God, oertype, mens – hoofdstuk 8 uit ‘De komende nieuwe mens’ van Jan van Rijckenborgh

 

BELUISTER OF LEES DE HOOFDSTUKKEN:

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt het zevende hoofdstuk uit De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

In onze beschouwingen over de natuurkrachten en de oertypen moesten wij in het kort melding maken van de mysteriën der kosmische zevenheid. Wij hebben daarbij uiteengezet dat de werkelijke Aarde uit een systeem van zeven in elkaar wentelende planeten bestaat; dat de gevallen menselijke levensgolf, als in een gevangenis samengedrongen, zich openbaart in een zeer klein deel van de dialectische planeet der kosmische zevenheid; dat dit bestaansveld niet als zodanig is bedoeld, en dat de mens daarom, krachtens dit ongoddelijke bestaan, fundamenteel in conflict is en komt met de magnetische spanningen van de natuurkrachten, die hij aldus in disharmonie ervaart.

De natuurkrachten zijn verbonden met de oertypen, de levende gedachten Gods, die in een van de aardkringen hun uitdrukking vinden. De gehele kosmische zevenheid is een uitdrukking, een verwerkelijking, van een bepaald idee, van een plan, en daar deze goddelijke zevenheid in haar openbaring zo oneindig geschakeerd en gevarieerd is, zal het duidelijk zijn dat in de aardkring van de oertypen de totale idee eveneens uit een oneindig aantal mentale bouwstenen bestaat. Met deze bouwstenen werd eenmaal het onvergankelijke bouwwerk Gods opgericht en uit deze eeuwige waarden wordt het even onvergankelijk onderhouden.

Alles wat niet in evenwicht is met de goddelijke natuur, gaat op en onder in een tegennatuur, zoals de Adamitische mensheid dagelijks ondervindt. Iedere ingeleide leerling van de Geestesschool zal proefondervindelijk als een goddelijk axioma kunnen vaststellen dat aan alles wat, buiten de tegennatuur, in de kosmische zevenheid tot openbaring komt, de universele idee van de Gnosis ten grondslag ligt, ja móet liggen. Uit de idee Gods wordt en is dus ook de oorspronkelijke mens.

Een idee, als scheppende kracht, blijft verbonden met haar openbaring. Dat is een oerwet. Zo is de idee Gods steeds werkzaam in al haar manifestaties. Zodra echter het geopenbaarde, het schepsel, zich niet meer volgens deze idee gedraagt, ontstaat er een conflict, een breuk, een dreigende ondergang. Eerst zien wij hoe de idee in het schepsel latent wordt, in werkeloosheid verzinkt. Vervolgens zal, naarmate het schepsel de heilloze weg van de tegennatuur blijft bewandelen en steeds meer tot versplitsing komt, de aanvankelijk nog latente idee Gods gestadig meer verzwakken en uiteindelijk geheel uit het stelsel van het schepsel verdwijnen.

Aldus kan natuurwetenschappelijk een absolute verlorenheid worden vastgesteld, en wordt het tevens begrijpelijk waarom er een juichkreet wordt aangeheven door ‘allen die weten’, wanneer in enig schepsel de latente idee Gods weer gaat leven en wederom richting gaat geven aan het leven. Alleen tot zulk een mens kan worden gezegd: ‘Voorwaar ik zeg u, het Koninkrijk Gods is binnen in u.’

Dit vereist wellicht enige toelichting. ‘Het Koninkrijk Gods’ in bedoelde zin is het door ons reeds genoemde geestvonkatoom. Wie dit geestvonkatoom bezit, nóg bezit, heeft daarmee het Koninkrijk Gods in zich, dat wil zeggen dat de idee Gods aangaande het Onbeweeglijk Koninkrijk in de een of andere toestand van latentheid in hem verzonken ligt. En nu is het enige doel van de Universele Broederschap dit goddelijke oeratoom uit zijn latente toestand te wekken. Als dit heilsproces bij een leerling slaagt, wordt er een grote, oorspronkelijke kracht in hem vrijgemaakt en zal hij het pad naar het Onbeweeglijk Koninkrijk kunnen bewandelen.

U hebt wellicht over dit heilsproces al zo dikwijls horen spreken dat u het theoretisch van buiten kent. Dit brengt het gevaar met zich dat het betrokken onderwerp voor u uitgeput raakt, dat het krachteloos wordt, omdat u meent het gegeven te beheersen. Doch als u aandachtig gevolgd hebt hetgeen wij nu tot u hebben overgedragen, zult u inzien dat ons betoog nog slechts een oppervlakkige benadering moet worden genoemd en zult u zich hoeden voor elke verslapping van uw innerlijke gerichtheid.

In de aardkring van de oertypen, zo zeiden wij, leven de ideeën Gods, en niet slechts met betrekking tot zijn schepping, doch eveneens met betrekking tot zijn schepsel. Een idee is een gedachtevorm; zij vertoont een krachtlijnenstructuur en is bijgevolg een levende werkelijkheid. Terecht mag men daarom terzake van de ideeën Gods spreken van ‘oertypen.’ Naar het beeld van de oertypen wordt met goddelijke kracht het grote doel tot een concrete werkelijkheid.

Er bestaat in de aardkring van de oertypen geen type van de mens als soort, doch er is een ineigen oertype voor en van iedere mens. U moet evenwel goed verstaan dat dit niet slaat op de dialectische mens, doch uitsluitend op de ware, oorspronkelijke mens. De oorspronkelijke mens, de werkelijke mens, behoort dus niet tot een soort, tot een volk, tot een ras, nee: iedere entiteit van de luisterrijke scharen, behorende tot de kosmische zevenheid, is een autonome, zelfscheppende werkelijkheid. Hij is geboetseerd naar een oertype dat uitsluitend met hem verbonden is.

Nu mag men nimmer denken dat het oertype primair leidinggevend is en dat een entiteit, eenmaal van deze idee vervuld, daarvan de slaaf zou zijn. Het oertype is een goddelijk voorbeeld, waarnaar de ziel moet werken. Een denkbeeld is levend en vibrerend, maar niemand zal zeggen dat denkbeeld en ziel, denkbeeld en bewustzijn, in elkaar opgaan. Zo is het oertype van de ware mens een levend en vibrerend voorbeeld, een levend vibrerend plan Gods met betrekking tot hem zelf. En die mens nu wordt uitgenodigd zich in vrijheid naar dit voorbeeld te openbaren.

De ervaring zal u geleerd hebben dat, wanneer u, gedreven door een denkbeeld, tot enige activiteit komt, het plan van uw werkzaamheid, naarmate het tot uitvoering komt, ook zelf zich ontwikkelt. Zo is het ook met de oertypen. Zij zijn bestemd om door de ware mens te worden gebruikt. Geschiedt zulks in overeenstemming met hun aard en wezen, dan zien wij hoe ook de oertypen zich vol majesteit verder ontplooien en tot magistrale wezenheden openbloeien en de natuurkrachten tot enorme prestaties aanzetten.

Zo constateren wij dus dat er een oertype is en een mens. Het oertype is een gnostieke openbaring, en naar het beeld van dit oertype komt de mens tot openbaring. Wij dienen nu na te gaan op welke wijze de menselijke openbaring tot stand komt.

Wanneer een oertype door God is geschapen, ‘gedacht’, dan is dit type, zo zeiden wij, levend en vibrerend. Het is een alchemische verbinding, in staat om op de plaats waar het denkbeeld zich op richt, een concentratie van kracht en stof tot stand te brengen. Uit deze concentratie ontstaat de microkosmos: de mens. Er is dus een onverbrekelijke eenheid tussen God, oertype en mens. De oorspronkelijke mens is inderdaad naar Gods beeld, dat is naar het oertype, geheel in gelijkenis met Gods denkbeeld, gegenereerd.

Het wonderbaarlijk beginsel dat wij geestvonkatoom noemen, was in de aanvang het centrale brandpunt van het oertype, waaromheen de microkosmos zich formeerde, en wij zouden dan ook terecht van oertype-atoom kunnen spreken. Als het zonlicht door enig systeem wordt opgenomen, is er een orgaan dat dit mogelijk maakt. Zoals de milt het stoffelijke zonlicht absorbeert, waaruit de derde natuurego leeft en waardoor het zijn dominerende positie in stand houdt, zo is het wondere atoom in de rechter hartkamer het brandpunt, het raakpunt, van het oertype.

Na deze uiteenzetting kunt u wellicht tot een realistischer beeld van uw bestaanswerkelijkheid komen, waarbij wij aannemen dat u de beschikking heeft, nóg de beschikking heeft, over een geestvonk- of oertype-atoom.

Het zal u duidelijk zijn dat, zoals het oertype zich cultiveert en in majesteit uitbreekt naarmate de mens het pad van onvergankelijke glorie gaat, het oertype daarentegen tot volkomen latentheid zal verzinken wanneer de mens in de Adamitische openbaring ondergaat. En dat is met de mens van deze wereld het geval! De drieheid: God – oertype – mens is, met betrekking tot de natuurgeboren mens, een gebroken realiteit geworden, want hij leeft niet uit de radiatiekracht van zijn oertype, doch ‘uit de wils des mans, uit de wil des vlezes’ zoals de proloog van het Evangelie van Johannes het uitdrukt.

Dit betekent dat zijn microkosmos in stand wordt gehouden door het dialectische proces van geboorte en dood, door de wielwenteling binnen zijn gevangenis. Dientengevolge is de licht- en krachtradiatie van het oertype uitgevallen en is het oertype-atoom in zijn borst donker geworden: het eeuwige vuur in de mens is gedoofd. Tussen God en mens gaapt een wijde kloof. De mens is voor zijn openbaring afhankelijk geworden van een tegennatuurlijk instandhoudingsproces, dat nochtans voor hem nu zeer natuurlijk en noodzakelijk is, en hij is door de tegennatuur en als gevolg van zijn fundamentele degeneratie overgeleverd aan het elektromagnetische veld van hem vijandige natuurkrachten.

Als de Universele Broederschap deze verzonken mens, die toch eenmaal een kind Gods was, wil helpen, wat moet er dan gebeuren? Dan moet er worden getracht de oude drie-eenheid: God – Oertype – mens te herstellen. Dit kan echter niet tot stand worden gebracht door zonder meer het oertype te belevendigen. Indien dat zou geschieden, zou er van het oertype een grote kracht uitgaan, het oertype-atoom zou met geweld gewekt worden en de uitwerking daarvan zou de betrokken mens binnen een seconde doden. De verbroken eenheid kan evenmin worden hersteld door een geforceerde belevendiging van het oertype-atoom in het hart. Een dergelijke methode zou een zelfde dramatisch gevolg hebben.

Daarom rest de Broederschap niets anders dan voor het hulpeloze, verzonken godskind tijdelijk de functie èn van het oertype èn van het oertype-atoom over te nemen. De Broederschap geeft zich voor de mens letterlijk als intermediair, als middelaar. Zij bedt hem in een krachtveld wanneer hij in zijn dialectische wanhoop als dood gelopen is. Dit krachtveld is eerst geheel en al een met hem en het straalt van een grote mildheid, een intense liefde, het wil ‘de tranen van zijn ogen wissen.’ En als er dan zo enige rust over hem gekomen is, komt het krachtveld in beweging en brengt een andere, een nieuwe verontrusting over hem. De mens is één mijl met de Broederschap gegaan, nu snelt zij hem één mijl vooruit. En u begrijpt dat het losmakingsproces begonnen is: de microkosmos moet uit het knekelhuis der verstening worden weggebroken.

Daarom wordt de weg die de School met haar leerlingen gaat, gekenmerkt door een voortdurend aangrijpen en voortstuwen, van kring tot kring, met steeds andere perspectieven en werkelijkheden. En indien u het pad van de School gaat, klinkt eens tot u het woord: ‘Het is u nut dat ik heenga, en ik zal u de Trooster zenden. Die zal tot u spreken in mijn naam.’

Wie is de Trooster, de Heilige Geest? En wat wordt er met zijn komst aangekondigd? Het is het glorieuze moment waarop het oertype-atoom weer enigermate zelfstandig begint te werken en dus ook het moment waarop, na de lange voorbereiding door de Middelaar, het oertype zelf in zijn aardkring weer tot leven komt, zodat dus principieel en fundamenteel God zijn kind opnieuw aanraakt. Wat God wil, is door de Zoon gewekt en gaat nu in de Heilige Geest wassen. Dat dit wassen een volledig transfigureren is, zal na al het voorgaande wel duidelijk zijn, want niets van de dialectische mens kan gehandhaafd blijven. Er moet een geheel nieuwe mens geboren worden.

Wat er in de leerling geschiedt als het oertype-atoom weer gaat werken, hebben wij hierboven reeds uiteengezet: via het nieuwe thymushormoon en de kleine bloedsomloop wordt de leerling gedwongen tot een geheel nieuwe denkwerkzaamheid. En door deze vervaardigt de leerling, na zeer vele fouten en na vele parten die de oude Adam hem speelt, het beeld van de onsterfelijke mens.

U begrijpt nu wellicht wat dit voor een beeld is. Het is een steeds zuiverder wordende projectie van het oertype, als basis voor de nieuwe mens die komen moet. Dit beeld van de onsterfelijke mens staat, via het oertype-atoom, direct in verband met het oertype zelf en daardoor ook met de Gnosis. Het is het plan van de Grote Architect, dat aldus vlakbij en in de leerling wordt gebracht. Het zal duidelijk zijn dat er nu grote krachten voor de kandidaat worden vrijgemaakt.

Het elektromagnetische veld, dat hem zo lang vijandig was, omdat hij uit de tegennatuur was, wordt nu voor hem een schone harmonie. Dit veld en dat van de Broederschap glijden nu in elkaar over als een volkomen eenheid. God en Mens hebben elkaar weer gevonden en het schepsel gaat voort van kracht tot kracht en van heerlijkheid tot heerlijkheid.

U zult begrijpen dat deze verheerlijking niet slechts betrekking heeft op de kandidaat zelf, doch ook op de aardkring van de oertypen, want een oertype werd daarin vrijgemaakt en opnieuw belevendigd. Naar mate nu deze aardkring aldus verheerlijkt wordt, zullen ook de natuurkrachten zich in versterkte mate doen gelden. Doch in overeenstemming daarmee zullen ook de tegenstellingen in de tegennatuur toenemen en zal, Gode zij dank, aldus de dag van het grote einde worden verhaast.

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS