De waan van de dialectiek – hoofdstuk 16 uit ‘De komende nieuwe mens’ van Jan van Rijckenborgh

 

BELUISTER OF LEES DE HOOFDSTUKKEN:

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt het zestiende hoofdstuk uit De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

In het vorige hoofdstuk (hoofdstuk 15) hebben wij gepoogd u deel te doen krijgen aan een nieuwe natuurkennis, met het doel u te voeren tot die zelfkennis die de poort is tot de mysteriën van de goddelijke mens.

Wij ontdekten de naakte werkelijkheid van het wezen van de dialectiek. Wij zagen dat de levenszuil van de dialectische mens diverse dodelijke stralingen en krachten voortbrengt, welke hem existentieel onmiddellijk te gronde zouden richten, zijn bestaanreeks volstrekt onmogelijk zouden maken, ware het niet dat er in deze wereldorde enkele natuurrijken optreden die van deze krachten ‘leven-en-zijn’ verkrijgen en die daarom de doodsradiaties van de mensheid gedeeltelijk absorberen.

Het feit dat de dialectische mens bestaat, maakt derhalve de verschillende ondermenselijke natuurrijken noodzakelijk. Deze rijken danken hun bestaan, hun verschijnen aan de dodelijke miasmen van de mens, aan zijn verschijningswerkelijkheid. Hieruit blijkt hoezeer zij geheel één met de mens zijn en het bewijs vormen van zijn lotsoorzaken, van zijn karma. Daardoor zijn zij, hoewel bedoeld als levensinstandhouders van de mens, tegelijkertijd zijn belagers, zijn vijanden, en zijn zij, in overeenstemming met hun primaire bestaansgrond, ook met elkaar in strijd.

De dialectische mens produceert een grote, veelvormige onheilskracht. Hoewel deze onheilskracht door de aanwezigheid van de bedoelde natuurrijken tijdelijk en ten dele wordt teruggedrongen, zal zij hem door de werking van de wet van de causaliteit te zijner tijd en op verschillende wijzen toch achterhalen.

Zo bemerkt de ware zoeker van het pad van de bevrijding in welk een ontstellende wereldorde hij leeft en hoe hij, alleen reeds krachtens de functies van zijn wezen, mede schuldig is aan de algemene wereldtragiek. Hij weet met zekerheid dat hij met zijn gehele microkosmos in een ongoddelijke wereldorde verblijft en daaraan deel heeft. En dus gaat zijn gehele hart dorsten naar God, naar een goddelijke werkelijkheid door welke hij zich geroepen weet. Aldus wordt de leerling zich steeds meer bewust van zijn heilloze dialectische werkelijkheid.

Wie dit zelf- en wereld-kennende bewustzijn nog niet bezit, zal voortgaan met zijn pogen vervulling van zijn verlangens te verkrijgen op de horizontale lijn. Hij zal voortgaan te streven naar aardse vreugden en zal jagen naar wat men noemt ‘de beste gaven van de aarde’. Hij zal juichen voor vermeend bezit en grote smart ondergaan wanneer het als een luchtspiegeling verdwijnt. Deze jacht en haar ontgoocheling zullen vele malen komen en gaan, zij zullen de mens druk bezighouden, vele jaren lang, misschien vele levens lang – totdat door de aanhoudende smart-ervaringen de werkelijkheid van de ware natuurkennis tenslotte in zijn bewustzijn opdoemt.

Dan gaat de zoeker en zwoeger de waarheid van het woord van de Prediker niet citeren, maar dan belééft hij het: ‘Alles is ijdelheid en kwelling.’ Alles is hier waan, illusie, volstrekte begoocheling. En bovendien brengt alles, ís alles, een onmetelijke smart, een niet te zeggen tragiek. Daarom staakt hij al zijn pogen op de horizontale lijn, zowel naar het denken als naar het voelen, willen en handelen, en richt zijn blik naar de bergen vanwaar zijn hulp komen zal.

Zolang u nog levensvervulling zoekt in deze natuur, zolang u nog burgerlijke, sociale, politieke of humane aspiraties najaagt in déze natuurorde, staat u nog niet op dit standpunt. Men kan u niet tot dit standpunt dwingen, u kunt er u zelf ook niet door een besluit toe opheffen. U moet er naartoe groeien, er door ervaring toe rijpen. U dient het ervaringsweten te bezitten dat uw levenszuil in al haar werkingen de dood voortbrengt en verbreidt; dat deze dood wordt opgevangen door wat u ‘levensrijken’ noemt, doch die in wezen niets met leven gemeen hebben en die uw doodsproducten in talloze andere vormen her-uitzenden; dat uw doodskrachten aldus als een kettingreactie verderf uitbraken en ontketenen, en dat dus uw bestaan in de volste zin een producent is van smart, dood en pijn.

Als u deze kennis, dit inzicht, bezit, wilt u niet meer meedoen in deze maalstroom van kwelling, want u hebt ten eerste de dialectische werkelijheid tot op de bodem geproefd en, ten tweede, zult u dan niet meer ten offer vallen aan welke waan ook. Dit zijn de twee pijlers waarop het leerlingschap gegrondvest moet worden, want zij stellen de mens in staat zich volkomen te richten op het doel van de goddelijke werkelijkheid. Eerst dan kan hij waarlijk gaan zoeken naar de deur van de goddelijke mysteriën en aankloppen. Tot hem wordt gezegd: ‘Zoek en u zult vinden; klop en u zal worden open gedaan.’ Eerst dan kan hij de ware kreet om verlossing voortbrengen.

Meestal zijn uw beden om hulp het gevolg van incidentele noden, die veroorzaakt worden door uw concessies aan de waan en door uw gebrek aan ware natuurkennis. Als de ene nood nauwelijks van u is geweken, bent u dikwijls al weer ijverig doende de oorzaken voor een volgende moeilijkheid te scheppen.

De bede om hulp echter die altijd door de Broederschap beantwoord wordt, is het gevolg van een zieletoestand waarin, naar de woorden van de Boeddha, klaar het besef leeft dat, al ware deze aarde al wat de dichters van haar gedroomd hebben, al ware alle kwaad weggevaagd, aan elke smart een einde gemaakt, elke vreugde verinnigd, elke schoonheid verhoogd, al ware alles hier tot zijn toppunt van vervolmaking verheven, de ziel dit alles toch moede zou zijn en er zich, ontdaan van alle begeerten, van zou afwenden. De dialectische aarde is dan voor haar een gevangenis geworden, en hoe mooi die desnoods ook versierd moge zijn, zij snakt naar de vrije en onbegrensde atmosfeer buiten de haar insluitende muren. De zogenaamde hemelwereld van van de spiegelsfeer is voor haar al even weinig aantrekkelijk als de stofsfeer; ook die is zij moede. Déze hemelse vreugden hebben hun aantrekkelijkeheid al evenzeer geheel en al verloren.

Ook geven de eigen verstands- en gevoelsgenietingen niet langer de geringste voldoening. Immers, ook zij komen en gaan, vergankelijk als zij zijn, evenals de aanrakingen van de zinnen; zij zijn beperkt, voorbijgaand, onbevredigend. De ziel is al die veranderingen moede, en uit die moeheid roept zij luid om bevrijding.

Vele zoekers zullen wel eens iets van deze toestand-van-zijn gekend hebben, van het besef van de waardeloosheid van alles, doch meestal was het niet meer dan een bewustzijnsflikkering, waarna de uiterlijke dingen opnieuw hun volkomen heerschappij deden gelden, en de verblinding van de waan, met haar begoochelende vreugden, de ziel weer in een toestand van tevredenheid wiegde.

U zult verstaan dat waan zich dikwijls aan de mens voordoet als vreugde, schoonheid en heerlijkheid. De waan van deze wereld toont u ook vele perspectieven die in zekere zin hoogst respectabel en edel zijn. Deze perspectieven worden u gesuggereerd door de krachten die zich tot op het uiterste inspannen om deze wereld tot een door de Gnosis geaccepteerde en met haar in harmonie zijnde ‘orde’ te maken. Ook deze suggesties kan men in zeker opzicht edel en respectabel noemen. Zo kunnen jaren en levens voorbijgaan vol van dit edele werk. Uw dagen kunnen gevuld worden met tal van volkomen onzelfzuchtige inspanningen, u bent overladen met alleszins humane bezigheden. U wilt de mensheid verbeteren en gezond maken, u jaagt een gehele reeks praktische idealen na en u juicht bij iedere mijlpaal.

Het stempel van al dit onzelfzuchtige pogen, van al deze inspanningen, van al dit geworstel, drukt zich op uw gehele persoonlijkheid. Uw ogen vertellen van de verten waarin u staart, van alles wat u in de toekomst zeker waant… Maar waan is krankzinnigheid, waanzin!

Als u maar goed wilt opletten, ziet u deze waanzin als een vuur gloeien achter de oogspiegels. Dit vuur van de waan brandt zeer hevig in deze wereld. De kunst, de wetenschap en de natuurreligie getuigen ervan. Het loeit in het natuuroccultisme en in het humanisme.

Deze vlammenpoel, deze vurige brand, wordt niet aangejaagd door bewuste, opzettelijke slechtheid, doch deze rode tongen stijgen ten hemel als één voortdurende, immense poging om deze wereldorde aannemelijk te maken en alle goddelijke krachten aan dit plan dienstbaar te doen worden.

De grootste natuurocculte broederschap van alle tijden werkt aan de uitvoering van dit plan. Evenwel zonder ook maar enig succes. Zij heeft alle wegen gevolgd om haar doel te bereiken, en hoewel haar oogmerk vanuit zeker standpunt aanvankelijk edel en onzelfzuchtig was, is zij om haar doeleinden, het koste wat het wil, te verwezenlijken, in het grijze verleden begonnen dwang uit te oefenen. Maar dwang vraagt om macht, en om macht te doen gelden moeten er machtsmiddelen zijn.

Ontdekt u de tragiek van deze broederschap, het absolute gevolg van de waanzin? Zij stortte zich in een peilloos diepe afgrond. Om al wat zich tegen haar verzette uit te schakelen, stelde zij een eigen recht in, hield zij rechtspraken en velde vele vonnissen. Wil men een vonnis ten uitvoer leggen, dan dienen er daartoe middelen te komen. Die middelen werden dus in het leven geroepen. Zo kwamen er gevangenissen en folterholen, moord en doodslag.

Er was en er is nu een schier algehele gevangenschap van de ganse mensheid. De mensheid is niet slechts de gevangene van deze natuur krachtens haar natuurstaat, doch ook als gevolg van de magie van de bedoelde broederschap. In iedere wijk van onze steden, in ieder dorp en vlek, in een overgroot deel van de wereld, bevinden zich gebouwen waarin de magie tot bestendige gevangenschap wordt beoefend, zodat een ontelbare miljoenenmassa naar lichaam en ziel gebonden ligt en andere miljoenen in grote mate in hun bewegingsvrijheid worden belemmerd.

Door middel van methoden die oeroud zijn en afkomstig uit het oude Atlantis, worden van uur tot uur verderfelijke etherpreparaten de atmosfeer ingestraald. Tal van zwartmagische onderstromingen zijn aldus een onlosmakelijk begeleidend verschijnsel van het oorspronkelijke edele doel, geboren uit de fundamentele waan van de dialectiek. En zoals de bedoelde broederschap deze stofsfeer in haar greep heeft, zo heeft zij haar macht ook in de spiegelsfeer hecht gegrondvest. Ook daar regeert zij met haar kompanen door middel van magie.

Na deze uiteenzetting kunt u zich misschien voorstellen wat het zeggen wil wanneer door deze natuuroccultisten de banvloek over een mens wordt uitgesproken. Zulk een mens wordt getroffen, zowel hier als in de spiegelsfeer, door een persoonlijk gerichte, aan zijn levensvibratie tegengestelde radiatie. Wat dat zeggen wil voor iemand die van het bevrijdende leven niets weet, zult u zich wellicht kunnen denken. Als zo iemand sterft, wordt hij aan gene zijde onmiddellijk achtervolgd door een hevige, onrustig makende kracht, ten gevolge waarvan hij meestal reeds heel spoedig tot een volkomen van buitenaf voor hem bepaalde incarnatie wordt gedreven.

Wij confronteren u met deze werkelijkheid, welke niemand ongemoeid laat, om u te doen zien waartoe alle waan moet leiden. Eerst is men Judas, de edelman, de grote idealist, de man die visser en redder van mensen wil zijn. Dan wordt Judas een geroepen discipel en als zodanig ontvangt hij het beheer over goederen van uitzonderlijke waarde. En als dan het pad van de Christus uit deze natuur wegbuigt, en de stem klinkt: ‘Mijn Koninkrijk is niet van déze wereld’, zal Judas, als hij geen natuurkennis bezit en de waan niet doorgrondt, en dientengevolge het pad noch kan noch wil betreden, eerst een strateeg zijn en een compromis zoeken, om tenslotte te eindigen met verraad en moord.

Doch deze slechtheid, geboren uit de goedheid van deze wereld, deze onweerstaanbare dialectische wet die alle goed in kwaad doet verkeren, vermag geen enkel kind van de Gnosis te grijpen. Het resultaat van alle wereldse streven, van alle georganiseerde dialectiek, zal, gelijk Judas’ einde, zelfvernietiging zijn, op hetzelfde moment dat het rood van de opstandingsmorgen de oostelijke kimmen kleurt. Daarom moet, wanneer u uw voet op het pad wilt zetten, de ledigheid en nutteloosheid van alle dialectische verschijnselen en pogingen een blijvend bewustzijnsbesef van uw ziel worden. Dan zult u moeten verstaan dat zelfs het edelste en onzelfzuchtigste pogen, in waan begonnen en voortgezet, vroeg of laat in misdaad jegens het universele licht moet eindigen.

Zonder dit inzicht, zonder deze voorbereidende staat-van-vrijwording bereikt te hebben, zal niemand het pad betreden, noch de eerste deur van de mysteriën binnengaan. Wanneer u echter tot deze bewustzijnsstaat bent doorgedrongen, staat u voor de deur van het pad. Eerst dan zult u de stoffige heirweg van de wielwentelingen verlaten om de tempelberg te gaan beklimmen, vastbesloten om aan de slavernij van stofsfeer- en spiegelsfeerlevens te ontkomen en de vrijheid van de top van de berg van het bereiken te verwerven.

Het pad betreden wil nog niet zeggen het grote doel bereiken, doch: een weg betreden die naar dit doel voert. Een weg waarop alles van deze natuur, voor zover het zich in de microkosmos heeft ingedrongen of daarmee vergroeid is, en alles wat in de microkosmos fundamenteel bedorven is, moet worden achtergelaten, waardoor stap voor stap alle voorwaarden worden geschapen om in een nieuw licht en in een nieuwe kracht het gehele wezen te transfigureren.

Er zijn leerlingen die de eerste aarzelende schreden op dit pad gezet hebben. Zij mogen zich koesteren in de genade van het morgenrood in opgang. Wij achten ons verplicht te hunnen behoeve met de meeste nadruk een ernstige waarschuwing te doen horen, want op het pad van transmutatie en transfiguratie loeren grote gevaren, waaronder een van zeer opmerkelijke aard. Als u door dit gevaar wordt geslachtofferd, zult u eerst aan de werkelijkheid van het pad gaan twijfelen; dan zult u het transfiguristische pad gaan ontkennen; en tenslotte zult u gedreven worden tot activiteiten die rechtstreeks tegen de Geestesschool gericht zijn: dan zult u de Geestesschool zoeken te doden.

Deze drievoudige signatuur van het verraad, bestaande uit twijfel, ontkenning en bedreiging, is zo oerklassiek, dat u haar overal in de wereldhistorie tegenkomt en tot op dit uur kunt ontmoeten. Denk aan het voorbeeld van Augustinus, de voormalige leerling der Manicheeën, die later een van de grondvesters werd van de zoëven aangeduide broederschap.

Alle dialectische broederschappen in het hier en in de spiegelsfeer, met al hun hiërofanten, adepten en kandidaten, danken hun ontstaan en voortzetting aan dit grote aanvangsgevaar van het ene ware pad. Alle broederschappen van de dialectiek werden gesticht door mislukte kandidaten van de transfiguristische school, en zij vullen hun rijen aan met hen die om dezelfde reden ook in onze tijd deze ondervinding smaken.

Twijfel, ontkenning en bedreiging komen dus niet van buiten tot de Geestesschool. Nee, zij ontstaan in de voorhof van de Geestesschool! Eerst komt de twijfel, een nog negatief stadium. Dan ontwikkelt er zich een activiteit die al heftiger en heftiger wordt: de ontkenning, eerst in het eigen hart beleden, wordt tot anderen uitgedragen. Eerst alleen in het verborgene geweten, wordt zij, onder een groeiende innerlijke drang, steeds openlijker gedeclareerd. Vervolgens neemt de ontkenning gestalte; zij wordt georganiseerd, zij wordt een plan.

En hoe kan het anders, dit plan wordt ontdekt, zoals ook de eerste vage tekenen werden onderkend. Wanneer dan in de Geestesschool allen ten dis zijn gekomen, om met het hemelse brood te worden gespijzigd, wordt aan hen die deze Judassignatuur dragen, welbewust de bete gereikt en klinken de mantrische woorden: ‘Wat u doen wilt, doe dat spoedig.’ Daarop gaat Judas uit in de nacht van het eigen zelf, om van ontkenning voort te gaan tot de fase van de bedreiging, die maar één einde kan hebben, een fataal einde.

Wat is dan dit gevaar waardoor zo menigeen geslachtofferd werd en geslachtofferd worden zal? Het is het gevaar van de twee personen, van de twee existenties in de microkosmos.

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS