Spirituele symboliek van de adelaar, twee hoofdstukken uit ‘De paradijsvogel en andere mythische dieren’

 

BESTEL DE PARADIJSVOGEL EN ANDERE MYTHISCHE DIEREN

De brief kwam aangevlogen als een adelaar,
de koning aller vogels.
Ik kuste hem, verbrak het zegel en las:
Herinner u toch de parel!
Zijn inhoud stemde overeen met dat
wat in mijn hart geschreven was!
Onmiddellijk herinnerde ik mij
dat ik een koningszoon was.

Het lied van de parel

ADELAAR I: INZICHT EN GROEPSEENHEID

Ogen die in de zon kunnen kijken, hebben nog nooit bestaan – alleen adelaarsogen als enige, kijken recht in de zon, nemen het licht op en bepalen zo de koers. De waarheid van leven is als het verblindende licht van de zon: mens zijn, tweevoudig, sterfelijk én onsterfelijk, van de aarde én van de hemel, welk deel in mij, ziet en verdraagt als een sterfelijke adelaar deze zon? Welk wonder is dit in mij? Het zijn de ogen van het gemoed.

Zij worden gevoed met helder inzicht uit de geestelijke zon. Zij openen zich waar hart en hoofd zich verenigen in de ziel, in de diepste bezieling, het hoogste verlangen, en zich verheffen in de geest van waarheid en eenheid, van liefde en vrijheid. Nooit is voor de doordringende blik van mensen de geestelijke wereld verborgen geweest: ‘Dit gemoed is niet te onderscheiden van het Wezen Gods; Het gaat van deze bron uit, zoals het licht uitgaat van de zon’ (Corpus Hermeticum 13:2).

Besprenkel dan dagelijks in gerichtheid de vleugels van de ziel met het water des levens, met de vier stromen uit de bron van het paradijs: rechtvaardigheid en zuiverheid, licht en vroomheid. Laat ze uitstromen in uw hart, volg ze in uw leven, houd de ziel, uw bezieling niet vast in uw sterfelijke deel.

Droom, verlang, doe, beveel haar te gaan naar uw hoogste streven. Laat haar vleugels groeien, en de ogen van het gemoed zullen het geestelijk zonlicht opnemen en schenken de waarheid van uw leven.

Zalig zijn de reinen van hart, zij zullen God zien. (Mattheüs 5:8)

ADELAAR II: INZICHT EN GROEPSEENHEID

De gemeenschap der adelaren.
zij zijn het,
die mijn hart naar de hemelen trekken.
Mani

Niet één adelaar wordt geboren om in zijn nest te blijven, maar om zich hemelwaarts op te richten om de grenzeloze ruimte te doorklieven en de aarde en het universum in zijn vleugelen te omvangen – zwevend, cirkelend op de wind, op grote hoogte. Deze godenvogel is verbonden met het element lucht.

Aarde, water, vuur en lucht komen overeen met ons stof-, ether-, astraal en mentale lichaam. Van deze vier is lucht het meest ijle element, vrije ruimte, ledigheid, lucht als gedachte in en boven ons hoofd, lucht als ademtocht, adem die ons denken beroert, zuivere adem van de grote hoogte waarop de adelaar zweeft.

‘Doordring u van de gedachte dat niets voor u onmogelijk is, wordt hoger dan alle hoogten en dieper dan alle diepten’ (Corpus Hermeticum 2: 81).

Niet één mensenziel is bestemd natuurziel te blijven, wél om de sprong te wagen uit het nest van de aarde, het nest is goed maar het heelal oneindig veel ruimer. In ’t heiligst verlangen bevrijdt de ziel zich van alle conventies en dogma’s, wiekt op tot het meest ijle van de lucht als lichtziel en ver boven menselijk denken opent zij zich voor het meest ijle van de ziel, de geest – zo kan het gemoed, de geestziel, mensenharten gaan leiden tot vernieuwde mentaliteit, tot bezinning en vereniging met het meest ijle van geest, met de ene bron, het licht van de universele zon. 

‘O, liefde, hoe blinkt gij in al die zielen ademend uw heilige gedachten’ (Dante Alighieri, De goddelijke komedie) opdat zij kunnen zweven op hoogte waar zij begrijpen: ‘Ik draag u op adelaarsvleugels en breng u tot mij’ (Exodus 19:4).

Ja in de geestziel zie ik, als in een visioen, het oerprincipe van leven, van vóór het begin-zonder-einde, het oorspronkelijke oertype ‘mensheid’, een golvende liefdeszee. Laten wij niet langer genoegen nemen met enkele losse veren, met wat gefladder, maar onze zielevleugels samen formeren tot één adelaarsmantel, als geest-zielemensen onze plaats in dit lichtende veld, deze lichtgemeenschap innemen om samen met die vleugelen als juwelen beschenen, te trekken de contouren van het enige nodige heilige werk, als rode robijnen de liefde te zenden en de gelukzaligheid van dit levende lichaam in eenheid, waarin allen zien wat deze ene adelaar ziet, waarin allen spreken als uit één gewijde snavel:

O, gij krachten, die in mij zijn: Zing de lof van de ene en het al; Gnosis, o heilige kennis Gods, door u verlicht is het mij gegeven het licht van het weten te bezingen en mij te verblijden in de vreugde van de geestziel, toe voedt mij met licht en levend water uit uw bron, opdat ik zien zal uw glorie, opdat ik doen zal uw werken. Ik kan uw voedsel niet ontberen, dat ik op aarde nergens vinden kon.

En ’t levend lichaam, de adelaar,
blinkt meer en meer in verhoogde luister,
steeds hoger en hoger met meerder ogen,
spreidt steeds feller stralend, lichtgeflonker,
lichtsprankels van het ene licht,
verbonden met de adelaar der adelaren,
het licht der wereld, Christus.

Bron: De Paradijsvogel en andere mythische dieren door Ankie Hettema-Pieterse

BESTEL DE PARADIJSVOGEL EN ANDERE MYTHISCHE DIEREN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *