Inleiding van het boek ‘De verloren sleutels van de vrijmetselarij’ van Manly P. Hall

BESTEL DE VERLOREN SLEUTELS VAN DE VRIJMETSELARIJ

De vrijmetselarij is in zijn diepste wezen religieus maar wordt niet beschouwd als een religie. De meeste maçonnieke legenden en allegorieën zijn weliswaar heilig van aard, en diep verankers in de christelijke structuur. Eenieder ervaart zijn religie als de enige ware, wat de vraag doet rijzen welke positie de vrijmetselarij in de spirituele ethiek nu eigenlijk inneemt. 

Religie zou men kunnen definiëren als een geheel van goddelijk geïnspireerde gedragsregels. Een religieus persoon is dan iemand die zich deze regels tracht eigen te maken met de bedoeling een waardig bestaan te leiden. Sterker nog, het verinnerlijken van een religieuze (of spirituele) ethiek is de basis van verlichting en, bijgevolg, een noodzakelijke stap tot het bereiken ervan. 

We zouden dus kunnen zeggen dat een christen zijn spirituele waarden en normen rechtstreeks uit het woord van Christus haalt, terwijl een boeddhist zijn leven vormgeeft volgens het morele bestel van de grote Gautama – of één van de andere boeddha’s. Echter, de gemeenschappelijke deler van elke spirituele doctrine is de individuele queeste naar die onzichtbare vonk in de mens: de Geest of Spirit.

Zij die dit onzichtbare element negeren en zich louter concentreren op het zichtbare, noemen we materialistisch. Het mooie aan religie is net dat zij in staat is om de spiritist en materialist te verzoenen op het vlak van de rede en de logica. 

Wetenschap en theologie staan vandaag de dag pal tegenover elkaar – de kloof is nog nooit zo groot geweest. Zolang die ambivalentie blijft groeien, zal de wereld hun ware capaciteit en complementariteit nooit te weten komen. Het is veeleer een kwestie van samenwerken: hand in hand wordt de voltooiing van het meesterwerk bereikt – de bevrijding van geest en intellect uit de driedimensionale gevangenis van onwetendheid, bijgeloof en angst. 

Zelfkennis komt voort uit het Zelf – en God is Zelf in alles. Wie op zoek is naar Waarheid, zoekt God – Hij is de inspiratie en het geïnspireerde . In de Bijbel staat immers geschreven dat God het Woord was en het Woord tot vlees geworden is. het is dan ook de taak van de mens om het vlees te laten schitteren zoals het Woord dat diep in de ziel verankerd is. Precies deze taak is de ware toedracht van de religie – niet één geloof maar verscheidene geloofsbelijdenissen, elke zoekend op hun eigen wijze, elk pogend te antwoorden op de noden van het individu, elk hun typische eigenaardigheden accentuerend. 

De twaalf werklui van het genootschap die de vier punten van het kompas exploreren, vertegenwoordigen de twaalf grote wereldreligies, die elk op hun eigen gereide wijze het mysterie van het leven trachten te ontrafelen; de raadselachtige queeste die de mens vanaf zijn geboorte moet ondergaan. 

Is het niet deze individuele zoektocht naar de Realiteit – in een wereld vol illusies – die de opgave is van onze materiële existentie? Zijn we niet hier om evenwicht te zoeken in een ongebalanceerde context; rust te vinden te midden van verwarring, chaos en ontsteltenis; illusie te ontsluieren; onze demonen uit te drijven en dierlijke driften te beteugelen? 

Net zoals David, koning van Israël , zijn zoon Salomo belastte met een taak die hij niet kon verwezenlijken, zo geeft ook elke generatie de loodzware taak om de tempel te bouwen – of beter: het herbouwen van het huid van de Heer, dat zich op de berg Moriah bevindt – door aan de volgende.

Waarheid is nog niet verloren. Toch moeten we moeite blijven doen om ze te zoeken en te vinden De Realiteit is immer aanwezig – dimensieloos doch prominent overheersend. De profane mens – een schepsel van gewoonten en verlangens, dienaar van impressies en opinies – is niet on staat datgene te leren wat hij niet beheerst. Het herkennen van eigenschappen in zichzelf impliceert telkens een soort wedergeboorte, een prille kiem in onze levensloop die gekoesterd en ontwikkeld moet worden.

De mens is geboren met ogen, doch slechts na lange tijd van beslommering en ellende kunnen we de zaken weer helder zien en beginnne te leven volgens het goddelijk Plan. De mens is geboren met zintuigen, die slechts na tal van ervaringen en vruchteloos streven naar de tempel worden gebracht en op het altaar Gods (Hij die steevast de zaken met inzicht en degelijkheid benadert) worden gelegd. In die zin zouden we kunnen zeggen dat de mens geboren is in de zonde van de onwetendheid, doch met het potentieel om te begrijpen – zijn verstand smacht naar kennis, zijn hart naar gevoel, zijn sterke hand naar het ultieme levenswerk: de transmutatie van de ruwe kasseisteen tot de gave kubus. 

Wat kan de mens gelukkiger maken dan een beetje erkenning, de mogelijkheid om zichzelf te bewijzen, zijn dromen na te jagen, zijn aspiraties en ambities te verzilveren? Toch hebben we het recht niet om kennis te vragen. In wiens naam smeken we voor begrip en inzicht? Aan welke autoriteit vragen we geluk? Niemand heeft het geboorterecht, het privilege, om deze zaken op te eisen, maar iederen kan ze verwezenlijken in dien de wil bestaat om het brandend verlangen in zichzelf te cultiveren. Vragen is zinloos; geen enkele god zal zich zomaar plooien naar de grillen van de mens. Integendeel, de mens is een geschenk van de natuur, een gift, en deze gift is het voorrecht van alle arbeid. Slechts door arbeid leert de mens de dingen van het leven. 

Religies bestaan uit groepen  mensen, verbonden door hun gemeenschappelijke drang naar spirituele groei en de arbeid die ze hiervoor willen verrichten. In die zin zou je de wereld dan ook als een school kunnen beschouwen: we zijn hier om te leren, en onze aanwezigheid bewijst ergens de nood voor instructie en educatie. Elk levend wezen worstelt met met de verstikkende strop van zijn begrenzingen – de amechtige engheid die onze visies zo beperkt en het leven vaak zinloos maakt. Elke ziel is dan ook gedrenkt in de blauwdruk van het Grote Werk: het streven naar bevrijding uit de staat van onwetendheid. De wereld is met andere woorden een enorme gevangenis mat als traliewerk het onbekende. Ieder mens is een gevangene – geketend aan een materieel bestaan -, totdat hij het recht verdient om zich eigenhandig van zijn traliewerk los te wrikken en de duisternis te doen oplichten door zijn aanwezigheid. Dan heeft hij eindelijk verlichting bereikt. 

Iedereen is op zoek naar de tempel waar God woont, waar de geest van de grote waarheid de donkere krochten van de menselijke onwetendheid verlicht. Echter, niemand weet die plek te vinden; een mist van dogma’s bezoedelt het innerlijk licht: tijdperken van gedachteloosheid domineren en nopen tot inbinden; beperkingen verzwakken en vertragen onze tred. Kortom, de onwetende struint doelloos rond in de kille duisternis, zich niet realiserend dat het licht zich in het hart van die duisternis bevindt. 

God openbaart zich slechts aan degene die Hem heeft gevonden. De gelukkkige – een enkeling nota bene – openbaart Hem vervolgens aan zijn medemens en onsluiert daarbij eindelijk de onwetendheid. Maar het gebeurt slechts zelden dat het mysterie door de volgelingen echt wordt begrepen: het verlichte pad van de illustere voorganger blijkt veel moeilijker dan aanvankelijk gedacht. En dus knielt hij biddend voor de berg die hij niet kan beklimmen en monstert het glimmende licht op de top die hij niet kan bereiken omdat hij te zwak is. Zo vervalt hij terug in zijn oude gewoonten: immer vrezend in zijn hart dat hij de vlammende voortekens in de lucht niet zou hebben gezien, dat hij zijn geest vermoordt door naar de letter van de wet te leven. 

De mens buigt nederig voor het Onbekende en bevolkt daarbij de schaduwen van zijn eigen onwetendheid met heiligen en verlossers, geesten en spoken, goden en demonen. Onwetendheid vreest alles, vallend, huiverend voor een zuchtje wind. Bijgeloof staat gebeiteld als een monument van de onwetendheid, waarvoor allen knielen zich bewust zijn van hun eigen zwakheid; die in alle dingen de sterkte zien die zij niet bezitten; die aan twijgjes en kiezels de kracht toekennen om hen te verwonden, die de schoonheid van de Natuur transformeren in donkere vertrekken van griezels en gedrochten. Wijsheid daarentegen, vreest niets, maar buigt nederig voor zijn eigen Bron. Terwijl bijgeloof zijn haat jegens van alles de wereld instuurt, slaagt de wijsheid er in de dingen met de mantel vna de liefde te bedekken – het heeft immers de schoonheid, de zaligheid en de lieflijkheid van het mysterie van het leven aanschouwd. 

Het leven is de tijdspanne die vereist is om de queeste af te werken; elk vergankelijk moment is een kans, en degenen die een intrinsieke grootheid in zich dragen, zijn degenen die het leven erkennen als een kans voor alles. Kunst, wetenschap en religie zijn monumenten van wat de mensheid reeds heeft bereikt. Het zijn als het ware gedenkzuilen voor de ontluikende menselijke geest, creativiteit en intelligentie opvijzelend. Zalig zijn zij die kunnen willen stelen met hun ogen en, geïnspireerd door de ervaringen van anderen, hun dromen in de praktijk omzetten. Zij die bereid zijn om de mensheid belangeloos te dienen – zelden worden zij daarvoor geapprecieerd tijdens hun levensloop -, worden later erkend als de redders van het menselijk ras.

De vrijmetselarij is een structuur die op ervaring is gebouwd. Elke steen staat voor een sequentiële stap in de ontplooiing van het intellect. Het heiligdom van de vrijmetselarij is aangekleed met eeuwenoude juwelen, door zijn ritualen heen klinken de verlichte woorden van zieners en wijzen. Letterlijk honderden religies schonken hun wijsgerige riten aan het mystieke altaar, en evenveel kunsten en wetenschappen droegen hun steentje bij tot de constitutie van haar symboliek. 

De vrijmetselarij is meer dan een geloof; het is een feit; een universiteit die de vrije kunsten en wetenschappen van de ziel doceert voor hen die willen zien. Als een schaduw van de grote Atlantische Mystieke School staat zij in al haar glorie in de antieke stad met de gouden poorten, waar vandaag de dag de machtige oceaan de sporen van het verleden genadeloos wegveegt. Haar knusse zetels zijn leergestoelten; haar zuilen dragen de bogen van het universele onderricht – zowel in de materiële als in de spirituele context. En op haar tekenborden staat staat de heilige kennnis van alle volkeren en naties geschreven; zij die de diepgang ervan kunnen vatten, ontwaren een nieuwe fase van de grote realiteit. Kortom, de vrijmetselarij is in essentie de lang verloren en vergeefs gezochte Gouden Stad waar alle volkeren van alle tijdperken op zoek naar waren en zijn. Het is zowel de gemene deler als de gemene verdeler van de menselijke aspiratie.

De meeste wereldreligies hebben iets weg van een processie: iemand leidt, de rest volgt. De mens volgt op zijn zoekticht naar waarheid en verlichting gedwee de voetstappen van de halfgoden. de vrome christen volgt de zachtaardige nazarener langs de steile flanken van de kruisheuvel (Calvarieberg). De boeddhist volgt zijn lichtend voorbeeld tijdens zijn wandelingen door de wildernis. De moslim maakt zijn pelgrimage door het verradelijke zand van de woestijn naar de zwarte tent in Mekka. De waarheid paradeert aan de kop, onwetendhied volgt deemoedig zijn kielzog. De geest klaart de weg, materie spoort na. 

De idealen van vandaag schitteren slechts kort in hun puurheid alvorens de nozems van de duisternis de vonk meedogenloos uitblazen. De mystieke scholen blijven echter altijd bestaan. Maar het licht wordt weliswaar niet bij de student gebracht. Integendeel: het is de mens zélf die zijn lantaarn moet aansteken en naar de school brengen.  Kersverse idealen worden snel en graag tot ideolen gebombardeerd, doch degene die zich binnen de poorten van het heiligdom begeeft, transformeert het idool terug in een ideaal. 

De mens is bezig met het beklimmen van een ladder met oneindig veel sporten, zijn blik strak op zijn doel gericht – de top. Maar velen kunnen het doel niet zien; hooguit enkele sporten zijn voor hen zichtbaar. Eén grote levensles dient zich echter aan: hoe meer hij aan zijn karakter schaaft, des te groter zijn kracht wodt om de ladder op te klauteren. Vandaar dat we de vrijmetselaar zouden kunnen bestempelen als een bouwer van de karaktertempel. Hij is de architect van een subliem mysterie – de fonkelende, glimmende tempel van zijn ziel. Hij beseft dat hij God niet beter kan dienen dan door een pact te sluiten met de grote architect om nobele structuren te bouwen in het lagere universum (de materiële wereld).

Al wie een poging onderneemt om meesterschap te bereiken via constructieve acties, is in zijn hart vrijmetselaar, ongeacht het geloof of de religie die ze belijden. Een vrijmetselaar is dus niet per se lid van een loge. Eenieder die op dagelijkse basis het maconnieke leven tracht te leiden en op intelligente wijze de noden van de Grote Architect dient, heeft recht op de titel van vrijmetselaar. Een broeder van het genootschap gaat prat op de onvoorwaardelijke steun aan zijn medebroeders, onder welke omstandigheid dan ook. En die gelofte geldt evenzeer voor elk levend wezen – elke bezielde entiteit is immers een medebroeder (tempelbouwer) die meebouwt aan meer nobele structuren van Gods glorie.     

De ware loge van de vrijmetselarij is een mystieke school. Het is een school waar kandidaten de nonsens en zwakheden van de wereld kunnen ontvluchten, en een opleiding genieten in de mysteries van het leven – de identiteit van de spirituele kiem in zichzelf; de zoon van God, zijn geliefde Vader. De vrijmetselaar heeft een serieuze kijk op het leven en beseft terdege dat men in het leven elk moment moet grijpen – een kans die men laat liggen, is immers een verloren kans. Omnipotentie (almogendheid) bereikt men slechts door ernst en doorzettingsvermogen. 

Maar boven alle andere verwantschappen erkent hij de universele broederschap van elk levend wezen. In die zin staat het symbool van de dichtgevouwen hand (of klappende hand) voor de maconnieke open houding naar de rest van de wereld, daar hij de kameraad is van alle creaties. Hij realiseert zich tevens dat zijn geest een fonkelend juweel is, waaromheen hij een heiligdom moet bouwen – door middel van de arbeid van zijn handen, de meditatie van zijn hart, de aspiratie van zijn ziel. 

De vrijmetselarij is een filosofie zonder geloofsbelijdenis. Zijn broeders knielen eerbiedig voor de waarheid, ongeacht de houder, zij zijn dienaren van het licht, ongeacht de brenger. Hiermee bewijzen ze dat ze een grondige kennis hebben van de geboden  en dat de wil van de Onzichtbare voor hen cruciaal is. Er bestaat geen waarachtigere religie dan een universele kameraad- en broederschap waar slechts de glorie van God telt – slechts voor hem wordt de karaktertempel gebouwd.

Bron: De verloren sleutels van de vrijmetselarij door Manly P. Hall (fakkeldrager van het Rozenkruis 18)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *