Socrates droom: inleiding van het boek ‘Socrates, maak muziek!’ van Jos Kessels

BESTEL SOCRATES MAAK MUZIEK

Hieronder volgt de inleiding uit het boek ‘Socrates, maak muziek’ van Jos Kessels. Op zaterdag 14 april 2018 verzorgt hij in Bilthoven een voordracht op het symposion gewijd aan het Ware van Stichting Rozenkruis. 

Aan het begin van de Phaedo, Plato’s dialoog over wat vergankelijk is en wat niet, vertelt Socrates dat hij zijn leven lang een terugkerende droom heeft gehad die hem opdroeg: ‘Socrates, maak muziek en oefen je erin!’ Het gekke daarvan was dat hij altijd in de overtuiging had geleefd dat hij dat  allang deed.

Hij bedreef immers zijn hele leven lang ‘de hoogste muziek’: de filosofie, waarin je nadenkt over de hoogste dingen en hun harmonische ordening. Daarom had hij de aansporing uit zijn droom altijd opgevat als een aanmoediging voor een hardloper die al aan het hardlopen is. Zoiets als ‘Zet hem op!’, of ‘Houd vol!’ Maar nu hij in de gevangenis zat, na zijn veroordeling tot de gifbeker, had hij de droom opnieuw gekregen, en bedacht dat deze misschien wel een heel andere betekenis zou kunnen hebben.

De Atheners hadden hem bestraft voor ‘ongeloof en het bederven van de jeugd’. Dat was weliswaar geheel ten onrechte, maar wellicht betekende de droom dat hij ‘de gewone muziek’ te veel had verwaarloosd, dat wil zeggen, de muziek van het volk en zijn rechters. In dat geval was de opdracht van de droom dat hij een betere verbinding moest leggen tussen de hoogste en de lagere muziek, de onvergankelijke ideeën van de filosofie en de vergankelijke, tijdgebonden opvattingen van de gewone mensen.

In het menselijk bestaan zijn hoog en laag, verheven en gewoon immers altijd met elkaar verbonden, net als leven en dood, genot en pijn, ziel en lichaam, waken en slapen en al die andere polariteiten in het bestaan: wie het een wil, moet het andere erbij nemen en ze met elkaar in verbinding brengen. Dan pas kan er harmonie ontstaan, dan pas ontstaat er muziek. Daarom was Socrates in zijn cel begonnen een lied voor Apollo te schrijven en op muziek te zetten, zoals een gewone muzikant zou doen.

Zoals zo vaak in Plato’s dialogen is dit verhaal een metafoor voor wat volgt. Harmonie, oorspronkelijk een timmermansterm, is de verbinding van ongelijke delen tot een sterk en samenhangend geheel. In overdrachtelijke zin is het een verbinding van allerlei tegenstellingen gaan betekenen, met name in de muziek. Daar is harmonie de kunst die uit hoog en laag, hard en zacht, snel en langzaam een welluidend geheel maakt. En wat voor de kunst geldt, geldt ook voor het leven.

In feite is muziek een metafoor voor het hele bestaan: wij zijn dagelijks in de weer met het afstemmen van tegenstellingen en het zoeken van harmonie. Daarvoor heb je ideeën nodig, want wat harmonieën zijn in de muziek, zijn ideeën voor het denken. Een idee is een harmonische ordening van wat aanvankelijk gefragmenteerd en tegenstrijdig lijkt, is het uitgangspunt van dit boek.

In mijn onderzoek ga ik na wat de droom van Socrates betekent voor ons, 25 eeuwen na hem. Mijn hypothese is dat die droom ons nog steeds veel te zeggen heeft. Ook in onze tijd zijn er allerlei tegenstellingen die verbonden moeten worden tot een harmonie. Nog steeds geldt dat echte, werkzame ideeën een vorm van harmonie zijn.

Ook het omgekeerde geldt, dat muziek ideeën weergeeft. Bovendien heeft de hechte verbinding van muziek en filosofie consequenties voor het voeren van gesprekken, zoals Socrates die ons heeft voorgedaan: een gesprek wordt pas echt interessant of krijgt pas dan enige diepgang als er een soort welluidendheid ontstaat. Er zit muziek in, zeggen we dan, of: het klinkt me als muziek in de oren.

Ik vermoed dat in zulke metaforen meer waarheid zit dan we denken. Dit boek is een poging te achterhalen wat die inhouden. In het eerste hoofdstuk begin ik met de beschrijving van een aantal ervaringen van ideeën. Dat klinkt misschien gek, dat je ideeën kunt ervaren; zijn ideeën niet juist abstracties? Mijn stelling is dat ideeën veel meer zijn dan dat: zoals een partituur pas muziek wordt als zij tot klinken wordt gebracht, wordt een denkbeeld pas een idee als het vorm krijgt in de ervaring.

Dat is een ongebruikelijke opvatting; zoals gezegd wordt over ideeën meestal uitsluitend in algemene, abstracte termen geschreven. Maar keer op keer blijkt in de gesprekken die ik voer dat ideeën zonder ervaring geen kracht hebben; het blijven woorden zonder inhoud. Zij moeten ‘gevuld’ worden, van vlees en bloed worden, een ziel krijgen om werkzaam te zijn als harmonie. Anders dan veel mensen denken, gaat het in de ideeënleer ook om de ervaring, niet alleen om de begrippen of de theoretische omschrijving.

In de voorbeelden die ik in hoofdstuk 1 geef, staat steeds de gewaarwording van een bepaald soort harmonie centraal, een die vaak pas achteraf, bij een nadere inspectie duidelijk wordt. Op het eerste oog is zij meestal niet waarneembaar, omdat ze verborgen gaat achter de veelheid van zintuiglijke indrukken, gedachten en gevoelens die het bewustzijn domineren. Pas bij een tweede, preciezere blik, wanneer je nauwkeuriger kijkt wat er eigenlijk gebeurde in de ervaring of de dieptestructuur ervan onderzoekt, komt de harmonie tevoorschijn.

Sommige mensen hebben een aversie tegen deze tweede blik, omdat hij een sluier van interpretatie zou leggen over de frisheid van de onmiddellijke ervaring en haar daarmee aantast of tenietdoet. Ze menen genoeg te hebben aan de ervaring zelf, en al het denken en praten eromheen vinden zij onnodig en verwarrend.

Het punt is echter dat je pas door deze tweede blik de werkelijke aard van een ervaring leert kennen en daarmee ontdekt wie je zelf werkelijk bent. Zonder deze tweede blik is het onmogelijk om grotere samenhangen te zien of diepere ordeningen te begrijpen, of je die nu alleen als louter begripsconstructies beschouwt of als de werkelijkheid zelf.

Eén ding is zeker: ideeën zijn afhankelijk van onze eigen geestesgesteldheid. De grote vraag waar het in de ideeënleer om draait, is: wat is dat precies voor gesteldheid? In welke gemoedstoestand moet je verkeren om ideeën te kunnen zien? En wat is het dan precies dat voor je geestesoog oprijst uit de verborgenheid? De stelling van dit boek is dat het harmonische ordeningen zijn, denkbeelden met een muzikale structuur. Om deze te kunnen zien, moet je op een andere manier leren kijken en spreken: een muzikale manier.

Na het eerste hoofdstuk met ervaringen van ideeën ga ik in hoofdstuk 2 dieper in op muziek. Eerst vat ik nog eens samen wat ideeën zijn, en vervolgens onderzoek ik de klassieke gedachte dat muziek een spiegel van ideeën is. Daarvoor is enige muzikale en conceptuele analyse vereist: in hoeverre kun je muziek beschouwen als een taal van emoties? En wat gebeurt er precies als je wordt geraakt door muziek? Het loont de moeite om daar nauwkeurig naar te kijken, want het maakt veel duidelijk over wat muziek is en hoe zij samenhangt met ideeën.

Vervolgens ga ik in hoofdstuk 3 in op de consequenties die deze zienswijze heeft voor het voeren van gesprekken, zoals Socrates deed. Ik laat een aantal manieren zien om gesprekken en ideeën muzikaal te analyseren, eerst een eenvoudige, gebaseerd op de drieklank en het octaaf, en daarna een uitgebreidere, het kralenspel. Die twee methodes vormen in mijn ogen het meesterspel van dialectiek en de harmonieleer van het denken. Zij voeren ons naar het hart van de platoonse ideeënleer.

Het vierde hoofdstuk bevat enkele concrete voorbeelden van harmonische analyses, toegepast op stukken van Shakespeare, Bach en Thomas Mann. Ik laat zien hoe de harmonieleer van het denken praktisch bruikbaar is bij het onderzoeken van allerlei kwesties. Daarbij komen uiteenlopende thema’s aan bod, van de status van kunst tot de politieke invloed van muziek, en het belang van het voeren van gesprekken over wat eigenlijk onzegbaar is.

Hoofdstuk 5 voert deze analyses verder, geeft een aantal praktische aanwijzingen en zet het geheel in een breder cultuurhistorisch perspectief: hoe ziet de geschiedenis van de muziek eruit als je haar bekijkt door de bril van de ideeënleer en het voeren van socratische gesprekken? Hier blijkt dat er een interessante parallel bestaat tussen de ontwikkeling van de muziek en die van de filosofie.

Daarna volgen drie hoofdstukken over de zoektocht van drie beroemde ‘ideeënkijkers’, Goethe, Mondriaan en Kant. Ieder van hen heeft op geheel eigen wijze gezocht naar de harmonie van ideeën, de eenheid van het geheel, en naar een taal om die weer te geven. Hun waarnemingen en begripsonderscheidingen zijn een belangrijk hulpmiddel voor het bedrijven van muzikale dialectiek. Ik heb in deze drie hoofdstukken telkens een aantal eigen ervaringen toegevoegd, om te voorkomen dat het betoog alleen maar theoretisch wordt.

Aan het einde van het boek heb ik een ‘coda’ opgenomen, met enkele conclusies en een bespreking van twee thema’s die als een rode draad door het boek lopen: de vraag of woorden louter namen zijn of meer dan dat, en de vraag of de harmonie van ideeën daadwerkelijk tot een harmonisch leven leidt.

Centraal in dit boek staat een omkering van Wittgensteins uitspraak: ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen’. Mijn stelling is dat je juist wel moet spreken over datgene waarover je niet kunt zwijgen, ook al kun je het niet makkelijk onder woorden brengen. Wij laten ons maar al te graag betoveren door allerlei beelden van harmonie die we nauwelijks onder woorden kunnen brengen, net als door muziek en andere kunsten. Of het nu gaat om politiek, organisaties of het persoonlijk leven, steeds geldt dat het essentiële moeilijk in woorden te vangen is; het ontsnapt aan ons taal- en begripsvermogen. Maar hoe lastig het ook is om daarover te spreken, wie erover zwijgt, loopt het risico ten prooi te vallen aan de mooiste illusies, de meest welluidende bedwelmingen en allerlei verblindende idolen.

Dat was in mijn ogen nu juist de opdracht van Socrates’ droom: je niet alleen over te kunnen geven aan wie of wat je dierbaar is, maar ook erop te kunnen reflecteren en de tegenstellingen die zij bevatten tot een harmonisch geheel te smeden. Dan pas kun je zicht krijgen op de echte, ware harmonie, die Plato de ideeën noemde.

Bron: Socrates, maak muziek! van Jos Kessels

BESTEL SOCRATES MAAK MUZIEK

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *