor de manier waarop hij het gedaan heeft, en met datgene dat er is tevreden zijn. De rest ligt in de hand van het lot, en zal te zijner tijd uit het donker naar voren treden. Is het jaar 1937 niet het ‘Jaar van de graal’? En heeft deze beweging, die al eens eerder is gezien, niet als een grote beweging in de gehele wereld gestalte genomen ?’

In enkele regels schetst hij de bitterheid van Garrigous lot: ‘De schaduw van Garrigou heeft, net als de schaduwen van die andere beschermers van de Sabarthez, zijn zozeer geliefde plaatsen niet verlaten. Men proeft hem, men voelt hem, zowel in de Kathedraal als in de Trois Églises. Hoe zou het ook anders kunnen ? Heeft hij de middelaarsrol, die hem van te voren door de God der Liefde voorgehouden was, niet tot het einde toe vervuld? 

Als hem in de stoffelijke wereld de titel van Conservateur des Grottes du Sabarthez (dat is; Bewaarder van de grotten van de Sabarthez) onthouden is, is dat zijn schuld ? Deze titel, die hij nastreefde, hij die overigens geen enkele waarde hechtte aan welke onderscheiding dan ook, zelfs als zijn medeburgers graag hadden gezien dat hij ze aannam; deze titel is duur in ons geliefde Frankrijk – men moet betalen, wat een gruwelijke ironie – om het recht te verkrijgen ‘onze mooie en vereerde grotten en grotjes, de spoulga’s te verzorgen.’ 

De meester kon zich deze luxe niet meer permitteren. Zijn verdriet kan echter over zijn, omdat toegewijde leerlingen te zijner nagedachtenis het nodige gedaan hebben om die mistoestand op te heffen. De prachtige bibliotheek van Garrigou is evenwel bij het antiquariaat terechtgekomen; zijn speleologische verzameling is ergens in onbekende pakhuizen opgeslagen; zijn manuscripten zijn verdwenen, ze zijn zelfs verstopt door experts. Het huis op de ‘Place de la Cité du Vieux Tarascon’ dreigt te vervallen en zijn talrijke familie heeft niet de minste interesse de eerbiedwaardige patriarch te herdenken. En ondanks dat alles blijft zijn werk, en het zal leven! Dat is het belangrijkste… Zijn leerling weet dat het zo zijn moet en zo zal het zijn !’

De omstandigheden waaronder de schoolmeester Gadal voor de oorlog leefde waren ronduit armoedig. Het salaris was nauwelijks voldoende voor een minimaal levensonderhoud. ’s Winters was het Ariègedal volkomen geïsoleerd en kwam er niemand. Uit de brieven die van zijn uitgebreide correspondentie bewaard zijn, blijkt dat er vaak niet eens genoeg hout was om de winter door te stoken. Wat zag hij dan als zijn taak ? Waarom wordt ook hij, net als voor hem Garrigou, de beschermer van de Sabarthez genoemd ? 

Hij vond zich voor een aantal problemen geplaatst. In de eerste plaats: net als Karl von Eckartshausen (fakkeldrager 12) woonde Gadal in een bij uitstek katholieke omgeving. Hoe kun je daarin vertellen over de religie van de vrijheid? Dat is niet zonder reëel gevaar. Nog moeilijker wordt het voor je, als je wilt laten zien hoe systematisch, grondig en bloedig de parfaits van het katharisme, de purs van de tempeliers en de rozenkruisers, hun leerlingen en hun sympathisanten werden uitgeroeid. Hij deed dat door de Douad-archieven van de Inquisitie die in Toulouse en Parijs worden bewaard voor het voetlicht te brengen. Want de Inquisitie was bijzonder grondig en effectief, niet alleen waar het het opsporen van ketters betrof, maar even zo nauwgezet legde men alle processen vast. 

Ten derde wilde hij aantonen wat de werkelijke religie van de Kathaarse Kerk was, de Kerk der Liefde, die van de Paracleet, na al die eeuwen nu eens niet door tegenstanders beschreven, maar zo weergegeven dat de schoonheid van het eeuwige verlangen erdoorheen zou stralen. Voorts zweefde hem reeds voor de oorlog het idee van een Driebond voor de geest. Hij wist dat er, in de tijd die aanstaande was, een drievoudige bundeling van spirituele kracht het werkelijke bevrijdingswerk ter hand zou nemen. Voor de wereldoorlog dacht hij dat dat een samenwerking van de tempeliers, de rozenkruisers en de katharen betrof, teruggrijpend op een volgens hem bestaan hebbende geheime eenheid van die drie bewegingen in de middeleeuwen. 

Een vijfde probleem was dat hij dat allemaal wel kon doen, en dat het belangrijk was dat deze dingen opnieuw ontdekt werden, maar er moest ook een gehoor voor zijn; er moest een kring mensen gevonden worden die de lijn van de gnosis kon ontwaren en tegelijk kon begrijpen. In de jaren voor de oorlog had hij veel respect voor de lijn van denken van Rudolf Steiner (fakkeldrager 16), en hij heeft wel geprobeerd de lijn van de gnosis in diens trant in Frankrijk bekend te maken. Toch kon dat uiteindelijk niet de manier van de nieuwe tijd zijn, omdat Steiner een evolutie mogelijk achtte in de richting van de geestmens, terwijl volgens Gadal een endura, een volkomen wijken van de ik-mens vooraf zou moeten gaan: een ondergaan in Christus, zoals de fidèles d’amour dat ook geleefd hadden. 

Hij heeft op vele andere, tegenwoordig bekende personen invloed gehad. Bij ieder van hen wachtte hij, en hoopte hij. We vinden dat terug in zijn correspondentie waarvan een deel in de Bibliotheca Philosophica Hermetica te Amsterdam wordt bewaard. Daaronder vinden we namen als Maurice Magré en Otto Rahn, René Niel en Deodat Roché.  Ze hebben hem meerdere keren bezocht, en zij hebben de grotten en de achtergronden ervan via hem leren kennen. Bovendien heeft hij een omvangrijke correspondentie onderhouden met veel denkers in Europa, die geïnteresseerd waren in het kathaarse verleden. Vanuit Engeland was er belangstelling in de persoon van Walter Birks, die vanuit zijn esoterische orde met een missie naar Zuid-Frankrijk was gestuurd om de graal te vinden. 

Antonin Gadal is zijn leven lang nooit afgeweken van de lijn van de gnosis, die diametraal tegenover elke ‘gewone’ religie staat. Die lijn, en de geschiedenis van het katharisme die hij voor zich zag, liep langs vier punten. Ook daarin probeerde hij de opdracht, die hij ervoer, verder uit te werken. […]

Gadal geeft met vele gegevens de bronnen aan die erop wijzen dat er al veel eerder een puur Mani-geloof in Acquitanië actief was. Met hand en tand werd vanaf 700  tot 1200 getracht de roomse invloeden tegen te gaan, zodat het bloeiende en spirituele Occitanië, met zijn erfenis van de graal, zijn godsdienst van de reinen en de bakermat van de Europese literatuur niet onder de voet zou worden gelopen door de Karolingen en de barbarij van hun nog primitievere opvolgers. 

De Jaounas van Toulouse, een volk dat een vorm van manichees-katharisme beleed, vochten al tegen Pepijn de Korte en ze wonnen in 778 de slag bij Roncevaux waarbij ze de achterhoede van het Karolingi- sche leger versloegen. Ze verhinderden vervolgens gedurende vijfhonderd jaar dat de roomse bisschoppen (Karel was immers in 800 te Rome door de paus tot Keizer gekroond) zich vestigden in Acquitanië. 

Zo destilleerde Gadal uit het gedachtengoed van de bewaarders, de hoeders van de graal een geheel andere visie op de geschreven geschiedenis, geheel in de lijn van Garrigou en van Peyrat. Dat is wel een wat geromantiseerde geschiedenis, die hier en daar dichter bij het ideaal dan bij de historische controleerbaarheid aanknoopt. Gadals eenvoud en persoonlijke integriteit gaven er echter een grote waarde aan. Het ging hem uiteindelijk niet om wetenschap; maar om in de twintigste eeuw een nieuwe en levende impuls te geven en de gloed van de ‘goede christenen’, die zo lang verborgen had gelegen, weer te ontvlammen.[…]

De historici vermelden dat Montségur in 1244 door verraad in handen van de kruisvaarders viel, en dat 205 parfaits en parfaites op een onmetelijke brandstapel verbrandden. Bijna een eeuw later brachten de drost van Toulouse en zijn troepen 500 katharen om het leven die uit het laatste resort van de verwoeste Trois Églises de grot van de Lombrives waren ingevlucht door ze in te metselen. Ik heb de Thabor beklommen om deze graftombe in de rots te zien: ik heb hem gevonden… 

Meer dan eens heb ik in de grotten van de Ariège gehuiverd. Niet dat ik bang ben het klare daglicht niet meer te zullen aanschouwen. Dat niet. Maar het feit dat mijn voet over mensenbeenderen ging, en dat ik, ondanks mijn piëteitvolle aandacht vermengd met eerbied voor deze grafkelder van onze eerste voorouders er enkele gedeelten van vermorzelde, zal het onbehaaglijke gevoel dat ik nu en dan ervoer begrijpelijk maken. Ja, het bergachtige land waardoor zich de weg van de katharen slingert, gelijkt op een begrafenisweg uit een triest verleden: de grotten van Ornolac en Ussat zijn grafkelders. 

De Grot van Lombrives, die het geheim van hen die door inmuring werden gedood, heeft bewaard, is een van de schoonste cavernes ter wereld. Haar duister omsluit majestueuze stollingen, een stroom doet vanuit de diepte van een afgrond een dof gerommel horen. De gewelven van onze kathedralen zijn minder indrukwekkend dan deze waarvan het oog soms nauwelijks in staat is de vervaarlijke hoogte te gissen; de wanden van zijn feeërieke zalen weerkaatsen het geluid van de stem als een veelvoudig echo, zwaar en zacht… Ja zeker, meer dan eens heb ik gehuiverd! 

Te Lombrives, in de schone Kathedraal, heb ik voor het eerst mijn eenheid ondergaan met het mysterie der ondergrondse wereld. Een Duits sprookje draagt tot titel: ‘De man die uitging is om te leren huiveren’. Die man had slechts hoeven te gaan tot de Galerie de la Mamelle, ook wel genoemd de Galerie des Cathares, en daar op een van de talloze stalagmieten moeten plaatsnemen… en zijn kaars aansteken: zijn hart zou van ontroering ineen gekrompen zijn bij het aanschouwen van ‘la fenno penjado’, de hangende vrouw! Men zal zonder twijfel nooit weten of deze hangende vrouw niet een meesterwerk is van de grote artieste Moeder-Natuur, of… dat hier inderdaad sprake is van een vrouw, wier beenderen versteend zijn. Wat een duistere drama’s hebben onze schone galerijen verborgen!

Zij is heel mooi, die hangende vrouw van de Lombrives; toch is haar onverwachte verschijning voor mij geweest als een slag met een knots: Zij heeft mij de doop van de grotten doen ondergaan! De enorme zaal, de Kathedraal, is een onmetelijke koepel van meer dan 80 meter hoogte. De indruk die deze reusachtige dom van rotsen maakt is geweldig. Het plafond verliest zich in ondoordringbare duisternis, het water lekt van de stalactieten, en doet op de bodem zonderlinge vormen oprijzen. 

De preekstoel van Amiel Aicard, de bisschop die de heilige schat van de Montségur in veiligheid bracht, beheerst de majestueuze zaal. De witte wanden vertonen talloze inscripties, tekeningen en tekens; tekeningen zoals men er slechts vindt in gewijde folianten; letters die gelijkenis vertonen met die van gele perkamenten, namen die zonder belang zijn; tekens ook die de catacomben oproepen… 

In een verborgen hoek van een inham in de wand trekt een pijl mijn aandacht; te midden van een menigte inscripties staat daar een kruis, een twee-balkig kruis, het kruis der Albigenzen! En een weinig verder, op een dieper gelegen plaats, een ander teken dat ik toen niet begreep, maar dat ik later weer tegenkwam in een grot die de naam droeg van Satan! 

De grot van Satan is mooi, maar ik vind haar nors, grimmig, en alles werkt er toe mee om die indruk te versterken; zij is gelegen boven de Églises van Ussat, op een duizelingwekkende hoogte; de wind, die de sneeuw van de Grote Pyreneeën heeft weggevaagd giert er huilend, met een snerpende koude, doorheen; in het midden ligt een reusachtige steen met een onheilspellend opschrift: O M E; dat wil zeggen ‘Altaar van Satan’! 

In een ander gedeelte bevindt zich een verschrikkelijk knekelhuis, en in een plooi van de rots het teken van Saturnus… Heeft dit betrekking op zoekers van de katharenschat? Of snuffelaars naar de steen der wijzen? IJdelheid der ijdelheden, het is alles ijdelheid!… Wat heeft deze mensen bezield? Hebzucht? Zwarte magie? Alleen staat, op de linkerwand, op prachtige wijze uitgebeeld, het kruis met de twee balken, het Albigenzenkruis, ditmaal versierd met een jaartal, 1753, en met een symbool, een beker, de graalbeker der tempeliers! 

Ook de Albigenzen, (dat wil zeggen de katharen, de rozenkruisers en de tempeliers) of beter nog, hun parfaits, hun purs, waren magiërs: magiërs van de zuivere en hoge Magie, ontleend aan de Egyptische mysteriën. Zij beminden het goud, het goud van de geest, en de Goddelijke Liefde, in tegenstelling tot het materiële goud en de wraak. ‘God is liefde’, zeiden zij, ‘Hij is zo goed dat zelfs Satan eenmaal berouwvol zal terugkeren tot zijn meester en heer, tot hem, die de vaderlijke vergiffenis verleent! Is Satan, toen hij mij zijn grot zag dopen, gevleid geweest? Zeker, aangezien hij mij heeft toegestaan zijn rijk te bezoeken! Maar hij heeftt och zijn natuur niet kunnen verloochenen, want schurk als hij altijd is geweest, heeft hij mij laten ploeteren en zwoegen, alvorens mij binnen te laten. 

De grot van Fontanet (Fontane la Salvatge) is van alle cavernes van de Sabarthez de meest mysterieuze en de gevaarlijkste. Ik was zo gelukkig toen ik haar bezocht pijlen te vinden, zij het ook altijd in wijd uiteen liggende hoeken. Het is een vreugde in die ondergrondse galerijen te wandelen, die hoge, wijde galerijen, met hun zanderige bodem. Men ondergaat de aantrekkingskracht van het Mysterie en het steeds wisselende decor. 

Maar het plezier wordt een passie wanneer de hitte die er heerst op die van een oven begint te lijken, wanneer men plat op zijn buik moet kruipen door smalle, nauwe, lage, lange uitstulpsels, over een rotsachtige bodem, terwijl de flakkerende kaars in uw hand juist vlak voor uw neus flikkert; of wanneer stalactieten met hun scherpe punten uw hoofd doen bloeden. Zo is nu eenmaal het zoeken naar het onbekende! Wat komen moeite en gevaren erop aan ? Kortom, van pijl tot pijl voortgaande, kom ik in een magnifieke zaal, met talrijke kolommen en steeds wisselende vormen. In het midden bevindt zich, los van de gehele groep, een stalagmiet van een verblindende blankheid.[…]

In een brief aan Van Rijckenborgh en C. de Petri schrijft Gadal hoe hij eerst de grond moest vrijmaken om zich daarmee bezig te kunnen houden. Dit schrijven sluit, historisch gezien, naadloos aan bij de episode die hierboven eindigde. Er wordt uitstekend in beschreven hoe de benauwde atmosfeer was die tijdens het laatste kwart van de negentiende eeuw ten zuiden van Toulouse heerste. 

‘Om eens vrijuit te kunnen spreken,’ schrijft hij, ‘om je hart eens te kunnen luchten, moest je als bewoner van de Sabarthez een verafgelegen plek zoeken, een grot die moeilijk te bereiken viel, in de eenzaamheid, de stilte en de vrijheid van de duisternis. Arme kinderen van de Sabarthez. Pas in 1889 werd de vrijheid van meningsuiting toegestaan. 

Maar toen kon er zich wel eindelijk een beweging van de Vrije Gedachte vormen. Ik spreek nu over een groep die ik goed gekend heb: die van 1895… De burgers (van Sabarthez, voornamelijk van Tarascon, de oude hoofdstad van de Tarusken) verzamelden zich om eindelijk vrij te kunnen spreken, om na te kunnen denken over hoe die sinds 700 jaren ingeslapen gnosis zich weer vrijuit kon ontvouwen.’

Directeur van deze beweging was Gadals schoonvader Bonnans; de president was een dokter (dr. Pujol). Een van de uitgangspunten van deze ‘Libre Pensée du Tarascon’ was ‘om vrij van de kerk begraven te kunnen worden; vrij, zonder een enkele priester. En terwijl bijna overal elders in de religies een begrafenisvlag zwart is, had de beweging van de Vrije Gedachte een rode vlag. De Franse driekleur, met een rode wimpel erbij trok voor de stoet uit. Een eenvoudige broederschappelijke toespraak zou het gezang en geprevel op het kerkhof vervangen! 

Gadal gaat verder: ‘Het klinkt vreemd misschien, maar het was werkelijk een revolutie. En de vijanden van de gnosis, – en zodoende ook de vijanden van de Vrijdenkers – lieten dat wel goed merken: een vrijdenker dat was een waardeloze nietsnut, een communist, nee, nog erger, een anarchist. Voortaan werd je naam op de burgerlijke stand vergezeld van een rood merkteken, een rode kaart, strikt verborgen natuurlijk, ook in de registers van de politie en elders op het gemeentehuis. Ik zou bijzonder gelukkig zijn, en trots, als door de activiteiten van deze vrijdenkers enkele mensen uit hun kluisters bevrijd werden en hun spirituele evolutie kon beginnen! Ik kreeg mijn rode kaart toen ik achttien was! Maar beide, dat kaartje en ik zijn sindsdien wel wat verbleekt …’

Deze woorden schreef Gadal in 1956, toen hij ver in de zeventig was. In de jaren dertig richtte hij een beweging op, een broederschap, die de ‘Polaires’ werd genoemd: mensen die erop uitwaren om het katharisme nieuw leven in te blazen, en innerlijk op zoek waren naar de graal. Maar geen bereiken zonder endura – het opgeven van de lagere aardse persoonlijkheid, en Gadal, een uiterst beminnelijk en bescheiden mens, wist dat de tijd voor de herleving aanstaande was, maar nog niet daar. Te velen waren uit op persoonlijk gewin, en daarvoor kon de Kerk van de Liefde zich niet lenen. Geduld was het motto, en de vlam brandend houden de eis… 

In 1937 kwam de Engelsman Walter Birks naar de streken van de Sabarthez. Antonin Gadal dacht hier iemand gevonden te hebben die hem bij de realisatie van zijn opdracht zou helpen, en hij begroette hem als ‘iemand waarop hij had gewacht’. Birks op zijn beurt zag in hem de meester, die zijn esoterische orde, de ‘Witte Adelaar ’ (White Eagle) hem had opgedragen te zoeken. Samen met de Zwitser Rinderknecht werden zij voor de oorlog Gadals naaste medewerkers, en zij hebben veel onderzoek verricht. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, en de veranderende inzichten van Birks maakten aan deze samenwerking een vroegtijdig einde. 

We dwalen af; keren we terug naar Gadals eigen woorden. Hij gaat verder: ‘De Vrije Gedachte… de stuw van de geest van het oude centrum van Ussat, van de gnosis dus, heeft niet te lijden gehad van die schermutselingen. Mès Naut! Steeds hoger, is zijn devies, en ze volhardt in die schone les: Meès Naut!’ 

Deze zachtmoedige onderwijzer, Antonin Gadal, was tegelijk een uitmuntend speleoloog. Zo ontdekte hij op zijn vele grotten-tochten de onderaardse verbinding tussen de Grot van de Lombrives en de Grot van Niaux, dwars door het gebergte heen. Tegenwoordig is deze laatste grot, waarvan de ingang aan de andere kant van de Lombrives ligt, beroemd om zijn prehistorische afbeeldingen; en het is goed mogelijk dat via deze verbinding mensen die in de grotten een goed heenkomen zochten veilig aan de andere kant naar buiten zijn gekomen. 

Het zal ons niet meer zo vreemd voorkomen dat we Gadal, met zijn zuivere gevoel voor symboliek en schoonheid op 16 maart 1944 tegenkomen aan de voet van de Montségur. Dat is immers precies 700 jaar na de moord op 205 katharen, de laatste groep van de werkelijke kern van de kathaarse religie, die verbrand werden op een immense brandstapel aan de voet van de Montségur. 

Na een maandenlange belegering, en nadat Amiel Aicard de fameuze ‘schat der katharen’ in veiligheid had gebracht (hij vluchtte via de Pic de St Bartholemy, zo wil de legende, naar de Lombrives) gaven de ingewijden, die allen het Consolamentum der Levenden hadden ontvangen, de Montségur prijs en zichzelf als losgeld voor de rest van de bevolking. Zevenhonderd jaar later zou hun geestverwant Gadal de profetie in vervulling doen gaan die eenmaal verbonden was met deze massamoord, en met de religie die zo hevig onderdrukt was: ‘Na 700 jaar zal de laurier weer bloeien op de ashopen van de martelaren.’ 

Gadal hield van zijn streek, hij hield van de eenvoudige mensen van de streek, en hij had veel contact met hen, zoals we in zijn eigen woorden kunnen lezen. Omgekeerd herinneren de oudsten onder hen zich heden ten dage nog, hoe zij als kind Gadal in de oorlog bezig zagen, om het moreel in het totaal van de buitenwereld geïsoleerde Ussat overeind te houden, en hoe hij alles organiseerde om de Poolse vluchtelingen op te vangen, die gedurende die jaren daar verbleven. Hij speelde zelfs accordeon voor ze!

Maar terug naar die bijzondere datum van 16 maart 1944. In de nog onzekere dageraad van een wintermorgen liepen zeven mannen met een zekere traagheid naar de gewijde plaats. Zeven eeuwen, dag voor dag, zijn voorbij gegaan sinds het eerste krieken van 16 maart 1244 dat de lange rij katharen verlichtte die voorbestemd waren voor de brandstapel waarvan het silhouet zich nog steeds laat raden, wat lager, aan de voet van het kasteel. Ondanks het moeilijke uur, het is immers midden in de oorlog, en erg koud voor de tijd van het jaar, geven deze zeven mannen, allen Occitaniërs, het sprekende bewijs van de onsterfelijkheid van hun geliefde Acquitaanse vaderland en haar geheimen. Onder hen zijn Maurice Magré, Antonin Gadal, en Alain Hubert-Bonnal. Hun aanwezigheid onderstreept het belang van de hommage die gebracht wordt en Joseph Delteil, de speleoloog, herinnert zich met ontroering die stille klim… 

‘… we waren met zijn zevenen. Toevallig?… ik denk het niet, want het leek me wel zeker dat mijnheer Gadal me gevraagd had met dit groepje mee te gaan omdat hij precies dit symbolische getal wilde hebben. Zo begaven wij ons allen naar de burcht van de Montségur; we hadden afgesproken ons te verzamelen op de plek van het ultieme offer. En precies op dat moment deed zich een vreemd verschijnsel voor aan de hemel, die tot dan toe leeg was. Een vliegtuig met zwarte kruisen beschreef een cirkel rond de ruïnes. En even daarna liet hij een rookpluim ontsnappen die, zo leek het wel, een Keltisch embleem vormde. 

We weten nog steeds niet wie aan boord van dat toestel was en welke zijn of haar diepzinnige bedoelingen waren. Verschillende, min of meer plausibele veronderstellingen zijn daarover gelanceerd. Tot op heden blijven de archieven op dit punt zwijgen.’

Daar plantte Gadal op de vroege ochtend, als symbool van wat 12 jaar later werkelijkheid zou worden, op 16 maart 1944 enkele twijgen van de laurierboom, die hij van Bethlehem, de grot van inwijding, had meegenomen. 

Delteil besluit zijn verslag aldus: ‘Daarom houden wij onzedroom levend en blijven we af en toe stil staan om te mijmeren over de ongekende actualiteit van deze plaats, die naam, die zo voorbestemd was, en die zo veel in zich besloten houdt.’

Het is door de grootmeesters van de geestesschool van het Gouden Rozenkruis meerdere malen uitgesproken dat in de nieuwe tijd, de Aquariusperiode, een mysterieschool gestalte zal krijgen; de Broederschap van Christiaan Rozenkruis, die geïnspireerd wordt door haar stichter. Meerdere malen heeft J. van Rijckenborgh gezegd dat er vele esoterische stromen in samenkomen. Zij zal in de tijd het bewijs leveren dat de arbeid, die in de afgelopen tweeduizend jaar heeft plaatsgevonden, nu wordt gebundeld in de arbeid van de jong-gnostieke broederschap, de westerse mysterieschool. 

En zo mondt het bijzondere leven van Antonin Gadal uit in een zeer verblijdende en bijzondere bekroning. Na al die velen die op de een of andere manier probeerden zich het Kathaarse erfgoed eigen te maken, ziet hij in Catharose de Petri en J. van Rijckenborgh eindelijk de dageraad van een nieuwe wereldactiviteit gloren: aan de laurier zijn de eerste nieuwe takken ontsproten. Want hun beweging bracht het minder worden van het ‘ik’ al vele jaren in praktijk. Het moet voor hem letterlijk geweest zijn dat de profetie dan toch werkelijkheid werd! 

In die, ook wat de geestesschool betreft, bewogen periode van de jaren vijftig bevestigt hij zijn nieuwe vrienden, zijn broeder en zuster, in een aantal ceremoniële bijeenkomsten in hun opdracht, en verbindt hen voor zover dat mogelijk is officieel met een lange lijn van voorgaande broederschappen. Antonin Gadal, als de laatste vertegenwoordiger van één van de stromen die in het rozenkruis uitmonden, de voorgaande broederschap, verleent in de herfst van 1955 in de tempel van Renova de waardigheid van grootmeester aan Jan Leene – dat is J. van Rijckenborgh – en de titel van archidiakonesse aan H. Stok- Huyser – dat is Catharose de Petri. Tegenwoordig worden zij beiden aangeduid als grootmeester en grootmeesteres. Het Lectorium Rosicrucianum wordt door Gadal tevens met het spirituele erfgoed der katharen verbonden. 

Hij spreekt meerdere malen in de centra en de tempels van het rozenkruis en in mei 1956 begint de bouw van het conferentieoord Galaad, op een stuk grond van Gadal. De ontmoeting tussen de grootmeesters der Jong-Gnostieke Broederschap als een zuiver op de Christus georiënteerde gemeenschap en Gadal, is vastgelegd in de oprichting op 5 mei1957 van het monument Galaad, te Ussat-les-Bains, dat gewijd is aan de Driebond van het Licht: Graal, Kathaar en Rozenkruis. Gadal is daarna nog enkele malen in Nederland geweest, onder andere bij de wijding van de tempel van Noverosa te Doornspijk. 

Het is de tragiek van elke werker in dienst van het andere dat al zijn werk niet meer is dan ‘één hamerslag op het aambeeld der eeuwigheid’, zoals Van Rijckenborgh het uitdrukt. Dat gold in 1938 voor Z.W. Leene, dat gold voor hemzelf, en dat gold in 1962 zeker ook voor Antonin Gadal. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er in de laatste jaren enige zwaarmoedigheid over zijn leven viel, omdat hij verwacht had dat het werk in Zuid-Frankrijk een veel grotere vlucht zou nemen, en hij gehoopt had dat het Lectorium Rosicrucianum zijn arbeid meer op Zuid-Frankrijk zou concentreren. Maar daarvoor was de organisatie nog niet sterk genoeg. De resultaten daarvan bleven vooralsnog uit. 

In 1962 overleed deze laatste ‘ingewijde’ van de voorgaande periodes, die uitgegroeid was tot een werkelijk universeel mens. De beperkte grenzen van gelukzoekers en afgunstigen waarmee hij zo vaak te maken had gehad konden hem op geen enkele manier meer binden, omdat zijn vrijgemaakte geest reeds lang boven het Ariègedal uitkeek, en verbonden was – en is – met de Weg der Sterren. 

Bron: Gnosis, Stromen van Licht in Europa door Peter Huijs

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *