Tempelbouw is middel, geen doel – toespraak van Wim Leene rozenkruis en vrijmetselarij

Er is een waarheid in de wereld van ons mensen, die niet gezegd kan worden. Er is een waarheid in de wereld van ons mensen, die niet omlaag gebracht kan worden tot ons begrip. Er is een waarheid in de wereld van ons mensen, die zó hoog, zó goddelijk is, dat we deze waarheid alleen maar kunnen vinden wanneer we opklimmen tot deze hoogte.
Zulk een waarheid wordt benaderd door het rozenkruis en er zijn helaas slechts enkelen, die in staat zijn deze te verstaan.

Er zijn talloze pogingen gedaan om de waarheid omlaag te brengen, zodat de waarheid onmiddellijk in het bereik lag van de grote massa. Maar de massa en haar leiders hebben onmiddellijk getracht de waarheid aan banden te leggen. Zij hebben getracht de waarheid dienstig te maken aan eigen gedachten.

Als wij eenmaal, slechts eenmaal op weg waren om de waarheid te vinden, dan hebben we ondervonden hoe ontzaglijk diep en wijd als de oceaan deze waarheid is. Als we eenmaal, slechts eenmaal op weg waren en onze handen wrongen in wanhoop, want een wereld verging rondom ons, hadden we toen niet de waarheid gevonden? Als we eenmaal, al was het slechts een ondeelbaar ogenblik, de waarheid in het aangezicht staarden, dan wisten we wat geluk betekent, en er is sinds dat ene moment nog slechts één hunkering, namelijk naar de verwerkelijking, de vervulling van deze waarheid.

Dan weten we ook dat wij alleen in staat zijn aan te moedigen deze waarheid te zoeken en tevens dat we de waarheid niet tot de mensen kunnen brengen, want zovele malen we haar brengen tot de mensen, met klem van betoog, zovele malen zal zij verraden worden. Want wie zal naar de geest verstaan, die nog van de natuur is?

Daarom is het christendom een heldenworsteling, die ons eerst plaatst in de natuur als fundament, om ons daarna óp te voeren tot het individuele zelfbewustzijn; om ons eindelijk de verlossing te doen zien in de vrijheid. Het christendom is een heldenworsteling; de tempelbouw is een grote worsteling naar omhoog, naar de waarheid, waarvan ons de eerste pogingen worden verhaald in schone maçonnieke overlevering: het gieten van de glazen zee, het mysterie van Melchizedek, een geestelijke alchemie.

Als we ons verdiepen in de filosofie die deze enorme tempelbouw beheerst, dan komen we tot het inzicht dat, waar we gegenereerd zijn uit het absolute als deel van God, als geest van zijn geest, als beeld naar zijn beeld, we zelf de schuld dragen van onze gebondenheid. Want uit God geboren te zijn betekent niet persoonlijk wijsheid te bezitten als hij. Dieper nog: het kind-zijn van de vader is geen bescherming tegen dwaasheid en gebondenheid en houdt dus de verzoeking in, maar ook de hoogste mogelijkheden.

Want wie van de vader afstamt heeft tot taak zich een wijd begrip te verwerven, heeft tot taak zich geestelijke ogen te verwerven die de verschijnselen kunnen peilen tot op hun grond. Dit is reeds tempelbouw en het eist de grootste zorg van de bouwer. Er is veel wat
ons spreekt van de eeuwige wijsheid en tempelbouw, maar er zijn weinigen die de taal van de geest verstaan.

Salomo kende deze taal en hij wist door zijn persoonlijke worsteling dat het de taal van de liefde is. Hij heeft Gods werk, het werk van de vader, gezien naar zijn veelvuldigheid en naar het oneindig aantal van zijn mogelijkheden. Het is de smart der gebondenheid in de natuur van de kinderen van de vader, het is hun onzegbaar leed, dat hen vervult en aanspoort tot tempelbouw.

Daarom begint de tempelbouw met het aanbrengen van het cederhout van de Libanon. Het kenmerk van de Libanon is dit, dat hij in terrassen afdaalt naar de zee. Hij daalt in verschillende begrippen tot de eeuwigheid, die wijd is als de oceaan. Wanneer het blauw van de hemel, wanneer het uitspansel en het sterrenheir een oogwenk worden verstoord door een donkere wolk, dan is het of de oceaan van kleur verschiet en bevend van ingehouden toorn zal opkolken, tot het beeld is verzwolgen dat haar majesteit verstoort.

Maar het is slechts beeld, want noch de donkere wolk, noch de ongoddelijke mensengedachten zijn in staat het wezen van haar onkreukbaarheid en waarheid ook maar één moment te verstoren of te bezoedelen. Noch het ongoddelijke, noch het goddelijke, noch de vrijgemaakte, noch de gebondene is in staat het wezen der waarheid te veranderen. Het is het wezen van de eeuwigheid, dat ons ondanks alles als in een zalige omarming omstrengeld houdt, als het eeuwige water dat murmelend van zaligheid en weten de voet van de Libanon ontmoet en bespoelt – de Libanon die de reinheid, de witte reinheid wordt genoemd.

Evenwijdig aan de keten van de Libanon loopt de anti-Libanon, die zijn hoogste top vindt in de uitloper Hermon. Het kenmerkende van de anti-Libanon is dat hij opklimt uit het dal tot de steile hoogten van de kennis. Daarom wordt deze berg de ‘berg der ouden’ genoemd, want het is een heilige berg met veel tempels. Maar vanaf zijn steile hoogte zien we slechts een afgrond, peilloos diep, en geen weg naar de zee, naar de eeuwigheid, naar de eeuwige waarheid. Daarom staat er in psalm 42, vers 7: ‘Hij weent van de berg Hermon, die zeer ver gelegen is van de tempel van Jeruzalem.’

Er loopt een weg van het oosten naar het westen. Er loopt een weg van Egypte naar Kanaän. Er is een weg tot aan de Libanon en de anti-Libanon en daar ligt ‘Mispat’, een bron van rechtspraak, een geestelijk middelpunt, bij Kades Barnea, de heilige bron. Er zijn
velen die de anti-Libanon bestijgen, er zijn slechts enkelen die de Libanon beklimmen.

Op de Libanon wordt het cederhout gevonden, dat vrij is van de vurige zwavel. Daarom zijn zij die het hout aandragen dat voor de tempelbouw kan dienen, degenen die de witte reinheid kennen en de vurige brand van de lagere begeerte overwinnen. Het goferhout van de ark, de dynamische kracht van ons begeertelichaam dat ons naar omlaag sleurt, moet door hen worden omgezet. De zwavelhoudende kracht van het goferhout wordt hier omgezet, niet bedwongen, in het zwavelvrije cederhout.

Salomo is niet in staat deze tempel alleen te bouwen, omdat de vader niet gediend kan zijn in het afgescheiden begrip, niet in eenzijdigheid, niet in afgetrokken denkbeelden. Want ook de vader wil slechts dienaar zijn van het absolute, het ene en heilige dat het al
draagt en torst. Daarom komt daar de hulp van de ander, de meester-bouwer, en beiden werken aan de bouw tot op deze dag.

Er is een onzegbaar verlangen naar tempelbouw, naar een tempel die alle gescheidenheidsbesef van kinderen van één vader zal wegnemen. Er is een heimwee om de mensen terug te voeren tot de eenheid, terwijl zij nu, vervreemd en moedeloos, een strijd tegen ontbinding strijden. Zij voeren een strijd van de zelfhandhaving.

Hij die onder aanvoering van ‘Lucifer’ de mensheid wil voortjagen en haast wil maken is ‘een vaardig handwerksman’. Deze vurige van geest heeft geen tijd meer, hij staat in brand vanwege de geestdrift en hij wil er zijn toorts middenin slingeren. Voort! Voort! U zult als God zijn. Hij heeft de ontembare moed die nodig is. Hij zwiept de mensheid voort en rukt hen uit hun traagheid.

Maar na hem komt de Christus die door zijn bloedstorting op Golgotha de waarheid omlaag brengt. Het is het bloed, dat middel is tot zuivering van de begeerteaard, van het zwavelhoudende goferhout. En zo wordt hij dienaar in het grootse plan tot onze opheffing.

Daarom kunnen we niet blijven staan bij de verlichting, maar moeten we de poort door tot de verlossing. Kunnen we niet blijven staan bij de verlichting van de luciferische geest, maar moeten we voort tot Jezus Christus, dat is: de verlosser. Toch is de verlichting voorwaarde tot de wijsheid, de wijsheid die tot de verlossing voert.

Het is deze wijsheid die het geweten verontrust. Hiram Abiff gaat meebouwen en hij kent het geheim. Hij gaat naar de vlakte en giet daar twee zuilen. De ene zuil heet ‘Jachin’, dat beduidt ‘Jehovah is de grondvester’. Jehovah is de hoogste ingewijde uit een tijdperk dat aan ons huidige tijdperk voorafging; hij is de grondvester van ‘het geloof’ en daarom begint de Mozaïsche wetgeving dan ook met ‘U zult’. De andere zuil heet ‘Boaz’, hetgeen betekent ‘met kracht van vuur, met weten’.

De zonen van het vuur zijn de grondvesters van het verstand. Deze twee koperen zuilen vormen de ingang van de tempelpoort. De mensen die onder de leiding en directe invloed staan van Jehovah, zijn geneigd de dingen op goed geloof aan te nemen en zij worden de zonen van Seth genoemd. Het is dan ook geen familieaangelegenheid als ons in de Bijbel meegedeeld wordt dat Salomo een zoon van Seth is.

Hij kan echter niet alleen bouwen en verzekert zich daarom van de hulp van Hiram Abiff. Deze is de vertegenwoordiger van de mensen van het vuur, de mensen van de rede, scheppers van kunst en industrie en wetenschap. Zij worden de zonen van Kaïn genoemd. Hiram Abiff is een zoon van Kaïn; ook dit zegt ons dus meer dan aanduiding van afstamming. Zo vormt de tempelpoort de ingang voor zowel de mensen van het licht der rede, als voor de mensen van het geloof. Ziet hier het verborgen geheim.

Zielengemeenschap kent geen afgescheidenheidsbegrip, maar is doordrenkt van het liefdebeginsel dat Christus heeft gegeven. En eenieder die bouwt aan de tempel is doordrenkt, in mindere of meerdere mate, van dit beginsel. Het beginsel van de liefde. Er zijn er die tot taak hebben om te bouwen aan de fundamenten en daarom eerst de oude fundamenten moeten wegbreken die gekristalliseerd zijn en dit geeft explosie, verscheuring, verdriet, leed.

Deze werkers worden gebruikt als stormtroepen en maken zichzelf hiervoor geschikt ondanks hun overige onwetendheid. Toch is dit grondwerk het fundament en zij die tempelbouwers zijn weten dat dit werk noodzakelijk is. In heel de tempelbouw is alles slechts middel tot schoonheid van het geheel. Er zijn er die kantelen bouwen aan de tempel en naarmate hun beginsel dieper is geworteld in het Christusbeginsel, is het resultaat van hun arbeid schoner. Er zijn er ook die een eígen tempel willen bouwen en kristalliseren in groepsbelang, tot de tijd van ontbinding gekomen is en ook zij zullen leren hoe gebouwd moet worden aan de eeuwige tempel.

Gehoorzaamheid aan de bouwheren, die het geestelijk plan hebben uitgedacht is echter voor allen even noodzakelijk, zowel voor hen die het grondwerk verrichten, als voor hen die in de toren bouwen. Het is een gehoorzaamheid die mogelijk is wanneer het beginsel van de wijsheid wordt gekend.

Er zijn er die ingewijd zijn in een van de hogere bouwplannen, iets wat zij die aan de fundamenten werken nog niet kunnen begrijpen. Er zijn er ook die ingewijd zijn in meerdere van de hogere bouwplannen. Maar allen werken in het diepe besef dat alles slechts middel is en nimmer doel.

En er is ‘de ingewijde’ die allen bezielt met zijn beginsel – en ook hij zegt: ‘Ik ben slechts middel en geen doel.’ Want nog schoner tempelbouw wacht, met een doel zonder eindigheid.

Bron: De vuurgloed der ontstijging van Peter Huijs en Z.W. Leene

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *