Christus, de universele bron van licht en kracht – hoofdstuk 2 uit ‘De komende nieuwe mens’ van Jan van Rijckenborgh

 

LEES OF BELUISTER DE HOOFDSTUKKEN:

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS € 24,40 (HARDBACK)

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS € 15,00 (E-BOOK)

DOWNLOAD DE ENGELSE EDITIE ‘THE COMING NEW MAN’ (FREE PDF)

Hieronder volgt het tweede hoofdstuk uit De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens in kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

In deze wereld wordt een nieuw mensenras geboren! Een nieuw volk staat op, het beloofde volk, het volk van de Heer, het volk van God! Als u uw oor te luisteren legt bij de wereldliteratuur, dan verneemt u talloze stemmen die u vertellen van de komst van deze luisterrijke schare, een schare die niemand tellen kan. Doch door uw dialectische staat drinkt u, tegelijk met deze profetie, onontkoombaar met al uw zintuigen de begoocheling in dat deze komst van het volk Gods betrekking zou hebben op een wedersamenlezing van het oude Semitische ras aan de oevers van de oude wereldzee. Of men vestigt bijvoorbeeld uw aandacht op de Brits-Israëlbeweging, waarbij de schijn wordt gewekt, dat het Angelsaksische ras het volk des Heren zou zijn.

Wanneer de oude dichters zingen: ‘Hij zal zijn volk vergaderen uit alle landen der aarde’, geloof dan niet dat deze zangen op occulte of volkenkundige ontwikkelingen wijzen, doch versta ze in een volkomen nieuwe zin. Deze oude voorzeggingen gewagen van de uitzonderlijke en wonderlijke manifestatie van een geheel nieuw, niet-dialectisch mensentype in deze wel-dialectische wereld. Van een mensengroep, die niet slechts mystiek, doch ook structureel, biologisch, dus lichamelijk, wel ín, maar niet vàn deze wereld is.

De fase van profetie met betrekking tot dit gebeuren is nu afgesloten, want wij zijn het tijdperk van min of meer massale verwezenlijking binnengetreden. Daarom spreekt de Geestesschool van het Gouden Rozenkruis niet meer in aankondigende zin, doch zij moet u nu de gang van deze dingen verklaren, opdat u rekening zult kunnen houden met al de betrokken factoren en deze in uw leven zult inbouwen. Zó dient u ‘het optrekken naar het beloofde land’ te verstaan. Het ligt niet in de bedoeling dat u van woonplaats zou veranderen, doch wel dat u zich gereed zult maken om tot de nieuwe mensengroep te gaan behoren. U zult dus verstaan dat er heel wat valt te bespreken, te overwegen en nauwgezet te bestuderen.

Allereerst dienen wij dan een oud thema ter hand te nemen, namelijk dat Christus niet is een hiërofant van majesteitelijke aard, zich ergens ophoudend buiten de grofstoffelijke wereld, doch in de eerste plaats een onpersoonlijk, onbegrensd wezen, dat zich kenbaar maakt als licht, als kracht, als een machtig stralingsveld. Dit stralingsveld Christi, dat onder ons verschenen is en deze duistere wereldorde niet met rust laat, heeft, zoals duidelijk is, een grote invloed, ja, een gehele reeks invloeden.

Dat voor het oog onzichtbare stralen een grote invloed kunnen uitoefenen zal de moderne mens in het geheel niet vreemd vinden, want de mens van onze eeuw weet van velerlei toepassingen ervan op diverse gebieden. In de medische wereld, in de oorlogstechniek en in vele laboratoria wordt met onzichtbare stralen geëxperimenteerd.

Er zijn stralingen die verbrekend werken en er zijn stralingen die men zou kunnen aanduiden als aantrekkend. De ene groep noemt men ultraviolet, de andere infrarood. Zo zal men gemakkelijk verstaan dat, daar het stralingsveld Christi een volledigheid is, een volledig spectrum bevat, en daarom ook kan worden aangeduid als een Zon, als een onzichtbaar Zonnelichaam, de stralingen en invloeden van dit veld zowel aantrekkend als verbrekend moeten zijn. Van de werkzaamheid van deze twee verschillende invloeden en krachten van het stralingsveld Christi, die zeer harmonisch samenwerken, moge het volgende beeld u een indruk geven.

Het aantrekkende of infrarode licht van de goddelijke Zon zal u op een gegeven moment aanraken. Indien nu uw hartheiligdom van de bijzondere gesteldheid is welke wij in onze wijsbegeerte aanduiden als die van de geestvonkentiteit, dat wil zeggen dat er zich in uw rechterhartkamer een geestvonkatoom bevindt, dan zult u op dit aantrekkende licht reageren, ja, móeten reageren. Het gewone bewustzijn weet dat niet, het ‘ik’ zal zich zelfs spontaan verzetten en tot allerlei karikaturale uitingen aanleiding geven, doch het wordt, mét het gehele wezen, als het ware in een reactiegolf meegesleurd. Het ganse menselijke wezen wordt aldus opgenomen in een gehele reeks ervaringen, tengevolge van het feit dat het getroffen is door de infrarode lichtgolf van de goddelijke Zon. Miljoenen mensen in deze wereld kennen uit ondervinding de intense verontrusting en de niet te verklaren ervaringen die daarvan het gevolg zijn.

Het feit dat een mens door deze lichtgolf letterlijk aangetrokken wordt, maakt het heel begrijpelijk dat de mystieke taal van ‘roepen’ spreekt. De infrarode impuls, het aantrekkende licht, is inderdaad een roep. U moet echter goed onderscheiden dat er een zeer aards, natuurlijk infrarood is, èn een infrarood van de goddelijke Zon. Als God u roept, dan treft Hij u met dát licht. En daar u dit trekkende licht niet kunt scheiden van het verbrekende licht, het goddelijke ultraviolet, is het duidelijk dat er tegelijk met het roepen ook een verbreking ontstaat, nameljk de gehele reeks verontrustingen en ervaringen waarop wij zoëven doelden.

Als bij een roepen de verontrusting, de voortdurende innerlijke bewogenheid uitblijft, kunt u er zeker van zijn dat niet het goddelijke infrarood u getroffen heeft. Dan ging het om een roep van een zuiver dialectische invloed, die aanknoopt bij het gewone ik-wezen en die niet in het minst het geestvonkatoom beroeren kan.

Als de geestelijke Zon u roept, en u gáát, dan dient u tegelijkertijd iets achter te laten, daar het infrarood steeds vergezeld wordt van het ultraviolet. Dit is de zin van het woord: ‘Ga heen, verkoop alles wat u hebt en volg mij.’ Dit is de zin van de hoeksteen-vrijmetselarij. Wie bouwen wil op de hoeksteen, op het licht van de goddelijke Zon, dient met de beide werkingen van dat licht rekening te houden: afbreken en bouwen, verliezen en winnen.

Deze tweevoudige werking van het goddelijke licht is in uw leven van ontzaglijke betekenis. Van zulk een volstrekte betekenis, dat al uw levenservaringen daaruit te verklaren zijn. Iedere bladzijde in uw levensboek wordt door deze invloeden geschreven. Uw particuliere situatie als leerling, als werker, als man, als vrouw, uw verhouding tot anderen en tot de maatschappij, wordt hierdoor verklaard. 

Het is duidelijk dat u zich als leerling van de Geestesschool openstelt voor een zeer krachtige werking van het tweevoudige Godslicht. Zoals u met een holle spiegel het gewone zonlicht weerkaatst en de spiegel een brandpunt vormt, zo is deze School eveneens een brandpunt voor het Godslicht.

Naarmate deze spiegel fijner wordt geslepen, naarmate er een steeds scherper brandpunt wordt gevormd en het gehele weerkaatsingsstelsel steeds meer wordt verbeterd, wordt het geestvonkatoom in u steeds machtiger en krachtiger aangegrepen, aangetrokken en geroepen. Tegelijkertijd, en dat is de tweede genadegave der Geestesschool, wordt dit aangrijpen en roepen u verklaard, wordt u de aard en de bedoeling ervan als het ware voorgespeld. De leerling weet aldus wat het infrarode Godslicht van hem wil, waartoe het hem roept en waartoe het hem in staat stelt.

In staat stelt? Zeker; op directe wijze! Want het infrarode Godslicht wordt vergezeld van het ultraviolette stralingspotentieel. Het wil zeggen dat de leerling, die Gods wegen wil gaan, tot de ontdekking komt dat door de ultraviolette straling alle moeilijkheden en barrières op de juiste momenten voor hem worden weggeruimd. Er wordt door dit Christusvermogen ruim baan voor hem gemaakt. Zo zelfs, dat hij zijn voet aan geen enkele steen behoeft te stoten.

‘Hij die u roept is getrouw’, zegt de Bijbel, ‘hij zal het ook volenden.’ De roep tot het pad betekent dus tegelijkertijd de mogelijkheid tot het pad. Daarom kan de proloog van het Evangelie van Johannes met grote zekerheid zeggen: ‘Allen die Hem aannemen, stelt Hij in staat wederom kinderen Gods te worden.’ U zult nu ook begrijpen, waarom hij, die van deze dingen weet, dit zo met stelligheid kan zeggen: de kracht van de roep is tegelijkertijd de kracht die ruim baan maakt.

Gesteld echter dat een leerling krachtens zijn leerlingschap, krachtens zijn aanwezigheid in het krachtveld van de School, met grote intensiteit getrokken, geroepen wordt, maar niet bereid is te breken. Niet bereid is te breken wat noodzakelijk afgebroken móet worden, geen afscheid wil nemen van hetgeen móet worden losgelaten. Deze leerling klemt zich, ondanks alle vertogen, met beide handen vast aan heel veel waan, die in de loop van tal van incarnaties door gedachten en gevoelens voor hem een schijn van werkelijkheid verkregen heeft.

Wat zal er nu geschieden? Als een leerling harmonisch reageert op het roepende aanzicht, zal hij ook harmonisch reageren op het verbrekende aanzicht van het Christusbemoeien. Het pad effent zich dan voor hem. Doch als een leerling wel harmonisch zou willen reageren op het roepende aspect, maar niet op het verbrekende, dan zullen beide invloeden disharmonisch in zijn leven uitwerken. Dan ontwikkelen zich de aaneenschakeling van moeilijkheden, de vruchteloze moeiten, de eindeloze tobberijen, het uit elkaar gescheurd worden, de eenzaamheid en droefheid, de gehele slangenkuil waarin de mens dan gesmeten wordt. Dit zijn dan geen teisteringen die de Gnosis hem aandoet, doch hij is het zelf die zich geselt met de tuchtroede van de dialectische drijver. En er is niemand die hem in die staat helpen kan. Hij dient dan zelf ‘de tuchtroede des drijvers’ te verbreken.

Er ligt een onmetelijk geluk op u te wachten. Geroepen zijnde tot het volk Gods, houdt u zichzelf hier vast in wee en ellende. Kunt u zich een onintelligenter levenshouding indenken? U moet al deze opmerkingen niet beschouwen als een preek, of als een roep. Want u wordt al sedert heel, heel lang geroepen, en hoe! Onze roep is slechts een zeer zwakke echo van de eeuwige werkelijkheid. Wij spreken slechts met u over deze dingen omdat de tijd daar is. 

De fase van profetie is voorbij. De fase van voorbereiding is voorbij. Wij zijn het tijdperk van verwerkelijking binnengetreden. Uit alle landen en volkeren wordt de schare van de reagerenden verzameld voor een nieuwe activiteit en een nieuwe ontwikkeling. En zij die mee willen doen – en dit woord wordt overgedragen tot hen die mee kúnnen doen – dienen zich te haasten, en wel om zeer dringende, natuurwetenschappelijke redenen.

Met een enkel woord hebben wij u al gezegd dat er, behalve de tweevoudige straling van het zonneveld Christi, ook sprake is van een tweevoudige stralingsmacht van deze natuur. Het infrarode licht der natuur knoopt aan bij het ik – en het ultraviolette licht der natuur verbreekt en gaat te lijf al wat het ik wederstaat. Aldus ontwikkelt zich de dialectiek, het opgaan, blinken en verzinken, het eten om gegeten te worden. 

Het stralingsveld van de natuur heeft dus een degeneratieve ontwikkeling, terwijl het stralingsveld Christi een zich uitbreidende, regeneratieve ontwikkeling stelt. Beide velden zijn onderhevig aan een vibratieverandering die onderling tegengesteld is: de beide velden groeien steeds meer uit elkaar.

Het ligt dus voor de hand dat er een moment komt waarop een entiteit die in het ene veld existeert niet meer tot het andere kan gaan behoren. Het verschil tussen beide velden, dat eerst vooral principieel en kwalitatief was, wordt tenslotte structureel dermate groot, en de entiteiten die zich in beide velden uitdrukken biologisch zo verschillend, dat een mens die tot het dialectische veld behoort zich op een gegeven moment niet meer met het Christusveld kán verzoenen, kan verbinden. 

Steeds weer ontwikkelt zich aan het einde van een mensheidsperiode zulk een tragische situatie. Zo moge het duidelijk zijn dat een mens die door het Christusveld geroepen is doch zich aan het dialectische vastklampt, geen twee heren kán dienen: hij wordt uit het Christusveld verbroken; hij doet dat zichzelf aan.

De tijd is daar dat deze verbrekingsprocedure in de wereld gestaltenis aanneemt: er ontwikkelt zich een grote scheiding. Het woord ‘Christus’ zal verstommen in de mond van hen die niet tot het Christusveld zullen behoren. Zij zullen ontmaskerd worden en door allen gekend worden.

En de overigen, de ernstige zoekers, hebben nog de keuze in eigen hand, mits zij intijds afscheid nemen van hun gespletenheid en zich ten volle willen toevertrouwen aan het stralingsveld Christi. Dan zullen de zangen van de ouden ook met betrekking tot hen worden gezongen:

‘Al zou u tussen twee rijen stenen liggen, zo zult u toch worden als duivenvleugelen, overdekt met zilver en vederen van uitgegraven gelouterd goud.’

‘De lichtende krachten van God zullen u bewaren op al uw wegen. Zij zullen u op de handen dragen, opdat u uw voet aan geen steen stoot.’

Vrije metselaars van het Rozenkruis, wees intelligent: bouw op de eeuwige hoeksteen, die door de metselaars van deze wereld verworpen wordt, en beleef aldus met ons de komende dag van de Heer.

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

GA NAAR HOOFDSTUK 3

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS € 24,40 (HARDBACK)

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS € 15,00 (E-BOOK)

DOWNLOAD DE ENGELSE EDITIE ‘THE COMING NEW MAN’ (FREE PDF)