Hij moet wassen, ik moet minder worden – hoofdstuk 18 uit ‘De komende nieuwe mens’ van Jan van Rijckenborgh

 

BELUISTER OF LEES DE HOOFDSTUKKEN:

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt het achttiende hoofdstuk uit De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

Zo hebben wij dan gezien dat er twee existenties in de microkosmos zijn: een lagere zelf in het sterfelijke deel van de microkosmos, het gewone aardse bewustzijn, en een onsterfelijk deel, het hogere zelf, het bewustzijn van het aurische wezen. Beide aanzichten hebben een persoonlijkheidsgestalte, doch zij zijn van elkaar afhankelijk en onafscheidelijk met elkaar verbonden.

Het hogere zelf, de aurische persoonlijkheid, draagt het karma, het resultaat van alle openbaringen van het lagere zelf, en een ieder zal begrijpen dat het hierdoor op den duur dermate bepalend en leidinggevend voor het gehele stelsel wordt, dat men terecht van overheersing kan spreken. Het bevat vrijwel alle toegangswegen tot de microkosmos, het kan dus het lagere zelf volkomen controleren en zal alle krachten en stralingen die binnenkomen volgens de eigen staat transmuteren. Het hogere zelf is dus naar zijn wezen uw natuurgod, in de volle zin van het woord. Het oefent een allesoverheersende macht over u uit.

Om u iets van die macht te doen beseffen, wijzen wij onze astrologische vrienden op hun horoscoop. Het beeld van het geboortemoment dat u berekent en tekent, wordt geheel gedirigeerd door het hogere zelf. Het beeld van het geboortemoment is feitelijk een directe projectie van het hogere zelf, in een diagram voorgesteld. En begrijp tevens goed dat, zoals uw lichaam, met zijn etherisch dubbel, geworden is in het lichaam van uw moeder, de rest van uw persoonlijkheid – namelijk het drievoudige ego, het denkvermogen en het begeertelichaam – geworden is uit het lichaam van uw hogere zelf.

Als een aanstaande moeder voor het eerst leven bemerkt in het wordende kind dat zij draagt, heeft een ontledigd aurisch wezen – dus een aurisch wezen welks sterfelijke persoonlijkheid door de dood is weggevallen – zich, tot aanvulling van zijn tekort, met haar in verbinding gesteld en straalt in het slangenvuurkanaal, dat vrijwel het eerste is dat zich in het embryo vertoont, een waterstofkracht in. Deze bewustzijnsstraal verbindt zich met het embryo en van dat moment worden, precies zoals het kind stoffelijk in de moederschoot tot zijn geboortevolwassenheid groeit, de bewustzijnsformule en de hoedanigheid en vibratie van de etherverbrandingsprocessen nauwkeurig afgestemd op het aurische wezen dat het kind heeft geadopteerd. 

Na de geboorte treedt het stoffelijke kind langzaam en procesmatig uit het aurische wezen van de moeder en wordt het opgenomen in het aurische stelsel van het andere aurische wezen, dat de nieuwe stoffelijke mensvorm heeft geadopteerd.

Het zal u duidelijk zijn dat het adopterende aurische wezen verwantschap moet bezitten met dat van de moeder. Is dit niet het geval, dan treedt de beruchte tijdelijke abnormaliteit van de aanstaande moeder op.

Soms is het wordende kind voor een vreemd aurisch wezen in het geheel niet acceptabel. De organische structuur kan bijvoorbeeld dermate zwak en slecht zijn, dat geen aurisch wezen een dergelijk product voor de eigen doeleinden kan gebruiken. In dergelijke gevallen wordt het kind dood geboren, of het is in een of ander opzicht onvolkomen, of het hecht zich vast aan het aurische wezen van de moeder. 

In het laatste geval is de jonggeborene dus niet slechts het kind van zijn moeder, doch tegelijkertijd in zekere zin haar broer of zuster. Ook komt het voor dat zulk een kind, dat door geen vreemd aurisch wezen wordt aanvaard, door het aurische wezen van de vader wordt opgenomen.

Bij deze verhoudingen treedt er dan een sterke moeder- of vaderbinding op. Moeder en kind, vader en kind, gaan sterk in levenskracht achteruit, daar het aurische wezen dan voor twee moet werken. In biologisch opzicht zal dat soms nog gaan, doch als het aurische wezen veel cultuur heeft en dus veel waterstof en zuurstof – weerspiegelende ether en lichtether – verbruikt, zijn er natuurlijk, in overeenstemming daarmee, ook voor het lagere zelf cultuurbehoeften, en zijn de benodigde etherkrachten dikwijls moeilijk bijeen te brengen. Het magnetische veld wordt dan overbelast. 

In gevallen waarin het ouderschap heel sterk wordt begeerd, vindt zulk een dubbeling, zulk een samenvoeging van twee planeten in één microkosmos dikwijls plaats. Indien een van beide partijen dan later het pad van bevrijding zou willen gaan, moet dikwijls gewacht worden op de dood van vader of moeder, op het heengaan van een der beide ‘planeten’, alvorens er vrijheid van handeling kan worden verkregen. Zodra het heengaan van een der beide partijen een feit is, verkrijgt de andere partij al heel spoedig een geheel ander type. Het gelaat verandert, de gewoonten wijzigen zich en diverse abnormale gedragingen verdwijnen.

Deze inlichtingen worden u gegeven, opdat u klaar zult inzien dat er, in uw onheilige verbondenheid met het lipikawezen, geen sprake is van werkelijk leven, in de oorspronkelijke, goddelijke zin van het woord. Alles wat zich in u, om u en aan u voltrekt, is slechts een biologisch proces. U ondergaat en bent de doem van een natuurproces!

Bezie in dit licht nu ook eens de verschijnselen die ‘voortbestaan’ en reïncarnatie worden genoemd. Kunt u zeggen dat u een vorig bestaan hebt gekend? U kunt het niet! Als u straks naar uw natuurwezen sterft, vervluchtigt na verloop van tijd uw gehele persoonlijkheidswezen en slechts het waterstofbeginsel, dat u leven gaf, keert tot het hogere zelf terug. Zoals het wezen van een hond binnen enkele dagen na de dood vervluchtigt, zo gaat het, indien u bij deze natuur blijft staan, ook met u, zij het in een wat langer tijdsbestek.

Kan men zeggen dat het hogere zelf een vorig bestaan heeft gekend? Nee! Het heeft maar één bestaan! Dit bestaan ving aan bij de dageraad der onheiligheid en zet zich, zij het met talloze wijzigingen en gedaanteveranderingen, tot op dit moment voort. Het hogere zelf is een blinde, voortjagende kracht, de verpersoonlijking van een aan leiding ontsnapte krachtenstructuur, die zoekt en streeft naar de vervulling van zijn grondformule, maar waarvan het resultaat, de planeet binnen de microkosmos, de mensopenbaring, steeds vernietigd wordt.

Als dan ook de Bijbel zegt: ‘Stof zijt ge en tot stof zult ge wederkeren’, dan is dit juist. En als bijvoorbeeld de Hegeliaanse filosofie de waan van het metafysische geleuter doorbreekt, heeft zij gelijk en vindt zij de wijsbegeerte van het transfigurisme hierin aan haar zijde. Daarom breken ook wij al uw waan aan stukken, want eerst na het verscheuren van de sluiers der begoocheling, eerst na daarin grote opruiming gehouden te hebben, kunt u beginnen de zin van het ware leven op te sporen. Wilt u tot het ras van de komende nieuwe mensheid behoren, dan dient u al uw speculaties, op alle terrein van leven, prijs te geven.

Wij nemen aan dat u de goddelijkheid van de dialectische stofsfeer ontkent. Nu moet u voortgaan met uw ontkenning en deze ook betrekken op de stofsfeer in uw eigen microkosmos, met haar aardse zelf, en op de spiegelsfeer in uw microkosmos, met haar hogere zelf. Eerst dan bent u consequent, eerst dan wordt uw inzicht, uw wetenschap, redelijk-zedelijk verantwoord. 

Wijst u deze macrokosmos af, omdat zij het heelal des doods is, dan moet u ook deze kosmos afwijzen. Immers, zij is het levensveld dat uit de macrokosmos des doods geworden is. En wijst u deze kosmos af, dan dient u in uw bezinning voort te gaan en moet u ook uw huidige microkosmische staat afzweren. Eerst dan bent u consequent in uw wijsgerigheid.

Het hogere zelf, de aurische persoonlijkheid, is in uw systeem de vertegenwoordiger van de gehele natuur des doods. Hij is ‘de satan’ van den beginne, een woord dat ’tegenstander’, ‘vijand’ betekent.

Krachtens uw gewone, aardse natuur is het hogere zelf echter geen tegenstander! Zoals wij zagen is het als zodanig uw vader-moeder, uw onderhouder. U bent, naar de natuur, met het hogere zelf van gelijken bloede en leeft eruit. En soms wilt u er ook nog uit leven als leerling van de Geestesschool. U maakt dan een progressieve horoscoop en zoekt de aspecten op. U tracht u dus te oriënteren op de suggesties van het hogere zelf. Als u, uit gebrek aan sensitiviteit, de innerlijke stem van het hogere zelf niet meer kunt verstaan, komt de astrologische wetenschap u met haar methodiek te hulp. Een prachtige wetenschap voor het hogere zelf, wanneer zij aan het lagere zelf wordt onderwezen! 

En wanneer u wat sensitief bent, kan de stem van het hogere zelf in u klinken, en mogelijk kunt u wat van hem zien. Dan meent u Jezus gezien te hebben, of de heilige maagd, of een meester. Dan meent u, denkend in de taal van de Geestesschool, dat er iets van het nieuwe wezen in u is. Zijn er niet vele religieuze en occulte stelsels om eenheid met het hogere zelf te bereiken?

Ach nee, het hogere zelf is dan uw tegenstander nog niet. Want u vindt het zo heerlijk nog één partikeltje waan vast te houden. U durft niet naakt te worden bevonden. Is uw verbeelding niet uw houvast? Wie waagt het deze zelfverblinding van zich af te slingeren? Voor wie dat doet, wordt het hogere zelf een satan, een tegenstander. En eerst als het hogere zelf tot tegenstander wordt, kan men spreken: ‘Ga achter mij, Satan.’

Veelal is waan een gevolg van onwetendheid. Velen gaan van de veronderstelling uit dat er in de microkosmos een andere persoonlijkheid moet groeien, dat er binnen de microkosmos-hemel een andere microkosmos-aarde moet worden. Deze veronderstelling is echter absoluut onjuist.

De ziener op Patmos zag een nieuwe hemel èn een nieuwe aarde, en de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. Verstaat u dit woord? Wil er sprake zijn van een nieuwe aarde, dan moet er eerst een nieuwe hemel zijn. Dit betekent de liquidatie van de totale microkosmos, in de volste, diepste zin – en de komst van een geheel andere. Het betekent de beëindiging van uw totale systeem. 

U wilt transfigureren, u wilt een nieuwe staat-van-zijn binnengaan. Uitgesloten! U dient voorbij te gaan, geheel te worden opgeheven. Niets dient er meer van u te worden gevonden, noch van uw hogere zelf: het graf moet ledig worden. Alles van de oude hemel en van de oude aarde moet voorbijgaan, moet weggenomen worden.

Voor het eerst wordt in de moderne tijd dit woord van beëindiging weer gesproken. Voor het eerst mag in en vanuit de moderne Geestesschool weer het woord van de oude broeders en zusters worden verklaard, het manicheïsche woord van de van de totale beëindiging. Het woord van de waarheid is gelegen in de liquidatie van uw totale natuurstaat, in de oplossing tot niets.

Een groot dienaar van Christus heeft in de vorige eeuw eens gezegd dat hij niet geloofde in een voortbestaan. Men was verwonderd dat hij zo iets kon zeggen. Doch u zult het nu begrijpen: hij geloofde in de beëindiging van de oude hemel en de oude aarde. Dit geloofde en beleed hij, hierin openbaarde hij zich, en zo nam hij afscheid. Dit was eerst met recht het endura. Niets slechts de liquidatie van het ik, in de zin van het lagere zelf, doch ook de opheffing van het hogere zelf. Deze dingen zijn moeilijk te verstaan. De omvang van deze weg is verbijsterend. Laten wij u eens in volkomen nuchterheid voor het volgende mogen plaatsen:

Wellicht zult u wel eens in u zelf gezegd hebben: ‘Satan, ga achter mij.’ Wie zegt dat? Dat zegt in de gewone natuur Satan tegen zichzelf, in zijn strijd tegen het kwaad en de uitkomsten daarvan. In deze strijd vindt de tegenstander, het hogere zelf, als gevolg van de verbondenheid van goed en kwaad, weerstand in zichzelf, en zijn uitroep bewijst dat hij nog volop bezig is zichzelf te handhaven.

Nu zult u mogelijk, met een ondergrond van wanhoop in u, opmerken: ‘Is alles wat er met betrekking tot transfigurisme wordt geleerd dan niet de grootste nonsens, daar er in mij en rondom mij toch niets te transfigureren valt en er, naar uw woord, slechts sprake kan zijn van de volstrekte liquidatie van mijn totale bestaanswerkelijkheid? Is dan het leerstuk van het geestvonkatoom geen droom en dienen wij de bewering dat er in het aurische wezen een latente zon zou zijn, niet naar het rijk der fabelen te verwijzen?’

Wanneer u deze vragen zou stellen vanuit de brand van uw wanhoop, zou dat prachtig zijn. Wij beantwoorden uw vragen met enkele wedervragen: ‘Wie is Jezus, die in u geboren moet worden? En wie is Christus, die moet wederkomen, namelijk in de wolken van uw microkosmos? Is Jezus een verandering van uw ik-wezen en Christus een wijziging van het hogere zelf?’

Nee, duizendmaal nee! Jezus Christus is de gans andere, de nieuwe microkosmos, de nieuwe hemel-aarde. ‘Wat heb ik daar dan mee uit te staan?’ zo brandt wellicht opnieuw uw vragenvuur over ons los. Ons antwoord luidt: ‘Hebt u gehoord van de heilige wet, de wet die op alle gebieden functioneert: Waar het licht eenmaal verschenen is, daar komt het terug?’

Er was eertijds een goddelijke microkosmos, doch een grote onheiligheid is in zijn plaats getreden, een onheiligheid, door eonen heen georganiseerd tot wat de mens en zijn hogere zelf nu is. Dit stelsel van de onheiligheid heeft zich evenwel nimmer kunnen onttrekken aan enkele merktekenen van het verleden. In het aurische wezen is een latente goddelijke zon, en in het aardse wezen is een atomisch goddelijk beginsel, gelegen in het hart, als een latente verborgenheid van het pre-verleden.

Als nu het ganse stelsel zich wil verootmoedigen, zich in zijn totaliteit wil liquideren, door alle waan te doorbreken, te verscheuren en weg te rukken, zal het licht, het oorspronkelijke licht, weer op de oude plaats verschijnen. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal worden geschapen. De latente zon in het aurische wezen zal worden ontstoken en haar spiegel, haar maan, het geestvonkatoom, neemt zijn baan. Op deze basis zal de nieuwe mens verrijzen. 

Indien u dan, staande in de nieuwe wording, vanbinnenuit kunt zeggen en met uw levensdaad bevestigen: ‘Hij, de andere zal wassen, en ik moet ondergaan’, kunt u dát zeggen met een blijdschap, met een vreugde, die alle verstand te boven gaat, dan gaat het heil van de mysteriën over u op, dan zal het licht van over de Jordaan tot u komen.

Dan gaat het grote teken, waarvan Openbaring 12 spreekt, over u op: ‘Er werd een groot teken aan de hemel gezien: een vrouw met de zon bekleed, onder haar voeten was de maan, en op haar hoofd een krans van twaalf sterren.’

En dan gaat het proces voort, twaalfhonderdzestig dagen lang, het beeld van de proces-volvoering, en tenslotte kan worden gesproken: ‘Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee [van de oude etherkrachten] was niet meer.’

Kunt u op dit pad met ons meetrekken? Dan zult u wellicht niet meer zo goed weten hoe een mens transfigureert, want geen aardse sterveling transfigureert, doch dan zult u des te beter verstaan dát en waaróm de onheilige microkosmos moet worden geliquideerd. En u zult dat met de daad bewijzen. Van stonde aan zal er een grote rust in u komen, de rust van het einde. Alle jagen en zoeken zal tot het verleden behoren en met iedere ademtocht zult u belijden: ‘Hij moet wassen, ik moet minder worden.’ Hij die de minste is, zal de meeste zijn, want waar het licht eenmaal verschenen is, daar zal het terugkomen zodra de onheiligheid zich opheft.

Wij zijn thans aan het einde gekomen van onze inleidende beschouwingen over de komende nieuwe mens. Wij hebben het ‘nieuwe ras’, waarvan de heilige taal gewaagt, van alle kanten filosofisch verkend en dienen nu over te gaan tot een bezinning op de wordingsprocessen zelf en op de mogelijkheden en eigenschappen van dit exclusieve mensentype, dat zich hier en daar reeds doet gelden en dat straks in overstelpende mate zal verschijnen.

Zij die deel krijgen aan deze nieuwe wordingsprocessen en hun eerste schreden hebben gezet op dit pad naar het Vaderhuis, duiden wij in groepsverband aan als ‘Apostolische Kring’ en als ‘Apostolische Broederschap.’ Onder ‘Apostolische Broederschap’ verstaan wij alle vernieuwden te zamen, die zich in het wijde wereldrond vrij maken, en onder ‘Apostolische Kring’ diegenen onder hen, die ontwaakt zijn in het krachtveld van de Geestesschool van het Rozenkruis.

Op vrijdag 15 juni 1951 kwam de Apostolische Kring tot stand en zij opende daarbij de Derde Tempel, waarmee het grote werkveld van de Geestesschool na zesendertig jaren arbeid tot haar eenmaal gestelde doel was doorgebroken. Begonnen op 17 december 1915, werd op vrijdag 15 juni 1951 bereikt hetgeen was opgedragen.

Met de Eerste Tempel bedoelen wij de School van het Rozenkruis, die u moet zien als de grote voorhof, waarin alle zoekers worden ontvangen en waarin zij de gelegenheid krijgen het doel en werken van de School te onderzoeken en haar werkingskracht te ervaren.

Met de Tweede Tempel duiden wij de Hogere Bewustzijnsschool aan, waarin leerlingen worden opgenomen die gereed worden gemaakt voor de komende nieuwe levensstaat.

De Derde Tempel is de werkplaats van de Apostolische Kring, waarin zij binnengaan die aan deze nieuwe levensstaat deel hebben gekregen.

Aldus verkrijgen onze bezinningen op de komende nieuwe mens een hoogst actuele betekenis, omdat de resultaten van de werkzaamheid van de drie tempels, de verwerkelijking van de Nieuwe Mens, zich hier zullen bewijzen. Het moge de lezer duidelijk zijn dat de weg is vrijgemaakt voor een arbeid die in de naaste toekomst met onvergankelijke karakters in de historie van de mensheid zal worden geboekstaafd.

Eenmaal zal de Broederschap van de Drie tempels in de dialectische dreven niet meer worden gevonden. Zij zal opgenomen zijn in de wolken des hemels, reizende de Heer tegemoet.

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

1 thought on “Hij moet wassen, ik moet minder worden – hoofdstuk 18 uit ‘De komende nieuwe mens’ van Jan van Rijckenborgh

  1. monique

    Goededag.
    `niets dient er meer te worden gevonden . noch van uw hogere zelf het graf moet ledig worden”
    “het woord van waarheid is gelegen in de liquidatie van uw totale natuur staat”

    Mijn vraag : ik hoor vaak ” ik ben een rozenkruiser”
    hoe kan ik dit zien met betrekken met de tekst hier boven?

    vriendelijke groet

    Monique

    Reageren

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.