De dwaasheid van het kruis – hoofdstuk 7 uit ‘De komende nieuwe mens’

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt het zevende hoofdstuk uit De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

Wij hebben u uiteengezet hoezeer de gehele, eindeloos gevarieerde reeks menselijke verlangens en activiteiten ten nauwste verbonden is met elektromagnetische processen in en van de microkosmos. Het particuliere elektromagnetische veld van de mens is één met dat van de aarde, zodat hij in meer dan een zin zijn zwaartepunt in deze wereld vindt. Hij wordt door het aardmagnetisme beheerst; zijn gehele leven en streven, werken en begeren zijn door deze afhankelijkheid getekend: hij is uit de aarde, aards.

Alle gewone, religieuze, occulte en humanitaire bewogenheid vindt in deze natuurwetmatige werkingen haar grond en haar doel. Zij gaat van de natuur uit, ontwikkelt zich in en door haar en keert tot haar weer.

Als u deze wereld, met haar bonte veelvuldigheid van activiteiten aanschouwt, zult u bij onderzoek tot de conclusie moeten komen dat geen van deze activiteiten, die dikwijls toch zo volkomen tegengesteld zijn aan elkaar, tenslotte natuur-vijandig is en zich verzet tegen het fundamentele elektromagnetische dwangbuis. 

Voor de transfigurist (de mens die streeft naar transfiguratie) is het daarom niet van belang welk economisch systeem nu of straks het levenssysteem van de mensheid zal zijn, welk standpunt de mens op enig terrein van leven in deze natuur zal innemen, of op welke wijze hij zijn levenshouding religieus, occult of humaan zal kleuren, want de transfigurist is geheel gericht op een volkomen verlossing uit dit natuurveld. Een radicaler mens dan de transfigurist kan men zich dan ook niet indenken. 

Het radicale natuurtype streeft naar de een of andere geforceerde verandering op economisch, sociaal of politiek terrein, dus op het horizontale vlak, doch de transfigurist wenst zich door een krachtig zelf-revolutionair ingrijpen in het eigen wezen geheel van dit horizontale vlak te distantiëren. Transfiguristen zijn in deze wereld zeer dun gezaaid. Mogelijk zult u, als wij dit zo zeggen, verbaasd wijzen op de grote ontwikkeling van onze School met haar vele leerlingen. Doch dan dienen wij op te merken dat wij verreweg de meesten van hen nog niet als transfiguristen mogen aanduiden. 

Belangstelling hebben voor het ontwikkelingsplan van de School van het Rozenkruis, zich oriënteren met betrekking tot hetgeen door de School wordt voorgesteld, wil nog niet zeggen haar werkplan daadwerkelijk in het leven te tillen. U voelt dat dit een groot verschil maakt. En dit verschil zal nog lange tijd geconstateerd kunnen worden, vanwege het feit dat men straks met alle kracht en niets ontziend tegen deze transfiguristische School zal strijden, waardoor velen zich, gezien de aard van deze strijd, misschien weer uit de School zullen terugtrekken.

Men zal tegen u zeggen: ‘Transfigurisme is een klassieke vorm van krankzinnigheid die van tijd tot tijd in de wereldhistorie optreedt. Transfigurisme is ten top gevoerde dwaasheid en natuurwetenschappelijk onmogelijk. De transfigurist poogt iets te ondernemen dat fundamenteel volstrekt uitgesloten is.’ Of men zal beweren: ‘Men kan hoogstens op goede gronden hopen door de een of andere vorm van cultuur een zeker hoog doel te bereiken.’ En men zal u dan wijzen op diverse cultuurgoederen, die deze uitspraak schijnbaar volkomen bevestigen.

Als u dan niet heel sterk in uw schoenen staat, zult u zich van deze School afkeren, en als men u zal vragen: ‘Bent u daar ook bij geweest?’, zult u met een kleur van schaamte, onwaarheid sprekend zeggen: ‘Welnee, hoe komt u daarbij!’ De verloochening door Petrus is een steeds terugkerende gebeurtenis bij leerlingen die in de voorhof staan. En toch bevinden de transfiguristen met hun dwaasheidssignatuur zich in zeer goed gezelschap!

Jezus staat voor het Sanhedrin, voor de generale synode van zijn dagen. Men typeert hem als een gevaarlijke dwaas… en Jezus zwijgt. Paulus staat voor Festus, de stadhouder. Hij heeft de stedehouder een uiteenzetting gegeven van het transfigurisme. Prompt komt de reactie van de Romein: ‘Ge raaskalt!…’ en Paulus doet er het zwijgen toe. Hoor Augustinus fulmineren tegen de manicheeën. Hoor hoe hij hen in een bespottelijk daglicht plaatst… maar de broeders manicheeën zwijgen. Hoe zouden zij kunnen spreken, zonder een basis voor wederzijds begrip? En hebt u wel gelezen waarvan de katharen werden beschuldigd, van hun ‘ten top gevoerde gevaarlijke dwaasheid’, zo men zei? Nagenoeg een geheel volk werd uitgemoord, doch de broeders katharen zelf… zij zwegen.

Het transfigurisme moet natuurnoodzakelijk een dwaasheid zijn voor allen die van deze natuur zijn. De wereld druipt van religieuze gezindheid, doch de fundamentele religie van de bevrijding acht men een dwaasheid. Dat is de signatuur der dialectiek. Denk hier aan de beroemde woorden van Paulus uit zijn eerste brief aan de Korinthiërs:

‘Het woord des kruises is wel voor hen die verloren gaan een dwaasheid, maar voor ons die behouden worden, is het een kracht Gods. Er staat immers geschreven: Verderven zal ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal ik verdoen! Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der natuur tot een dwaasheid gemaakt? Want daar de wereld door háár wijsheid God in de wijsheid Gods niet kon vinden, heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, te redden wie geloven. Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen.’

Aldus mogen wij zeggen dat wij de ketterij van het transfigurisme in zeer goed gezelschap beoefenen. Zulk een ketter is een dwaas, een raaskaller, een dwaler: hij gaat op in de dwaasheid van het kruis. Deze dwaasheid verkrijgt slechts een hoge redelijke zin, deze dwaasheid wordt slechts een majesteitelijke kracht, voor hen die verstaan kunnen en bereid zijn het kruis van transfiguratie te dragen. Daarom zal de transfigurist geen woord verspillen aan hen die met volle ambitie in deze natuur staan. Hij zal zwijgen, zonder ook maar een enkele klank ter verdediging, zonder ook maar één woord als compromis of concessie.

Daarom wordt er in onze School slechts gesproken tot hen van wie men voorshands mag aannemen dat zij de redelijke grond der gnostieke dwaasheid enigermate bespeuren. De wereld bewijst meer dan overvloedig dat zij, door haar in meer dan een opzicht formidabele wijsheid, ‘God in de wijsheid Gods’ niet kan vinden. Daarom distantiëren wij ons van haar om ons, vrij van iedere dialectische wijsgerige werkhypothese, te dompelen in een andere werkelijkheid.

Is die andere werkelijkheid in onze natuur aanwezig? Is daar een spoor van te ontdekken? En kan men, zo men dit meent, dit ‘andere’ praktisch toetsen, teneinde zich te behoeden voor nieuwe waan? Op deze vragen luidt ons antwoord volmondig: ‘Ja.’ Christus is een allerhoogste, redelijke werkelijkheid en geen historische verschijning. Wij duiden deze werkelijheid aan als het broederschappelijke stralingsveld en hebben u gezegd dat het hart van dit stralingsveld te vinden is in het hart van deze wereld.

Op welke wijze hebt u dit te verstaan? De wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis toont aan dat de werkelijke goddelijke aarde, de bol die men wel aanduidt als het Universele Koninkrijk, geen planeet is die achter de sluiers van een oertijd in het ijle niets verdwenen is, doch dat zij ook nu nog in volkomenheid existeert. De oorspronkelijke planeet is een samenstel van zeven bollen die in elkaar wentelen, en een van deze bollen kan men aanduiden als het dialectische aanzicht van deze zevenheid. 

Door zijn dialectische natuurwetmatigheid maakt dit aanzicht krachten vrij ten dienste van de zes andere aanzichten, ten dienste van het volkomen leven, dat in de zevenheid zelf zijn enige en goddelijke uitdrukking vindt.

Daarom is het duidelijk dat in ieder aanzicht van de goddelijke planetaire totaliteit het eeuwige Vaderhart van de Logos drijft en stuwt, en dat dus ook hier, zelfs hier, het broederschappelijke elektromagnetische stralingsveld te vinden moet zijn, omdat dit veld het fundamentele hart van deze planeet is.

Wat de mensen gewend zijn ‘onze wereld’ te noemen, is het uiterst merkwaardige, geheimzinnige en vrijwel totaal onbekende zevende deel van de goddelijke, kosmische werkelijkheid. En de bewoners van dit tranendal behoren tot een levensgolf die, oorspronkelijk geroepen tot glorie te komen in het veld der goddelijke zevenheid, verzonken is in een bestaansveld waarin geen werkelijk goddelijk leven mogelijk is. Zij zijn bannelingen, structureel volkomen gedenatureerd en tot een staat van algehele degeneratie vervallen.

En nu is daar een fundamentele jacht in u naar vooruitgang, naar opgang, door de hunkering van de balling-in-u naar het bloed en de bodem van zijn geboorte. En de gehele wereld snelt voort als een opgejaagd dier en slaakt haar kreten om cultuur. Begrijpt u wat dit drijven is? Het is een atavistisch overblijfsel, een werking uit een pre-verleden, voortgedragen van geslacht op geslacht. Het spreekt, het appelleert, doch niemand kent meer de werkelijkheid; en niemand kán die werkelijkheid meer kennen, omdat het kenvermogen daartoe verdwenen is. De dialectische mens bezit wel een kenvermogen en een wijsheid, doch met die wijsheid en met dat kenvermogen kan zij ‘God in de wijsheid Gods’ niet meer vinden.

Nu ligt er het feit van de menselijke gevallenheid en verwording, van de ontzaglijke ontaarding van ons levensveld, tengevolge waarvan bij voortduring dit zevende deel der kosmische volkomenheid geweld wordt aangedaan. Nochtans kan en moet men zeggen dat God deze wereld in het hart heeft aangegrepen omdat, ondanks alles, dit levensveld in het al van de zevenheid begrepen is. 

Deze feitelijke toestand verklaart de aanwezigheid van een elektromagnetisch stralingsveld van de Christushiërofanten. Doch tegelijkertijd constateren en ervaren wij dat de verworden mensheid gevangen ligt in het elektromagnetische stralingsveld van een vijandige en ongoddelijke natuur, ja, dat zij daarmee existentieel een is. Daarom vragen wij ons niet af: ‘Waar komt het magnetische trekken van de Broederschap vandaan?’, doch: ‘Waar vinden wij de oorzaak van deze dialectische tegennatuur? Waar vinden wij de kern van de krachten van de algemeen, natuurlijke degeneratie?’

Om het antwoord op deze vragen te vinden, moeten wij school gaan bij de mysteriën der kosmische zevenheid, waarvoor wij dan hierbij uw aandacht vragen. U zult wellicht uit het voorgaande begrepen hebben dat het menselijk bestaansveld slechts een klein deel is van een bol, die u niet moet zien als een zelfstandig lichaam, doch als behorende tot een systeem van zeven in elkaar wentelende lichamen, die met elkaar de werkelijke, goddelijke aarde, het Universele Koninkrijk, vormen. Ieder onderdeel van dit systeem is in zichzelf volmaakt en bezit het organische vermogen zich volkomen te beschermen tegen iedere aantasting van zijn doel en wezen, ten gevolge waarvan onder alle omstandigheden het totale functioneren van de kosmische zevenheid verzekerd blijft.

Wij zeiden u reeds dat in de kern van onze aardbol het kosmische Christushart klopt. Dit is, zoals thans duidelijk zal zijn, eveneens het geval met de zes andere bollen van het systeem. Aldus kunnen wij spreken van het zevenvoudige hart van de kosmos, waarvan het zevenvoudige menselijke hart een afschaduwing zou moeten zijn. Het wonderbaarlijke, organische vermogen, de intelligentie en de geestelijke kern van de zevenwereld, is binnen iedere bol daarvan besloten, zoals in de menselijke microkosmos alles binnen het aurische wezen besloten is.

Van de bol waarin de mens leeft weet hij in het algemeen vrijwel niets. Het huidige bestaansveld strekt zich uit op en in een betrekkelijk gering deel van ons geheimzinnige aarde. Ook het land aan gene zijde, ook wel aangeduid als de spiegelsfeer, ligt volkomen binnen het menselijke levensdomein. Het is in dit bestaansveld, met zijn beide sferen, dat de u bekende wielwenteling van geboorte en dood zich voltrekt.

Dit bestaansveld dient u te zien als een gevangenis, als een cel, binnen het enorme systeem van de kosmische zevenheid. Wat men de oppervlakte van de aarde noemt, is een betrekkelijk dunne laag en de geologen en technici zijn slechts in staat daar enigermate, en dan nog maar zeer ten dele, in door te dringen. Alles wat zich daaronder bevindt is aan de massa onbekend. Men stelt zich veelal voor dat de temperatuur toeneemt naarmate men dieper in de aarde afdaalt, en dat men op een gegeven moment zou belanden bij een gloeiende, vloeibare massa en tenslotte bij de helse gloed van een gasachtige kern.

Het is de transfigurist evenwel bekend dat het ingewand van de aarde uit elkaar omsluitende velden van kracht en leven bestaat, die ten nauwste met elkaar verband houden en die elkaar kunnen corrigeren en opheffen, teneinde de functies van het geheel te verzekeren. Op twee van deze velden binnen het aardediep vestigen wij uw bijzondere aandacht. In deze velden huizen wat wij zouden kunnen noemen de ‘natuurkrachten’ en de ‘oertypen.’

Een natuurkracht is een vermogen met behulp waarvan een plan wordt uitgevoerd en in stand gehouden. Het veld van de natuurkrachten is een zeer sterk magnetisch veld, of liever: het is een veld waarin een onafzienbaar aantal verschillende magnetische spanningen, vibraties en toestanden optreedt, alle ten dienste van de kosmische huishouding. Deze natuurkrachten zijn evenwel niet, zoals men veelal meent, blind met betrekking tot hun uitwerking in het menselijke bestaansveld, doch zij zijn verbonden met de oertypen, hetgeen wil zeggen dat iedere natuurkracht gebonden is aan een plan, aan een hoge rede waardoor zij wordt geleid en in overeenstemming waarmee zij zich openbaart. 

De oertypen zijn namelijk de levende, vibrerende gedachtenbeelden van de Gnosis. Zij worden ‘oertypen’ genoemd omdat in hen de oorspronkelijke, goddelijke idee gestaltenis heeft genomen. Het zijn deze levende oerbeginselen, deze levende gedachtebeelden Gods, die de natuurkrachten oproepen en aanwenden. Wanneer er namelijk in het samengestelde, zevenvoudige Aardelichaam iets tot ontwikkeling dreigt te komen dat de harmonie en de feilloze functies van het geheel zou kunnen verstoren, zal het uiterst fijn afgestemde zintuiglijke vermogen van de Aarde dit onmiddellijk waarnemen, en zullen de oertypen en de natuurkrachten – die immers de idee en de wil Gods belichamen – onverwijld corrigerend ingrijpen.

Stel u nu voor dat uw aanwezigheid in dit bestaansveld, uw levenshouding, uw structurele toestand-van-zijn, uw strijd om het bestaan, kortom, uw gehele doen en laten en dat van uw medemensen niet in overeenstemming is met het fundamentele plan Gods, met het krachtveld van de oertypen – en dat is het niet! – dan zullen de natuurkrachten zich, overeenkomstig hun wezen, met geweld tegen u keren; dan zult u deze krachten als disharmonisch ervaren; dan zult u in de dialectiek van de dingen heen en weer geslingerd worden en explosie na explosie veroorzaken.

Zo is dus niet het transfigurisme, dat een volkomen verzoening met de universele wil beoogt, krankzinnig, doch het dialectische cultuurpogen, dat de verbrokenheid van deze wil bestendigt, is een volstrekte krankzinnigheid. In dit elektromagnetische veld van de zich tegen u verzettende natuurkrachten bent u gevangen, en in dit veld is ook een boosheid tot ontwikkeling gekomen, een satanisme. 

Deze boosheid is echter niet uit de natuurkrachten te verklaren, maar zij is een verschijnsel dat het chaotische, onzinnige leven begeleidt. En uw gevangenschap zal zo lang duren tot u de weg terug zult vinden. Daartoe roept u het broederschappelijke elektromagnetische veld. Daartoe steunt u deze stralingskracht der Christushiërofanten. En eenmaal zult u de natuurkrachten weer als weldoend, als heilig, ervaren.

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *