De ontdekking en de invloed van de hermetische geschriften van het Corpus Hermeticum

BESTEL HERMETISCHE GESCHRIFTEN

In het jaar 1460 bracht de monnik Leonardo van Pistoia van een reis door Macedonië een Grieks handschrift mee, dat hij in Florence aan Cosimo de Medici ter hand stelde. Het bevatte de eerste veertien tractaten van wat later het Corpus Hermeticum genoemd zou worden. De nieuwe teksten wekten grote verwachtingen, want men meende hiermee de leer van de oudste leraar van de mensheid, de Egyptische Hermes Trismegistus, teruggevonden te hebben. Gerespecteerde christelijke schrijvers uit de oudheid hadden inmiddels reeds uit diens werken geciteerd, en verklaard  dat hij in de grijze Egyptische Oudheid geleefd had (Lactantius, ca. 300) of enkele generaties na Mozes was geboren (Augustinus, ca. 400).

Cosimo de Medici wilde het werk dan ook zo spoedig mogelijk toegankelijk maken en gaf daarom in 1462 opdracht het in het Latijn te vertalen. De jeugdige leider van zijn ‘Platoonse Academie’, Marsilio Ficino, moest daartoe zijn werk aan de vertaling van Plato onderbreken. Binnen enkele maanden, in het voorjaar van 1463 was Ficino’s vertaling gereed en nadat enige jaren afschriften ervan gecirculeerd hadden, verscheen het werk in 1471 in druk. Het had een ongekend succes en werd tot het einde van de zestiende eeuw vele malen herdrukt en opnieuw uitgegeven. Het werd bekend onder de naam Pimander, naar de titel van het eerste tractaat, Poimandres. Ficino vatte deze naam ten onrechte op als de titel van het hele Corpus Hermeticum, waarvan hij de afzonderlijke citaten als hoofdstukken beschouwde.

Na verloop van tijd ontdekte men meer handschriften van het Corpus Hermeticum, die soms meer tractaten, hoofdstukken bevatten dan het manuscript waarop Ficino zijn vertaling gebaseerd had. Zo werd in 1507 het huidige tractaat XVI gepubliceerd in de Latijnse vertaling van Lodovico Lazzarellli. De Griekse tekst van het Corpus Hermeticum werd voor het eerst in 1554 uitgegeven, door Adrianus Turnebus. Zijn uitgave bevatte zeventien tractaten en drie fragmenten die hij ontleend had aan de grote verzameling excerpten uit de Griekse literatuur die Johannus Stobaeus, waarschijnlijk in de vijfde eeuw na Christus, voor zijn zoon had aangelegd. 

De Fransman François de Foix de Candale gaf in 1574 de Griekse tekst van turnobus opnieuw uit, met tekstcorrecties van Scaliger en een nieuwe Latijnse vertaling. Daarbij liet hij de huidige tractaten XVII en XVIII weg en vatte hij de fragmenten van Stobaeus bij vergissing als hoofdstuk XV van de Pimander op. In latere uitgaven werd dit ‘hoofdstuk’ weer weggelaten, zonder dat de verdere telling veranderd werd. Dit verklaart waarom ook nog in de grote wetenschappelijke editie van A.D. Nock en A.-J Festugière, en in de hierna volgende vertaling, het Corpus Hermeticum bestaat uit de tractaten I-XIV en XVI-XVIII.

De invloed van de hermetische literatuur op de humanistische Renaissance kan moeilijk overschat worden. Niemand twijfelde aan de echtheid en dus aan de hog ouderdom van de geschriften. Men was ervan overtuigd dat reeds Mozes door Hermes Trismegistus was beïnvloed. De opvatting van Lazzarelli, dat Hermes ver voor Mozes geleefd had, werd niet door iedereen gedeeld, maar oor de meeste humanisten stond wel vast dat hij op zijn minst een tijdgenoot van Mozes moest zijn geweest. 

Ook Plato zou door Hermes zijn beïnvloed, zowel tijdens zijn verblijf in Egypte als ook via de vroege Griekse wijsgeren, met name Pythagoras. Zo kon de leer van Hermes Trismegistus gezien worden als de basis van het beste wat de bijbelse klassieke tradities te bieden hadden. Een fraaie illustratie van deze visie vindt men in de afbeelding van Hermes en Mozes op de marmeren vloer van de kathedraal van Sienna (1488): Hermes geeft met zijn rechterhand een (wet)boek aan de licht neigende Mozes, terwijl zijn linkerhand rust op een bord waarop van het goddelijke woord sprake is; onder Hermes staat: ‘Hermis Mercurius Trismegistus contemporaneus Moysi (tijdgenoot van Mozes)’.

Vanaf het einde van de vijftiende tot in de eerste helft van de zeventiende eeuw beleefde de ‘hermetische filosofie’ haar grootste bloei. Daarna verloor het Hermetisme snel openbaar aanzien. Het vond zijn aanhang nog slechts in kleine groepen, als de Rozenkruisers en de Vrijmetselarij, die zich niet konden vinden in de nieuwere inzichten die het religieuze en het wetenschappelijke denken waren gaan beheersen. 

Reformatie en Contra-Reformatie hadden een dogmatisering van het geloof en een godsdienstig exclusivisme gebracht, waarin voor de open en inclusieve religiositeit van de hermetische filosofie geen plaats meer was. Het mechanische wereldbeeld had de organische kosmologie van de hermetici, waarin God, Kosmos en Mens in één bezield verband werden gezien, verdrongen. In dat kader paste ook de ontdekking dat de hermetische geschriften niet konden teruggaan tot de tijd van Mozes, maar uit de eerste eeuwen van onze jaartelling afkomstig moesten zijn. 

In het jaar 1614 verscheen in Londen een boek van de Zwitser Isaac Casaubon (Casaubonus), waarin deze protestantse geleerde een scherpe aanval deed op de kerkgeschiedenis, de Annales ecclesiastici, van de Italiaanse kardinaal Cesare Baronio (Baronius) . Casaubonus richtte zich in zijn Exercitationes ad Cardinalis Baronni prolegomena ad Annales onder andere tegen de opvatting dat voor-christelijke heidense profeten als Hermes Trismegistus reeds over Christus en christelijke geloofswaarden gesproken zouden hebben. 

In dat verband vestigde hij er de aandacht op dat de hermetische teksten in de voor-christelijke periode niet geciteerd werden; dat het Grieks waarin ze geschreven zijn allerlei woorden bevat die pas in de derde eeuw na Christus gangbaar werden; en dat er, ten slotte, in deze teksten een zo diepgaande invloed van Plato en de latere Platonisten te bespeuren valt, dat zij onmogelijk als Griekse vertalingen van Egyptische werken beschouwd kunnen worden. Deze destructie van de authenticiteit van Hermes was definitief: sinds Casaubon heeft geen enkele serieuze onderzoeker de Oudegyptische herkomst van de hermetische literatuur meer verdedigd. Wel zijn we sindsdien over de Hermetica aanzienlijk meer te weten gekomen, want het onderzoek daarvan heeft, vooral in de twintigste eeuw, niet stil gestaan.  

Bron: Hermetische geschriften van Roelof van den Broek en Gilles Quispel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *