Mani, de levende – de gave van het licht – het wonder van het manicheïsme in Centraal Azië – Symposionreeks 13

BESTEL MANI, DE GAVE VAN HET LICHT (SOFTBACK)

BESTEL EBOOK

Mani, kunstenaar zonder weerga, schilder, ongeëvenaard dichter, getalenteerd musicus en opmerkelijk medicus, toonde de eenheid aan die de verschillende religies verbond. Hij onderwees de christenen het universele christendom, ontsluierde aan de magiërs van Iran de betekenis van Zoroaster, en verklaarde de boeddhisten Boeddha en diens weg van de beëindiging van alle oorzaken van het lijden. Gedurende meer dan duizend jaar verlichtte Mani’s kerk der rechtvaardigen miljoenen zielen.

WOORD VOORAF

Wanneer tegenwoordig wordt gesproken over het manicheïsme dan denkt men vooral aan de buitengewone mens die Mani heette. Deze boodschapper van het Licht, die zeven eeuwen na de Boeddha leefde, en twee eeuwen na Christus, verenigde in zijn geniale visie oost en west met elkaar. Hij werd de ‘Parakleet van de Waarheid’ en ‘Zegel der Profeten’ genoemd. Zijn visie over het leven en de wereld was zo krachtig, dat zij zich absoluut zonder strijd van Afrika tot China, van de Balkan tot in Arabië verspreidde.

Mani, kunstenaar zonder weerga, schilder, ongeëvenaard dichter, getalenteerd musicus en opmerkelijk medicus, toonde de eenheid aan die de verschillende religies verbond. Hij onderwees de christenen de diepte en het verborgene van het universele christendom, ontsluierde aan de magiërs van Iran de werkelijke betekenis van de boodschap van Zoroaster, en verklaarde de boeddhisten de weg van bevrijding. De ‘kerk der rechtvaardigen’ die hij stichtte om de mysteriën van de volkomen Mens over te dragen, verlichtte gedurende meer dan duizend jaren miljoenen zielen.

Maar wat is er overgebleven van deze ‘religie van het Licht’, die zo tolerant en strijdloos was, die de wereld in vlammen hulde en zovelen in beroering bracht? Daarop werd tijdens het Renova-symposion De gave van het Licht, gehouden op 7 mei 2005 te Bilthoven, ingegaan. In deze bundel zijn de vier voordrachten van dit symposion opgenomen.

Uit een psalm van Mani:

‘Wat God mij openbaarde,
zette ik uiteen aan hen,
die naar de Waarheid verlangen.
Ik gaf hun getuigenis van het ware schouwen
en van de heerlijkste openbaring
die mij ten deel vielen.’

P.Huijs
G. Olsthoorn

HET MANICHESE WONDER – FRANÇOIS FAVRE

Zeven eeuwen na Boeddha, twee eeuwen na Christus, vier eeuwen voor Mohammed, leefde Mani, apostel van Christus. Hij werd de ‘Parakleet van de Waarheid’ of de ‘zegel van de Profeten’ genoemd. Het was deze bijzondere figuur, die een verbinding wist te bewerkstelligen tussen Oost en West. Zijn omvattende wereld- en levensvisie verspreidde zich op een volkomen strijdloze wijze van Afrika tot China, van de Balkan tot het Arabische schiereiland.

Mani, die een weergaloze schilder was, maar ook een groot dichter, een getalenteerde musicus en een bijzonder arts toonde de bron, de eenheid waar alle bevrijdende religies uit voortkomen. Hij leerde de christenen het diepzinnige, esoterische aspect van het universele christendom, ontsluierde de magiërs van Iran de ware betekenis van de boodschap van Zoroaster en verklaarde het bevrijdende Pad aan de boeddhisten. De Kerk van Rechtvaardigheid die hij stichtte om de mysteriën van de volmaakte mens door te geven, verlichtte meer dan duizend jaren lang miljoenen zielen.

Ons doel vandaag is te laten zien, door een concreet voorbeeld, namelijk die van het manicheïsme is Centraal-Azië, wat de Gnosis van Mani werkelijk was en wat zijn civiliserende invloed op de samenleving van zijn tijd. Wij zullen dan zien dat hoewel de feiten waaraan wij refereren tot het verleden behoren, de vragen die zij opwerpen actueel zijn en zeer relevant. Meer dan ooit, in een verwarde tijd als de onze, waar we een mondialisering zien van de strijd tussen het licht en de duisternis, het goede en het kwade, de geest en de materie, verdient de boodschap van Mani, zijn ‘roep’ opnieuw ontdekt en beluisterd te worden.

Om het ‘manichese wonder‘ te kunnen beschrijven en te begrijpen stellen we ons op het volgende standpunt: het manicheïsme is een esoterische, universele leer. Anders gezegd: het geheim en de kern van het manicheïsme is de inwijding, gesymboliseerd door de mercuriusstaf (we komen daarop later terug). Hierin ligt ook de sleutel van de belangrijke civiliserende invloeden van het manicheïsme.

Hoewel sinds het begin van de 20e eeuw vele studies aan het manicheïsme gewijd zijn, zijn de wetenschappers zeldzaam die het aandurfden om te beweren dat de gedachten en het universum van Mani een esoterische grond hebben. Nog zeldzamer zijn degene die hebben getracht de manichese verbeelding systematisch te onderzoeken en de werkelijke betekenis van zijn mysteriën, mythen, symbolen, riten en inwijdingen te doorgronden.

Het dubbele principe van ons onderzoek is eenvoudig: de teksten geschreven door Mani of de schilderijen van zijn discipelen zijn vooral symbolisch en inwijdend van aard. Zij hebben vooral te maken met de fysiologie van de lichtmens, zoals Henry Corbin het verwoordde, met de structuur van de innerlijke mens zoals Paulus het noemde, de fijnstoffelijke anatomie. Dit feit wordt bevestigd door bijvoorbeeld het belang van de idee van de ‘microkosmos’ in het oosterse manicheïsme, dat dicht bij de taoïstische opvatting staat die het menselijke lichaam beschouwt als de samenvatting en afspiegeling van het totale universum. Of beter misschien nog, als een heilige en volmaakte wereld, omdat het geschapen is volgens een transcendent principe.

Hier moeten we het volgende aan toevoegen. De manichese mythe is, net als het leven van Jezus, de legende van de Boeddha of die van Christiaan Rozenkruis, een mysterie. Het is een inwijdingsmysterie van alchemische aard, gerelateerd aan de tweede geboorte, de schepping van de nieuwe mens in drie dagen. Zoals Johannes schrijft: ‘Verwoest deze tempel en in drie dagen zal ik hem weer opbouwen’ – waarbij hij het had over de tempel van het lichaam. ‘Jezus stond op’, zo zegt de manichese psalmist, ‘in drie dagen’. Het kruis van licht wordt op drie machten opgericht (…) Deze drie machten zijn de kerk van de kleine wereld of microkosmos. Het volgende fragment bevestigt dit:

‘Wanneer de lichtboodschapper de oude stad is binnengetreden en hij de hatelijke vijanden vernietigd heeft, moet hij onmiddellijk de twee krachten, het licht en de duisternis, van elkaar scheiden en niet meer toestaan dat ze zich met elkaar vermengen. Hij begint met het onderwerpen van de haat, zet haar gevangen in
de stad van de beenderen en zorgt ervoor dat de zuivere ether zich volkomen bevrijdt van haar banden. Hij onderwerpt vervolgens de ergernis en zet deze gevangen in de stad van de zenuwen. Hij zorgt ervoor dat de zuivere en goede wind direct bevrijd wordt. Dan onderwerpt hij de wellust en zet haar gevangen in de stad van de aderen. Hij zorgt ervoor dat de lichtkracht zich kan ontdoen van haar banden. Hij onderwerpt daarna de woede en zet die gevangen in de stad van het vlees; hij zorgt ervoor dat het goede water direct bevrijd wordt. Hij onderwerpt dan de domheid en zet haar gevangen in de stad van de huid.

Hij bevrijdt dan het zeer goede vuur volledig. De twee demonen van de hebzucht en de begeerte zet hij gevangen in het midden. Het gewelddadige, hongerig en giftige vuur laat hij vrij.
Zo begint een goudsmid die goud wil smelten met zich te voorzien van vuur. Als hij geen vuur vindt, kan smelting niet plaatsvinden. De weldadige lichtboodschapper is vergelijkbaar met de goudsmid; […] hij is als het goud; en wat de hongerige demon betreft, het is het gewelddadige vuur dat de vijf gescheiden lichamen (van het oorspronkelijke licht) doet smelten en ze reinigt.

De weldadige lichtboodschapper, gehuld in de uitmuntende lichamen (van de uitgezondenen) bedient zich van het hongerige vuur om er een groot voordeel mee te behalen. De vijf lichtkrachten wonen in het lichaam dat is gevormd door de twee krachten licht en donker; daarom onderscheidt zich de goede mens en kiest tussen de twee krachten en scheidt ze van elkaar.’

Vanuit esoterisch standpunt gezien is het mogelijk drie vormen van alchemie te onderscheiden, gebaseerd op ‘de macht van de slang’, op het ontwaken van de kundalini, zoals het in het Oosten genoemd wordt.

  1. de tantrische alchemie of de yoga van de opstijgende kracht, toegepast door alle occultisten, hetzij Chinees, Indiaas, Tibetaans, Iranees of Europees;
  2. de boven-mentale alchemie of de yoga van de neerdalende kracht, in onze tijd door Sri Aurobindo en zijn opvolgers onderwezen,
  3. de christelijke alchemie of de integrale yoga, geleerd, verklaard en geleefd door de christelijke gnostici, de Duitse theosofen voortgekomen uit het protestantisme en de klassieke en moderne rozenkruisers.

De manicheeërs die zich omschreven als zonen van de slang beoefenden de laatste methode. Het is onmogelijk om in een korte samenvatting aan te geven wat deze methode van bewustzijnsverandering omvat. Voor hedenmiddag moet volstaan te vermelden dat het te maken heeft met de invloed en de wederopbouw van het gehele zenuwsysteem, en dus van de menselijke ziel.

Wat wij trachten te ontsluieren is de ‘ware’ zin van de ‘manichese mysteriën’, waarvan Mani zei dat zij hem door zijn hemelse tweelingbroer geopenbaard waren, door zijn Dubbelganger, die hij kon waarnemen met zijn ogen van licht, zijn ogen van vuur. ‘De waarheid en de geheimen waarover ik spreek (…) heb ik niet van mensen noch van scheppingen van vlees ontvangen, noch van de studie van Geschriften… Hij is het, de onafscheidbare Metgezel, die mij bekend maakte hoe ik was voor de grondlegging van de wereld, en hoe het fundament van alle werken, goede en slechte, werd gelegd…’

Om dit te illustreren een voorbeeld. Een Arabische traditie vertelt dat ‘toen men de boeken van Mani en zijn discipelen verbrandde er edelstenen uit het vuur ontsprongen en vloeibaar goud eruit stroomde’. Woorden hebben, net als mensen, een geschiedenis en bevatten dikwijls schatten aan betekenissen, die door een zorgvuldige analyse aan het licht kunnen komen. Een naam is een signatuur, een kracht.

Volgens verschillende auteurs zou de oorsprong van de naam Mani komen van het Syrische woord ‘Mana’, ‘vaas’, ‘gewaad’, of van het Sanskriet woord ‘Mani’ wat ‘steen, parel of edelsteen’ betekent. Je vindt het woord ook terug in het Indische mantram: ‘Om mani padne Om’, wat betekent: ‘Gegroet, o verborgen kleinood in de lotus.’

Bij de meeste mensen is de vaas gebroken. De eenheid bestaat niet meer en een onafgebroken conflict woedt tussen hart en hoofd, tussen gevoel en verstand, en zijn daden, het derde aspect van de menselijk-goddelijke drie-eenheid, worden er door gekenmerkt. Het fenomeen dat beschreven wordt als de val of de verbanning uit het Paradijs, heeft geen andere oorsprong dan deze verbrokenheid, die zich bij voorbeeld weerspiegelt in de gescheidenheid man-vrouw. (Bij huwelijksconflicten zegt de man op zeer karakteristieke wijze: ‘ik begrijp je niet’ en de vrouw: ‘jij houdt niet van mij’. Het wordt bevestigd in de structuur van ons zenuwsysteem (tegenstelling tussen het sympathische systeem, niet-willekeurig, vrouwelijk en het cerebrospinale systeem, willekeurig, mannelijk.

Daarentegen zijn bij de ‘geregenereerde mens’, zoals de theosoof Jacob Boehme het zegt, hart en hoofd onverbrekelijk met elkaar verenigd, zij weerspiegelen elkaar volmaakt. Zij zijn tegelijk tegengesteld én aanvullend, zij vormen een perfecte sfeer die de beheersing, het ‘berijden’ van de begeertekrachten mogelijk maakt. In de manichese gedachte zien we dit gesymboliseerd door het beeld van de duisternis (waarvan de centra gelegen zijn in de geslachtsorganen en de plexus solaris).

Bij de tempeliers werd deze kennis gesymboliseerd door twee ridders, gezeten op hetzelfde paard, één met het gezicht naar voren (hoofd) en de ander met het gezicht naar achteren (hart). In het taoïsme zien we hoe Lao Zi, prototype van de ware wijze, een buffel weet te berijden; liefde en wijsheid, eenheid van hart en hoofd, heersen over de luie en grillige natuur.
In de leringen van de rozenkruisers wordt in dit verband onze aandacht nog gevestigd op het feit dat de larynx (het strottenhoofd) zich bevindt tussen hart en hoofd, gelegen aan de bovenkant van de luchtpijp, de orgaanstructuur die de spraak mogelijk maakt. De spraak waarmee wij onze gedachten en onze gevoelens uitdrukken door zingen, bidden of onderwijzen…

Dat zijn aspecten van realiseren, van doen, van scheppen; en het gaat hier om de magie van de daad, die zich uit als een woord dat eenheid of verbrokenheid schept. In de gnostieke traditie wordt het vermogen van het woord immers geassocieerd met een tweesnijdend zwaard.
Vele in Turfan gevonden manichese teksten en miniaturen getuigen daarvan. De manicheeërs hechtten veel waarde aan muziek, zang, poëzie, en aan de geloofsbelijdenis door het woord als een getuigenis van hun innerlijk leven en het bewijs van de geest die hun bezielde. Hun leer van de drie zegels (het zegel van de mond, het zegel van het hart en het zegel van de hand) is er een krachtig en levend symbool van.

‘Mani’ betekent ook parel: de parel van licht. In de manichese literatuur neemt deze tweede betekenis van het woordbeeld ‘Mani’, het motief van de parel, een centrale plaats in. Je ziet dat bij voorbeeld in de teksten die in Fayoum in Egypte werden gevonden. Daarin komt Mani naar voren als ‘de Apostel van het Licht’, of is hij de ‘Parel van licht, gekomen uit de woeste zeeën’. Een psalm getuigt: ‘Strijdt, mijn geliefden! Wordt wederom schone parels opdat de parelvissers u ten hemel voeren, om de vrede in het eeuwige leven te vinden.’

In het Lied van de parel uit de Handelingen van Thomas, een van de meest populaire teksten in manichese kringen, zoekt de prins uit het Oosten de parel. Het Lied van de parel wordt beschouwd als een kleinood uit de Syrische literatuur: de moedertaal van Mani was het Syrisch. Het werd regelmatig gelezen en becommentarieerd door de manichese gemeenschappen uit het Oosten en het Westen, net als het beroemde Evangelie van Thomas.

De luisteraars herkenden moeiteloos in de jonge held hun stichter: de avonturen van de jonge Iranese prins die zijn vaderland verliet om de kostbare parel te zoeken, waren die van Mani, de Lichtboodschapper, neergedaald naar de wereld van de duisternis. Om daar de mensen te onderwijzen in het ‘mysterie van het geestelijke hart’, en terugkerend tot zijn oorsprong, te worden vergezeld door de vernieuwde zielen van allen die zijn ‘roep’ positief hadden beantwoord. Dit inwijdingsverhaal over de gnostieke mythe van het neerdalen en opstijgen van de ziel, heeft inderdaad treffende gelijkenissen met het legendarische leven van Mani. In sommige tradities wordt deze tekst aan Mani zelf toegeschreven.

Omdat dit verhaal belangrijk is voor een goed begrip van onze uiteenzetting, willen we de grote lijnen ervan weergeven. Het argument is eenvoudig: de zoon van de koning van het Oosten wordt naar Egypte gezonden met de opdracht een zeldzame parel te vinden die op de bodem van de zee ligt, vlakbij het hol van een slang. Tijdens zijn zoektocht verzinkt de jonge prins in onbewustheid en in slaap, door het toedoen van sluwe vijanden. Zijn familie, bezorgd over zijn lot, maakt een plan om hem uit die toestand te halen: door een adelaar wordt hem een brief gestuurd om hem zich zijn oorsprong en het doel van zijn reis te doen herinneren.

De ‘schreeuw’ van de vogel maakt hem wakker en de woorden die zijn ouders voor zijn vertrek in zijn hart hadden geëtst komen hem weer in de geest. Hij begeeft zich naar het hol van de slang, en laat deze inslapen door over hem de ‘naam’ van zijn vader, van zijn broeder en van zijn moeder uit te spreken. Hij rukt de parel uit zijn klauwen en keert glorieus terug naar zijn vaderland. Op de grens tussen Oost en West ontdoet hij zich van zijn oude kleding en ontvangt de koninklijke mantel, het lichtkleed dat hem vanaf het begin beloofd was.

In een iets andere vorm verhaalt de manichese mythe hetzelfde: het verhaal van een goddelijke ziel, gevangen in de materie en in het lichaam verbeeldt de verschillende fasen van de lange, moeizame strijd die, vanaf de oorsprong, het Licht tegenover de duisternis plaatst, de geest tegenover de materie, het Goede tegen het Kwade. Dit immense kosmische drama, dit reddingsepos ontwikkelt zich in drie momenten’:

  • een verleden tijd, waar een splitsing, een perfecte dualiteit van de twee substanties bestond,
  • een tussentijd of tegenwoordige tijd, waar beide principes zich vermengen;
  • en een toekomende tijd of eindmoment, waar de oorspronkelijke scheiding hersteld zal worden, als in het begin.

De geschiedenis van de mensheid begint met de val van de oermens in de sfeer van de materie: om zijn rijk te beschermen tegen de aanval van de wrede prins, zendt God, de vader van de grootheid, zijn zoon om tegen de vijand te strijden aan de grens tussen beide werelden. De zoon wordt verslagen: zijn lichaam van licht wordt uitgeleverd aan de demonen der duisternis en zijn ziel onderworpen aan de krachten en de wetten van de natuur.

Toen de vader dat zag, stuurde hij zijn tweede zoon opdat hij zijn broer kon helpen. Zeven maal, door zijn ‘schreeuw’, tracht hij in zijn broer de herinnering aan zijn verloren koningschap wakker te maken en hem zo aan zijn taak te herinneren. Zeven maal daalt de kreet als een lichtkoord in de duisternis. En zeven maal zal het weer naar zijn bron moeten terugkeren, vergezeld door het antwoord van de oorspronkelijke mens, voordat deze als winnaar kan terugkeren naar zijn vaderland om zijn koninklijke waardigheid te herkrijgen, gesymboliseerd door de nieuwe lichtmantel. Dit motief van het gewaad is de derde betekenis van het woord of de naam Mani.
De oude gnostieke tradities vertellen ons dat de oorspronkelijke Adam bekleed was in een licht dat hij verloor toen hij uit het Oosten werd verjaagd. Dit Lichtkleed vond hij terug toen hij tot zijn oorspronkelijke staat terugkeerde.

In het Evangelie van de Pistis Sophia verscheen Jezus aan zijn discipelen op de berg in de vorm van een Lichtwezen, omgeven door een vurige wolk. In Openbaringen van Johannes wordt de openbaring voorgesteld als een ontmoeting van de kandidaat die is ingewijd in de mysteriën van het Licht, met ‘hem die de eerste en de laatste is, de waarachtige nieuwe mens.’ ‘Hij was’, zo zegt de tekst, ‘gekleed in een lang gewaad en droeg een ceintuur aan de borst.’ In Handelingen van Johannes bevindt Jezus zich in het midden van de grot op het moment van Golgotha. Hij is omgeven door een machtig licht en toont aan zijn meest naaste discipel het kruis van Licht en zijn mysterie. In de Kephalaia wordt Mani net als Jezus ‘lichtmens’ genoemd, en de hoofdstukken die volgen brengen zijn directe Leer.

In het Lied van de Parel, zoals hiervoor beschreven, laat de jonge Iranese prins zijn koninklijke mantel bij de grens tussen het Oosten en het Westen achter, zoals Jezus dit deed in het Evangelie van de Pistis Sophia, en gaat op zoek naar de Parel die in Egypte verborgen is. Nadat hij de verschrikkelijke en sissende slang (zo wordt in de leer van de Yoga de kundalini beschreven), de draak der mysteriën heeft overwonnen, keert hij terug naar zijn tehuis en ontvangt daar een nieuw ‘Lichtkleed’, waarmee hij zich bekleedt.

Zoals de auteur van de Ode van Salomo (12:3) zegt hij: ‘Ik heb mij bevrijd van de duisternis en mezelf bekleed met Licht.’

‘Laten we wat de duisternis toebehoort van ons werpen en ons omgorden met de wapenrusting van het Licht’ zegt evenzo Paulus. In dat gewaad ontmoet hij zijn werkelijke Ik en verenigt zich met hem.

De Keulse Mani-Codex verwoordt hetzelfde: ‘Vanaf het ogenblik dat mijn lichaam tot volmaaktheid kwam, verscheen het zeer sierlijke en grote spiegelbeeld van mijzelf (de tweelingbroeder van Mani) voor mij. Ik herkende hemý, zo vervolgt de tekst iets verderop, ‘en ik begreep dat ik hem was van wie ik was gescheiden.’ Men zou geen beter voorbeeld kunnen vinden van de symboliek van het gewaad in zijn gnostiek uitgewerkte formulering: het gewaad als symbool van het wezen zelf van de mens.

Tenslotte een voorbeeld om ons onderwerp te verduidelijken en het beeld ervan te versterken. Eerder zagen we dat de alchemie niet uitsluitend diende om psychische processen te beschrijven, zoals bijvoorbeeld Jung geloofde, maar dat ze betrekking heeft op de invloed en de reconstructie van het gehele zenuwstelsel en daardoor op de menselijke ziel. In iedere tijd en in alle religieuze tradities werd het tweevoudige zenuwstelsel van de mens voorgesteld als een boom. De Bijbel en boeddhistische teksten bijvoorbeeld verbeelden het als een vijgenboom; de Koran spreekt over de ‘groene boom’. Groen als de kleur van het zenuwstelsel.

Groen was, zo werd gezegd, de mantel waarin de gezant van God, Mohammed, zich wikkelde om de openbaring van de sura’s te ontvangen. Een aanwijzing die het mogelijk maakt een verband vast te stellen tussen het fenomeen van openbaring en de transformatie van het zenuwstelsel. Het is ook onder die mantel dat de directe afstammelingen van de profeet – Fatima, zijn dochter, Ali, zijn schoonzoon, en hun twee kinderen Hassan en Hoessein – moesten vluchten in het uur van gevaar, reden waarom men hen in het sjiietisme ‘de vier onder de mantel’ noemt, een formulering die doet denken aan de ‘vijf Zonen’ of de ‘vijf leden van de ziel’ van het manicheïsme.

De belangrijkste en meest mysterieuze figuur van de esoterische islam is wel Khidr, de groene mens; hij is de inwijder bij uitstek, de volmaakte kameraad, die de weg kent die voert naar de Bron des levens. In de traditie van de sjiieten wordt nog gezinspeeld op het mysterieuze ‘groene eiland in de witte zee’, met name geïdentificeerd als het brein door de Ismaëlieten in Centraal-Azië, waar de verborgen Imam en zijn kameraden zetelen.

Het symbool van de boom, dat wijst op het zenuwstelsel, is logisch; wanneer wij het slangenvuur zien dat van de plexus sacralis omhoog stijgt, dan is het hoofd de top, de kroon, en vormen de twaalf paar hersenzenuwen die vanuit dit heiligdom afdalen in het gehele lichaam de takken. Wanneer er sprake is van de Boom des levens in de manichese teksten, dan is dat een verwijzing naar de oorspronkelijke ideale en zuivere werkzaamheid van het tweevoudige zenuwstelsel. Wanneer men daarentegen spreekt van de boom van de kennis van goed en kwaad, dan gaat het om de verstoorde en gedesorganiseerde werkzaamheid van hetzelfde stelsel.

Door die enkele aanwijzingen over de symboliek van het menselijke lichaam begrijpen we dat voorstellingen en woorden die gebruikt worden in de leer van Mani, voor alles getuigen van het leven van de ziel en innerlijk moeten worden geïnterpreteerd. Zij beschrijven, naar ons idee, de realiteiten, fenomenen en processen, materieel én spiritueel, die binnen de microkosmos van de mens tot ontwikkeling komen. Hun werkelijke betekenis moet niet buiten ons maar in ons worden gezocht. Daarom geloven wij te kunnen bevestigen dat het manicheïsme esoterisch is en dat de klassieke, wetenschappelijke benadering, of die nu filologisch, historisch, filosofisch of psychologisch is, ontoereikend is om de essentie en de ware intentie ervan te kunnen grijpen. In het geval van het manicheïsme (maar dat geldt voor alle esoterie) moeten wetenschap en Gnosis elkaar completeren, niet ontkennen.

Een noordelijke wind die over ons waait, zo is Mani, zegt een psalm. Laten we het anker lichten met hem en laten we gezamenlijk de reis naar het land van het Licht ondernemen. Het is voor die reis naar het Oosten dat wij u uitnodigen, een reis door de ruimte en tijd die ons voert naar Centraal-Azië , dat uitverkoren land van de eeuwige sneeuw en het eeuwig bewegende zand, onderworpen aan een ruw klimaat dat tussen + 40 en – 40 graden schommelt en waar gedurende eeuwen het sublieme en schitterende zich dagelijks samenvoegen met verschrikking en wanhoop.

HET MANICHEÏSME IN CENTRAAL AZIË – FRANÇOIS FAVRE

‘Wijsheid en haar goede daden werden steeds in een volmaakte opvolging van de ene periode naar de andere gebracht, door de Boodschappers van het Licht. Zo kwamen zij eens door de Boeddha in de landen van India, en in een andere tijd via Zoroaster in de streken van Perzië, en in een weer andere tijd door Jezus in het Westen. Hierna kwam de Openbaring en deze Profetie heeft zich in deze laatste tijd geopenbaard door mij, Mani, Boodschapper van de God der Waarheid in de landen van Babylonië.’

Mani’s religie is een synthese van de bevrijdende godsdiensten die hem voorgingen. Tegelijk zag Mani zichzelf als het slotakkoord ervan. Hij was de ultieme, voltooide uitdrukking van een universele openbaring. Vandaar de titels ‘Zegel der profeten’ en ‘levende Parakleet’ die Mani zichzelf, vier eeuwen voor Mohammed, gaf; niet uit hoogmoed, maar om het belang te onderstrepen van de tijden van geestelijke bevrijding, die met hem opnieuw aanvingen.

Anders dan zijn voorgangers beschouwde Mani het niet als zijn taak een nieuwe wereldleer te brengen. Zijn doel was de innerlijke betekenis klaar en duidelijk te laten zien van de grote bevrijdende impulsen die vooraf gingen aan zijn religie van het licht. Hij zag het als zijn taak de ‘heilige leringen uit het verleden’ opnieuw in het licht te plaatsen, door ze in hun reinheid en hun oorspronkelijke integriteit te herstellen. Want in zijn ogen konden alle mensen in hun eigen godsdienst de mysteriën vinden en volbrengen, en hij wilde hen helpen en stimuleren de ‘heilige voorschriften’ ook echt in praktijk te brengen.

Mani’s ‘kerk van het Parakleet’ zou enkele honderden jaren lang in bijna alle geciviliseerde landen van die tijd een ongekende reikwijdte en invloed kennen. Tegelijkertijd is het een wetmatigheid, dat elke religie van het licht, van bevrijding – die toch principieel geweldloos is – felle tegenstand, ja, zelfs een haat zonder rede zal ontmoeten, van de kant van de gevestigde religies, daar waar deze ‘wereldgelijkvormig’ zijn geworden. Daarom kon Mani bij leven reeds de totale vernietiging van hemzelf, zijn beweging en haar leden voorspellen. Maar niet voordat er duizenden lichtzielen bevrijd zouden zijn!

Ver voor het fatale einde van de Kerk van de Parakleet hadden de verschillende vervolgingen van het manicheïsme juist een versnelling van de verspreiding ervan tot gevolg. De maatregelen die tegen hen werden genomen op Perzisch grondgebied dwongen de leerlingen van Mani weg te trekken. Zij gingen naar het Westen (naar Syrië Noord-Arabië, Palestina en Egypte), waar zijn lichtboodschap tot grote bloei komt, ook al zijn er soms heftige reacties of ontstaat er maatschappelijke verwarring. En zij zullen naar het Oosten gaan waar de religie van het Licht zich voor lange tijd vestigt in India, Tibet, Mongolië en in China.

Daar, in Centraal-Azië vierde het manicheïsme haar schoonste overwinning. Op 20 november 762, bij de inneming en de plundering van de stad Luoyang aan de grens van China en Mongolië, door de Oeigoeren, ontmoeten vier manichese electi Bügü Khan, heerser van deze machtige Turkse stam. De bekering van deze ongeletterde vorst tot het manicheïsme die dan volgt en die daarbij het sjamanisme achter zich laat, maakt dat het manicheïsme voor de eerste en enige keer in haar geschiedenis de officiële staatsgodsdienst wordt. In ongeveer een eeuw tijd zullen de Oeigoeren met de hulp van de manichese priesters en priesteressen een groot rijk stichten dat zich uitstrekt tot aan de Gele Rivier in China. De hoofdstad van dat rijk lag aan de oevers van de Orkhon, in Noord-Mongolië.

Een edict verkondigde het volgende: ‘Deze religie is scherpzinnig en bewonderenswaardig; het is moeilijk om haar te ontvangen en haar toe te passen. Twee, drie keer, in oprechtheid (heb ik haar bestudeerd). Vroeger, was ik, Bügü Khan, onwetend en ik noemde de afgoden Boeddha; nu heb ik het ware begrepen en ik kan hen niet meer dienen. Wie vastbesloten is en oprecht, kan onmiddellijk de lessen ontvangen en bewaren.’

Vanaf dat moment oefende de religie van het Licht een diepe invloed uit op de ontwikkeling en de cultuur der Oeigoeren. Dit nomadenvolk, dat voorheen leefde van diefstal en plundering, stichtte nederzettingen in de gebieden die zij zojuist veroverd hadden. De praktijk van de manichese leer bracht in het leven van alledag een nieuwe vorm van gemeenschapsleven. Het was gebaseerd op geestelijke waarden, zoals het respect voor het leven in al zijn aanzichten, het afstand doen van de wil tot macht, het zoeken naar consensus in het oplossen van conflicten, het zoeken naar wijsheid en zelfkennis als waarachtig levensdoel.

Zo, door de toepassing van de gnostieke leefregels werd ‘dit Mongoolse land van barbaarse zeden en gewoonten, waar bloeddampen omhoog stegen, een land waar men zich met groenten voedde; een land waar eerst gemoord werd, werd tot een land waar men leerde het goede te doen’. Er volgt een waarachtige culturele revolutie: vertellers, schrijvers, schilders en musici, allen manicheeërs, trekken in alle richtingen door het rijk om hun geloof en hun kennis te delen.

Het culturele niveau van de Oeigoeren verheft zich zó, dat de rest van Mongolië de vergelijking ermee niet meer kan doorstaan. De beeldende kunsten, met name de schilderkunst, kennen een bijzondere bloei. Een nationale literatuur, niet meer geschreven in runen maar met sogdische tekens, ontstaat. Dit nieuwe schrift, verticaal geschreven, was gebaseerd op het speciaal door Mani ontwikkelde alfabet voor de vertaling van zijn werk in het Iranees. Dit was zo praktisch en zo handig dat het later werd gebruikt door niet-manicheeërs om de Indiase en boeddhistische geschriften te vertalen. Dit maakte het systematisch aanpassen mogelijk van de manichese mythe in diverse talen en culturen.

Beschavingen zijn, zoals we weten, net als mensen sterfelijk. Na de fase van de natuur volgt die van cultuur en daarop volgt weer een terugval, in een cirkelgang zonder einde. Na de 10e eeuw zullen de Arabische en daarna de Mongoolse invallen onder leiding van de Djengis Khan (13e eeuw), opnieuw een fatale slag toedienen aan de beschaving en aan de Oeigoerse staten van Centraal-Azië. De Oeigoeren worden gedwongen te vluchten of zich tot de religie van de bezetters te bekeren. Zij die niet streden worden opgenomen en zullen de belangrijkste bestuurders van het toekomstige rijk van de Djengis Khan en zijn opvolgers worden! En wel om de eenvoudige reden dat de gevorderdheid van húún beschaving hen als enigen in staat stelde een koninkrijk te beheren van wereldomvattende afmetingen en omdat zij zich naar hun nieuwe meesters voegden zonder bloedvergieten, in overeenstemming met hun ethiek van strijdloosheid.

De verschillende religieuze gemeenschappen verborgen hun manuscripten in de omliggende grotten en metselden ze in om ze tegen plunderaars te beschermen. Het warme en droge klimaat zal ze conserveren tot hun herontdekking aan het einde van de 19e eeuw door verschillende westerse wetenschappelijke expedities. In Turfan werden de resten van een manichees klooster ontdekt door de Duitse onderzoeker A. von Le Coq. Het bevatte een grote bibliotheek, een drievoudige tempel, evenals een ‘zaal voor heilige boeken en afbeeldingen’, waar de magnifieke manichese schilderingen vandaan komen die nu te zien zijn in het museum voor Indische kunst in Berlijn.

Parallel aan deze culturele, artistieke, intellectuele en zelfs wetenschappelijke en medische invloeden die het manicheïïsme uitoefent op de elite, bevestigen de manicheeëërs hun aanwezigheid ook te midden van het volk door de schepping van een niet minder diepzinnige en duurzame mythe: de mythe van Bügü Khan, de legendarische stichter van de eerste Oeigoerse dynastie.

De legende van Bügü Khan drong in brede lagen in Centraal-Azië door en bleef vele eeuwen lang bekend. Ten tijde van de Mongoolse overheersing (XIIIe eeuw) wordt hij bekend bij de Chinezen en bij de moslims. Westerse reizigers die door deze rondom de Gobi-woestijn liggende landen trokken hoorden ervan. Marco Polo maakt er melding van in zijn aantekeningen: ‘De eerste koning (van de Oeigoeren) is uit een bijzondere zwam geboren, een zwam gevoed door het sap van bomen’. De oermythe, gepopulariseerd door manichese vertellers, verhaalt dat de eerste koning van de Oeigoeren, Bügü (wat ‘knoestboom’ betekent), een bovennatuurlijk wezen was dat een menselijke gestalte aannam, doordat het bevrucht werd door het licht. Zo werd hij geboren in de ‘holte van een boom’.

Een Chinese auteur vertelt over de gebeurtenis van deze wonderbaarlijke geboorte: ‘Daar bevindt zich een berg… waar twee rivieren vanaf stromen: Tola en Selenga. Op een avond verscheen een wonderschoon licht op een boom tussen de twee rivieren. De bewoners kwamen om het licht te zien. Op de boom verscheen een gezwel gelijk aan een zwangerschap. Dit licht verscheen vervolgens vaak. Na negen maanden en negen dagen sprong de verdikking van de boom open en er werden vijf kinderen geboren.’

Naar onze interpretatie duidt ‘de boom tussen de twee rivieren’ op het slangenvuurstelsel met zijn drie kanalen: de cerebrospinale kolom is de boom in het midden, de twee ‘nadi’, Pingala en Ida vormen rechts en links de twee rivieren (in het Sanskriet betekent nadi rivier). In het verhaal van Bügü Khan verzinnebeeldt de knoest of de knoop op een allegorische manier de basis, de wortel van het slangenvuur, de plexus sacralis. Een ander versie van dezelfde mythe spreekt over ‘twee bomen die zich hebben verenigd om een knoest te vormen’.

Het beeld van de ‘vijf kinderen’, geboren uit het barsten van de boom, kan men vergelijken met de geboorte van de ‘vijf zonen’ of ‘vijf leden van de ziel’ van de manichese mythe; met de ‘vijf bomen uit het Paradijs’ uit het Thomas evangelie, de ‘vijf Hulpen’ uit het evangelie van de Pistis Sophia.

Deze esoterische aanwijzingen doen ons begrijpen dat de mythe van Bügü Khan niet de vrucht van de verbeelding is van enkele handige dichters, maar een waarlijk inwijdingsverhaal, uitgewerkt door mensen die over kennis der mysteriën beschikten. Andere voorstellingen uit dezelfde tijd en streek bevestigen dit, zoals wij verder zullen zien.

De manicheeërs kunnen zeker ‘zonen van de slang’ worden genoemd, om hun gnostieke en ketterse interpretatie van de bijbel. Zij zouden zelfs deze benaming hebben opgeëist! In de door de kerk gepopulariseerde versie van het Genesis-verhaal verschijnt de slang in de boom en verleidt Eva, moeder der levenden. Dit heeft dan de verdrijving uit het paradijs tot gevolg. In de manichese scheppingsmythe heeft de slang, net als in de gnostieke geschriften, een totaal andere betekenis. Zij wordt daar als de boodschapper van de God van het Licht beschouwd, ja als God zélf! Hier is het Jehova, de Demiurg, de valse God, die Adam en Eva in de wereld van illusie heeft opgesloten. En het is juist Jezus, die hen komt bevrijden door hen de Kennis des Goeds en des Kwaads te brengen; de genezende, goddelijke en reddende Gnosis.

Uit het evangelie van Johannes blijkt dat Christus zichzelf identificeert met de koperen Slang die de slangenplaag bestreed in de woestijn, en het is als slang dat hij zal worden opgericht aan het kruis. ‘En zoals Mozes de slang oprichtte in de woestijn, zo moet ook de mensenzoon worden opgericht,’ zegt hij tegen Nicodemus (Johannes 3). Door aan Christus de figuur van de slang toe te kennen deden de manicheeërs feitelijk niets anders dan het letterlijk lezen en interpreteren van het Evangelie van Johannes!

Dat Christus, de nieuwe Adam, of Chrestos, de ‘Goede God’ soms gesymboliseerd wordt door de slang, kan gemakkelijk worden verklaard als men weet dat het cerebro-spinale systeem, van de voorhoofdsholte tot aan de plexus sacralis, de vorm heeft van een slang. In de hermetische traditie is de slangenstaf een staf waaromheen zich twee slangen kronkelen. Denken we ook aan de staf van Mozes, die verandert in een slang of aan de staf van Aäron die de slangen van de Egyptische magiërs verslond. Al deze beelden vestigen onze aandacht op de beslissende rol van het zenuwstelsel van de mens als bron van het bewustzijn of van het onderbewustzijn.

Ook de westerse alchemie kent een belangrijke plaats toe aan de symbolen van de slang, de boom, de zon en maan. Op een van de panelen in de hal ziet u daarvan een opmerkelijke gravure. De koning, symbool van de geest, en de koningin, de ziel, staan op de heilige berg. Rechts de boom van de zon, links die van de maan. Het opschrift betreffende de boom van de zon kan van boven naar beneden worden gelezen, en dat wat betrekking heeft op de boom van de maan, van beneden naar boven. Onder de berg rust de slang-draak, symbool van de godin Kundalini.

De twee bomen herinneren aan de twee ‘nadi’ uit de Indische traditie, die zich ineenstrengelen rondom het energiekanaal dat door de wervelkolom loopt van het heiligbeen-chakra naar het kruin-chakra. Op dezelfde manier als de twee slangen van de slangenstaf. Ze worden, zoals we eerder zagen, Ida en Pingala genoemd: de eerste zenuwstreng, rechts van de wervelkolom, is rood en schittert als de zon; de tweede, links, is geel en straalt een licht uit vergelijkbaar met het licht van de maan.

In het manicheïsme wordt de Pingala de ‘roepende’ genoemd – die roept wanneer men hem aanspreekt’ -, en Ida de ‘antwoordende’ – ‘die antwoordt wanneer men haar roept’. Op elke roep volgt een antwoord en vloeit een nieuwe lichtkracht in het systeem. De wervelkolom wordt door manichese schrijvers de ‘zuil der lofprijzingen’ genoemd, de zuil van Licht, van de dageraad, of ook de diamanten scepter. De witte kleur van ervan correspondeert anatomisch met het hersen-ruggenmergvocht dat circuleert in het ruggenmerg. Elke roep en elk antwoord in de ida en de pingala veroorzaken als het ware een schok, een beving in de wervelkolom. Daarom zegt Mani: Het is met geduld dat de wereld aan het wankelen wordt gebracht. Deze ‘schokken’, dit wankelen, veroorzaakt de ‘apocalyptische’ processen en bewustzijnsveranderingen die met een werkelijke reorganisatie van het zenuwstelsel verband houden.

Tot op deze dag weet men niet wat werkelijk met deze gemeenschappen is gebeurd. De meest waarschijnlijke hypothese is dat de manichese Oeigoeren, om aan de slachtingen en wreedheden van hun tegenstanders te ontkomen, overleefden in de marge van de religieuze meerderheidsreligies, zoals die van het taoïsme of het boeddhisme in China. Of ze verborgen zich in de schoot van de moslimse esoterische broederschappen in het Midden-Oosten of in die van de christelijke in het Westen.

Zelfs wanneer er niets meer van rest dan enkele verstrooide fragmenten, is de invloed van het manicheïsme er niet minder levend om. In bepaalde streken spreekt men nog van een ‘Mani’ wanneer men van iemand wil zeggen dat hij een ‘werkelijke schilder’ is. De vergulde miniaturen en de bloemmotieven die doen denken aan de ‘Tuinen van het Licht’ die de manichese manuscripten verluchtigen, zijn nog steeds aanwezig in de kleurige architectuur, typisch voor de huidige Oeigoeren.

De vrouwen bespelen nog altijd de ‘al ud’ (vanwaar het woord luit) de Iraanse luit, waarvan wordt gezegd dat ze werd uitgevonden door Mani zelf. Ook is het manicheïsme zichtbaar in het ‘onderricht’, gepopulariseerd door de soefi’s in Centraal-Azië en de katharen, en waarvan de ‘kleur’ onmiskenbaar manichees is. En nog steeds worden de vertellingen en inwijdingsverhalen overgeleverd. Illustratief hiervoor is de volgende aangrijpende vertelling, die perfect de toestand beschrijft waarin de huidige mens, die blikt in de hypnotiserende ogen van de slang, zich bevindt.

‘Er was een rijke magiër die vele schapen bezat. Deze magiër was buitengewoon gierig. Hij wilde geen herders in dienst nemen en ook geen omheining aanbrengen om het stuk grond waarop de schapen graasden. De schapen verdwaalden daarom vaak in het bos of vielen in de afgrond, maar bovenal vluchtten ze weg omdat ze wisten dat de magiër hun vlees en huid wilde hebben.

Tenslotte vond de magiër een oplossing. Hij hypnotiseerde de schapen en suggereerde ze ten eerste dat ze onsterfelijk waren en dat het hun helemaal geen kwaad deed wanneer ze werden gevild, maar dat die behandeling juist heel goed voor hen was. Vervolgens vertelde hij hen dat hij een goede meester was die zijn kudde liefhad en dat hij bereid was ieder offer voor hen te brengen. En tenslotte dat, áls hen iets zou overkomen, dat in geen geval juist nú zou gebeuren, en dat ze zich er daarom niet ongerust over hoefden te maken.

Voorts bracht hij ze aan het verstand dat ze helemaal geen schapen waren. Sommigen onder hen waren leeuwen, anderen adelaars, weer anderen mensen en nog anderen, zo suggereerde hij ze, waren magiërs. Hierna bezorgden de schapen hem niet langer problemen of zorgen. Zij liepen niet langer weg maar wachtten integendeel kalm het moment af waarop de magiër hen vilde of de keel doorsneed.’

Mani verbindt ons met de Gave van het Licht, die ons wakker schudt, en die het ons mogelijk maakt deze allesomvattende illusie te doorbreken. Want het is de Gnosis, die ons van onze blindheid voor de Lichtmens geneest.

Die sporen, die de tijd en het geheugen voor ons bewaart, zijn de getuigen, voor de manicheeërs van vandaag, dat de Gnosis niet sterft noch verdwijnt. Zij zal zich steeds in een nieuwe vorm openbaren, opdat ieder mens het eigenlijke doel van zijn bestaan zal realiseren: de reconstructie van de Lichtmens, de volmaakte mens.

LEES MEER OVER DE DRIE BOEKEN OVER MANI EN HET MANICHEÏSME

INHOUDSOPGAVE

Woord vooraf
Het Evangelie van Mani: oorsprong en betekenis, Hans van Oort
Voordracht bij de presentatie van de Keulse Mani-Codex, Gilles Quispel
Het manichese wonder, François Favre
‘Ik leef in de wereld, maar niet meer uit haar’, Rien Goud
De manichese mythe, Hans van Oort
Korte Bibliografie, Theodoor Harmsen
Teksten van Mani

BESTEL MANI, DE GAVE VAN HET LICHT (SOFTBACK)

BESTEL EBOOK

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *