De eigenschappen van de ware vrijmetselaar volgens Manly P. Hall in zijn boek ‘De verloren sleutels van de vrijmetselarij’

Elke ware vrijmetselaar weet dat er in feite maar één Loge bestaat – dat is het Universum – en slechts één Broederschap, bestaande uit alles wat beweegt of existeert op de niveaus van de Natuur. Hij beseft ook dat de tempel van Solomon of Salomo eigenlijk de Tempel van de Man van de Zon (Sol-Om-On) is, de koning van het Universum die zich via de drie oorspronkelijke bouwers manifesteert. Hij beseft dat zijn eed van de broederschap en het genootschap universeel is, en dat mineralen, planten, dieren en mensen allemaal tot het ware maçonnieke Vakwerk behoren. 

Als een ware Vakman heeft hij een uitstekende kennis van de ondermaanse rijken van de Natuur, en als een oudere broeder neemt hij ze beschermend onder zijn hoede – hij zou nog liever sterven dan te falen in deze grote morele verplichting. Hij heeft zijn volledige leven aan het altaar van zijn god gewijd, en is bereid om de minderbedeelden te helpen met de krachten die hij verwierf. De mystieke vrijmetselaar ziet dwars door het schijnbaar fysieke karakter van de ritualen heen en onderkent de eenheid van het leven, dat zich door een diversiteit van vormen heeft gemanifesteerd.

De ware leerling van de antieke vrijmetsealrij aanbidt niet langer personages. Hierdoor weet hij dat de positie van de vormen in de materiële wereld van ondergeschikt belang is in vergelijking met het leven dat diep in hem evolueert. Zij die zich laten verleiden of zich van hun taak laten afleiden door materiële verschijningen zijn slechts onverlaten expressies van de vrijmetselarij. De vrijmetselarij is immers de abstracte wetenschap van de spirituele ontplooiing.

Materiële rijkdom is dus geen graadmeter voor de evolutie van de ziel. De ware vrijmetselaar beseft dat er achter de diversiteit van vormen slechts één levensprincipe schuil gaat: de vonk van God die in elk levend wezen zit. Het is precies dit Leven dat hij toetst wanneer hij een medebroeder naar waarde schat. Het is dan ook dit Leven dat hij oproept voor de erkenning van spirituele Eenheid. 

Hij beseft dat de ontdekking van deze vonk van eenheid hem een bewust lid van de Kosmische Loge maakt. Maar boven alles moet hij leren inzien dat deze goddelijke vonk even intens straalt in het lichaam van zijn vijand als in het lichaam van zijn beste vriend. De ware vrijmetselaar heeft geleerd om goddelijk onpersoonlijk te zijn in gedachten, daden en verlangens. Hij hecht geen waarde aan geloofsbelijdenis.

De goddelijke verlichting van zijn loge doet hem beseffen dat de religie van een vrijmetselaar universeel moet zijn: de namen van Christus, Boeddha of Mohammed zeggen hem weinig, daar hij slechts het licht onderschrijft, en niet de drager. Hij aanbidt elke schrijn, buigt voor elk altaar, ongeacht of hij zich in een tempel, moskee of kathedraal bevindt – spirituele waarheid is tenslotte één. Grote idealen koesteren en er niet naar leven is voor de ware metselaar heidens. 

Hij weet tevens dat alle religies slechts hervertellingen zijn van één universeel verhaal, telkens verschillend verteld voor mensen met een andere culturele achtergrond, doch waarvan het einddoel in overeenstemming is met de maçonnieke idealen. Noord, oost, zuid en west rekken de verscheidenheid van menselijke gedachten, en terwijl de menselijke idealen schijnbaar van elkaar verschillen, wanneer alles is gezegd en de kristallisatie van vorm (met zijn valse concepten) wordt weggespoeld, blijft er slechts één basiswaarheid over: alle levende wezens zijn Tempelbouwers die aan dezelfde eindbestemming werken. Geen enkele vrijmetselaar mag bekrompen zijn, aangezien de loge de goddelijke expressie van alle bereidheid is. Voor enggeestigheid is er in het grote werk geen plaats.

De ware vrijmetselaar moet de kracht van de observatie ontwikkelen . Hij moet eeuwig in de manifestaties van de Natuur blijven zoeken naar datgene wat verloren was omdat hij indertijd gestopt was met zoeken. Hij moet een student worden van de menselijke aard en in zijn medemens de ontplooiing en diverse uitingen zien  van de alles verbindende spirituele intelligentie. Het grote spirituele Rituaal wordt voor zijn ogen ontvouwen door elke handeling van zijn medemens. De volledige maçonnieke inwijding is een open geheim: iedereen die wil zien merkt het op elke hoek van de straat evenals in de ruwe contreien van de wildernis. 

De vrijmetselaar heeft gezworen dat hij elke dag zal plukken, en dat hij de boodschappen die op hem afkomen zal verwerken in de tempel van zijn God. Hij leert precies die zaken te zoeken die hem nog meer dienstbaarheid kunnen verschaffen in het Goddelijk Plan, die van hem een beter instrument van de grote Architect maken – Hij die eeuwig werkt om, via het medium van levende wezens, het leven te ontplooien. De vrijmetselaar beseft dat zijn vrijwillige eed hem de goddelijke kans geeft om als levend gereedschap van de Meesterbouwer te dienen.

De ware meester-vrijmetselaar heeft slechts één gedachte in zijn geest: Hoe kan ik, als individu, het Universele Plan nog beter dienen? Hoe kan ik waardig zijn door de mysteries die er zich ontvouwen beter te begrijpen? Hoe kan ik meer transparantie in de hand werken voor hen die het spirituele inzicht missen? 

De ware vrijmetselaar is te allen tijde onbaatzuchtig in elke expressie en toepassing van de krachten die hem worden toegekend. Geen enkele ware broeder zoekt iets voor zichzelf, maar werkt aan het algemeen belang. Iemand die pretendeert spiritueel te zijn maar belust is op wat hij er voor zichzelf kan uithalen, is zelfs niet waardig om de positie van een waterdrager te bekleden. Het ware Licht komt slechts naar degenen die bereid zijn om er alles voor te doen en er niets voor terug te vragen.

De ware broeder van het Vakwerk, continu strevend om zichzelf fysiek, mentaal en spiritueel te verbeteren maakt van zijn eigen verlangens nooit het doel van zijn werk. Hij heeft een plicht, en die moet hij trachten te laten passen in de plannen van anderen. Hij moet klaar zijn om zijn eigen idealen op elk moment van de dag te laten vallen voor de roep van de Bouwer. Het werk moet voltooid worden, en hij draagt zijn leven op aan de dienstbaarheid van hen die de grenzen van tijd noch ruimte kennen. Zijn leven moet zo georganiseerd zijn, dat hij immer paraat staat wanneer hij opgeroepen wordt. 

De meester-vrijmetselaar weet dat diegenen met de meeste levenservaring het nuttigst zijn voor het Plan. Wat zich afspeelt tussen de muren van de fysieke loge is van geen belang voor de basis van zijn grootsheid, het is veeleer de manier waarop hij zijn dagelijkse problemen aanpakt die cruciaal is. De ware student van de vrijmetselarij is gekend door zijn empathische handelingen en gezond verstand. 

Iedere vrijmetselaar weet dat een gebroken eed verschrikkelijke vergeldingen met zich mee brengt. Laat hem tevens beseffen dat een mislukt mentaal, spiritueel en moreel leven de grootste meineed is van allemaal. Wanneer een vrijmetselaar zweert dat hij zich optimaal zal toeleggen op de bouw van zijn Vaders huis en vervolgens zijn tempel verziekt door de perversie van zijn mentale  en emotionele kracht en zijn  actieve energie, dan breekt hij een gelofte die hem geen jaren maar eeuwen misere kan opleveren. 

Indien hij een vrijmetselaar waardig is, dan moet hij groots genoeg zijn om de lagere aspecten van zijn leven te bedwingen, die dagelijks zijn Grootmeester vermoorden. Hij moet beseffen dat een laag-bij-de-gronds levenspad gelijk staat met een gebroken eed en dat dagelijkse dienstbaarheid, purificatie en de constructieve toepassing van energie een levende roeping is, die binnen in hem de kracht van de Schepper bouwt. Zijn  leven is het enige aanvaardbare gebed in de ogen van de Allerhoogste. Een onrein leven is een gebroken overeenkomst; een destructieve daad is een levende vloek; een enge geest is een wurgkoord rond de nek van God.

Alle ware vrijmetselaars weten dat hun werk niet geheim is, doch ze beseffen dat het onbekend moet blijven voor hen die niet in staat zijn het maçonnieke leven te belijden. Zelfs al zouden de geheimen van de vrijmetselarij van de daken geschreeuwd worden, dan nog zou men bij die roep van de broederschap op beide oren kunnen slapen. Bepaalde spirituele kwaliteiten zijn immers noodzakelijk voordat men de mystieke geheimen van de vrijmetselarij kan ontrafelen. Vandaar dat de berucht ‘ontmaskeringen’ van de vrijmetselarij, neergepend met duizenden sinds 1730 tot heden, de broederschap niet kunnen schaden. Zij onthullen namelijk louter de uitwendige vormen van de ceremoniën en ritualen. Enkel degenen die gewogen en goedgekeurd zijn, kunnen de innerlijke betekenis van het Vak appreciëren. Voor de overige massa dienen de heilige ritualen verborgen te blijven. 

Want zoals Shakespeare het al zo mooi verwoordde: ‘Words, words, words.’ Binnenin het wezen van de vrijmetselaar sluimert een kracht die het Woord van de Bouwer bepaalt. Zijn leven is het enige wachtwoord dat toegang verleent aan de ware vrijmetselaarsloge. Zijn spiritueel smachten is net een scheut van de acacia, die, door de duisternis van onwetendheid, bewijst dat het spiritueel vuur nog steeds brandt. Hij moet de spirituele eigenschappen in zichzelf cultiveren om zo tot een juist begrip te komen van het Vakwerk. Hij kan de wereld slechts betekenisloze vormen tonen, doch het leven binnenin is voor altijd omsluierd totdat het spirituele oog het aan de oppervlakte brengt.

De meester-vrijmetselaar beseft dat liefdadigheid een van de grootste karaktereigenschappen is die de oudere broeders hebben ontvouwen – niet zozeer liefdadigheid in conventionele zin maar eerder in gedachten en daden. Hij beseft dat de werklui niet allemaal op dezelfde trede staan, maar ongeacht waar eenieder zich ook moge bevinden, hij blijft zijn uiterste best doen binnen het niveau van zijn Licht. Elkeen werkt met het gereedschap waarover hij beschikt, en de meester-vrijmetselaar steekt zijn tijd niet in het bekritiseren doch het helpen verbeteren van de gereedschappen van de ander. 

De meester-vrijmetselaar vindt geen gebrek; hij oordeelt noch klaagt, doch nimmer kwaadsprekend en steevast liefdevol naar iedereen, zoekt hij naar de waardigheid die zijn Vader van hem verlangt. Hij werkt in stilte, in medelijden lijdt hij, en wanneer de bouwers hem in de steek laten, zal hij alsnog voor hen bidden. Hoe grootser de vrijmetselaar, hoe meer hij excelleert in zijn Vakwerk; hoe meer vaderlijk hij wordt, des te breder worden de muren van zijn loge, totdat alle levende wezens kunnen schuilen en beschermd zijn onder zijn blauwe cape. Door met weinigen te werken tracht hij iedereen te assisteren, zich realiserend dat zijn breed werkveld hem de kennis verschaft om de zwakheden van anderen te verstaan. 

Een vrijmetselaar is niet trots op zijn positie. Hij is niet zelfvoldaan door de verworven eer, maar met een loodzwaar hart is hij eeuwig beschaamd over zijn eigen plaats, beseffend dat hij nog een lange weg heeft af te leggen in vergelijking met de hogere graden. Hoe verder hij gaat, des te beter hij beseft dat hij zich vooralsnog op glad ijs bevindt, en wanneer hij zich voor een moment inbeeldt zijn eenvoud en nederigheid te verliezen, wordt een val onvermijdelijk. Een ware vrijmetselaar voelt zich nooit waarig voor zijn Vakwerk. Een student mag zich op een onbewaakt moment dan al de koning van de wereld voelen, de ware broeder, echter, zal zich voor die hoogmoed immer behoeden. 

Een vrijmetselaar kan niet gekozen of uitgevaardigd worden door loting. Hij is geëvolueerd door jaren van purificatie en spirituele transmutatie. Er zijn duizenden vrijmetselaars die trots hun titel dragen, maar ze falen om de idealen van hun Vakwerk naar behoren uit te dragen, waardoor ze eigenlijk ongeschikt zijn voor de doctrine en de doelstellingen van de vrijmetselarij. 

Het maçonnieke leven vormt de eerste sleutel van de Tempel en zonder deze sleutel kan de deur niet worden geopend. Wanneer dit eindelijk voor iedereen duidleijk wordt, zal de vrijmetselarij ontwaken en het lang verborgen gehouden Woord spreken. Het speculatieve Vakwerk zal dan opnieuw operationeel worden, en de verborgen antieke wijsheid zal herrijzen uit de ruïnes van de tempel als de grootste spirituele waarheid ooit geopenbaard. 

De ware meester-vrijmetselaar erkent de waarde van het zoeken – waar dan ook. Het maakt helemaal niet uit of dit in het kamp van de vijand is; indien het waar is, gaat hij er met plezier heen om het in veiligheid te brengen. De vrijmetselaarsloge is universeel; daarom zullen all vrijmetselaars geen angst hebben om de extremen van de Creatie op te zoeken. De ware broeder van het Vakwerk kent een groot paradox en past die ook toe. Hij moet de hogere zaken in de lagere plaatsen zoeken en de lagere dingen in de hogere plaatsen vinden.

De vrijmetselaar die zich heiliger acht dan zijn medemens, heeft zichzelf omwald door een ondoorzichtbare muur. Veel nakomelingen maken de fout om hun geheimen de barricaderen, wat slechts leidt tot de uitsluiting van hun eigen licht. Hun goddelijke opportuniteit staat op het spel. Het is tijd dat de wereld weer recht heeft op de antieke wijsheid. 

Laat de vrijmetselaar naar voren treden, en door zijn waarachtige en overeenkomstige levensstijl zijn medebroeders inspireren. Hij beschikt over de sleutels van de waarheid; laat hem de deuren openen, en met zijn leven (niet zijn woorden) de doctrine prediken die hij zélf zo lang heeft beleden.

Het Vaderschap van God en de broederschap van de mensheid werden verenigd in de voltooiing van de eeuwige tempel, het Grote Werk, waaraan alles zijn bestaansrecht dankt en waardoor elk schepsel de Schepper zal verheerlijken. 

Bron: De verloren sleutels van de vrijmetselarij door Manly P. Hall

BESTEL DEZE BESTSELLER OVER DE VRIJMETSELARIJ

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *