Er is geen brug tussen natuurmens en geestmens – hoofdstuk 5 uit ‘De komende nieuwe mens’

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt het vijfde hoofdstuk uit De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens in kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

Wij hebben nu in enkele hoofdstukken (1, 2, 3 en 4) de komst van een geheel nieuw mensentype bij u ingeleid. Deze inleiding was nog niet geheel volledig, doch het lijkt ons goed, alvorens onze uiteenzettingen te vervolgen, een samenvatting van het besprokene te geven en enige noodzakelijke conclusies te trekken.

U zult dan wellicht begrepen hebben dat de dialectische mens is toegerust met een drievoudig bewustzijn, met een drievoudig ik. Het is dan ook volstrekt noodzakelijk, dat u, wanneer u uw medemensen in hun doen en laten gadeslaat en verplicht bent contact met hen op te nemen – hetgeen natuurlijk ieder ogenblik het geval is – steeds kunt vaststellen met welk ‘ik’ van de drie u op dat moment te maken hebt. De drie bewustzijnstoestanden in de mens zijn niet slechts figuurlijke of filosofische onderscheidingen, doch zij zijn volstrekt wetenschappelijk, organisch aantoonbaar.

Ten eerste is er een volkomen centraal bewustzijn, of ik, gezeteld in het hoofdheiligdom. Dit bewustzijn maakt gebruik van de hersencentra en is uit de bewerktuiging daarvan te verklaren. Al uw intellectuele vermogens, of de training daarvan, vloeien uit de activiteit van dit ik voort. Het is dus in staat de waarden van het leven, zoals zij zich aan dit ik voordoen, verstandelijk waar te nemen, daaruit verstandelijke conclusies te trekken en verstandelijk tot besluiten te komen.

Het bewustzijn van het hoofdheiligdom is voorts toegerust met een wilsvermogen. De vibratie die van dit wilsvermogen uitgaat zet het bloed, de zenuwen en de spieren tot handeling aan. Zo kunt u uit de toerusting van dit bewustzijnscentrum volkomen begrijpen dat er vele mensen zijn die primair door dit bewustzijn geregeerd worden; die uit hoofde van erfelijkheid of training vrijwel geheel onder de leiding van dit bewustzijn staan. Is dit het geval dan spreken wij, om dit type aan te duiden, van de intellectuele mens.  Tot een klasse van dit centrale hoofdbewustzijnstype behoort onder andere de mens die wij hebben leren kennen als de occultist.

De tweede bewustzijnstoestand nemen wij waar in het hartheiligdom. Principieel werkt ook dit bewustzijn onafhankelijk van de twee andere. Organisch zetelt het in het zevenvoudige hart, doch u dient goed te begrijpen dat dit bewustzijn niets te maken heeft met het geestvonkatoom in de rechter hartkamer.

Het centrale bewustzijn van het hartheiligdom bespeelt alle registers van het menselijke gevoelsleven. U moet duidelijk inzien dat het gevoelsleven een volmaakt bewustzijnsinstrument is, dat onafhankelijk, bijvoorbeeld van het hoofdheiligdom, kan functioneren. Inderdaad kan de mens ‘denken’ met het hart. Doch het woord ‘denken’ wekt direct associaties op met het verstandelijke vermogen. Het is daarom misschien beter te zeggen dat het hartbewustzijn in staat is geheel het leven en zijn onderscheidene factoren waar te nemen en te overwegen en naar aanleiding daarvan tot besluiten te komen.

Het bewustzijn van het hartheiligdom is eveneens met een wilsvermogen toegerust, dat wij kunnen aanduiden als emotie, ontroering, bewogenheid of sentimentaliteit. Ook door de vibratie van dit wilsvermogen wordt de mens tot handeling gedreven. Mensen die primair uit het centrale hartbewustzijn leven noemen wij mystici, tot wie onder anderen diegenen gerekend moeten worden die geheel in het natuurreligieuze leven staan.

De derde bewustzijnstoestand is gezeteld in het bekkenheiligdom, of, nauwkeuriger gezegd, aan de top daarvan. Het is organisch verbonden met het lever-zonnevlecht-miltsysteem, waarover reeds uitvoerig werd gesproken. Het centrale buikbewustzijn is het meest fundamentele van de drie natuurego’s. Het bepaalt het karakter waarmee de mens ter wereld komt. Al uw verborgen of naar buiten tredende neigingen en uw gehele karma zijn in dit ego vastgelegd. Het ik van het lever-miltsysteem oefent een krachtige, overheersende invloed uit op de twee andere ego’s, en het is met dit ik dat de mens ’s nachts uittreedt en nachtelijke ondervindingen opdoet.

De ego’s van hoofd en hart kunnen dialectisch tot aan natuurlijke, wetmatige grenzen worden gecultiveerd, maar het ego van de buik kan aan geen enkele cultuur worden onderworpen. Dit ego is de echte dialectische mens, die verplicht is zijn ware zelf onverbloemd, als naakt, te tonen. En daar dit ego zichzelf niet durft te vertonen, verbergt het zich meestal achter de al of niet gecultiveerde schijn van de hoofd- en hartcentra. Dan horen wij soms zalvende en verheven taal, overvloeiend van verstand en mensenmin, doch daarachter schuilt het loeiende oerbeest dat zich kromt voor de sprong.

Ook het buikbewustzijn beschikt over een volkomen toegerust deductief vermogen in de structuren van de zonnevlecht en het beschikt ook over een wil. De wil van het buikbewustzijn noemen wij drift, en wij weten allen dat de mens die door deze drift wordt gedreven, eveneens tot handeling komt. Wanneer een mens primair en volkomen ongebreideld uit het derde ego leeft, vertoont hij het type van de oermens, de echte, ongegeneerde natuurmens, de brute materialist, de grove inbezitnemer.

Bij enig nadenken zal u duidelijk worden dat alle dialectische geëxperimenteer op het gebied van beschaving, cultuur, religie en magie te verklaren is uit een ontelbaar aantal pogingen om orde en evenwicht te brengen in de werkingen en aanzichten der drie natuurego’s. Doch u zult tevens begrijpen dat juist hierdoor een overgrote mate van onwaarachtigheid wordt gewekt, en ook dat er aldus ontzaglijke, schier ondraaglijke spanningen in ieder mensenleven tot ontwikkeling komen. 

Alle ziekten die de mensheid teisteren vinden dan ook in deze disharmonie en de spanningen tussen de drie ego’s van hoofd, hart en buik hun oorzaak. Als de oerinstincten van de mens losbreken, vervalt hij tot levenshoudingen die dermate verschrikkelijk zijn, dat een algemeen demonisme volkomen de overhand verkrijgt. In iedere mensheidsperiode trachten de menselijke leiders dit fundamentele gevaar te bezweren door de hoofd- en hartego’s te onderwerpen aan allerlei opvoedingsmethoden. 

Zodra echter het individualisme, de zelfhandhaving, de bestaansnormen, in het gedrang komen – en dat is in de dialectiek een natuurwet – grijpt, krachtens zijn wezen, het derde ego in. Dus wordt de wereld een loeiende hel en de mens een verscheurend dier uit de wildernis. Alle pogingen van hoofd en hart om deze toestand te bedekken, te verbloemen, weg te redeneren of weg te mijmeren, kunnen de realiteit niet wegliegen: er is geen brug tussen natuurmens en geestmens.

De natuurmens is toegerust met drie bewustzijnsaggegraten, waarvan er twee als ‘veiligheidsklep’ moeten dienen voor het derde, fundamentele bewustzijn. Doch dit alles blijkt, gezien de natuurlijke levensuitkomsten, niet voldoende: óf een intense catastrofe breekt zich baan, óf een dramatische ontreddering. Het einde is in ieder geval de dood en de gestage wielwenteling van de dialectiek. Wie de dialectisch-menselijke bewerktuiging objectief bestudeert en tenslotte de wanhoop van zijn conclusies ondergaat, geeft daarmee – als de wanhoop duidelijk aangetoond kan worden – het bewijs van een uiterst merkwaardige werkzaamheid in zijn stelsel.

De mens is een natuurwezen; zijn gehele levensstelsel is uit deze natuur te verklaren en heel zijn levensbeweeg is uit zijn eenheid met deze natuur. De smart, de pijn en de droefheid van de natuurmens vloeien dan ook niet voort uit de wanhoop van de godsvervreemding, doch uit de tegenstand die hij in zijn natuurlijke ontwikkeling ondervindt. Zoals het konijn zijn doodsgil uit wanneer het besprongen wordt door de hermelijn, zo schreeuwt de mens zijn bestaanskreet wanneer zijn natuurlijke loop wordt gestuit door ziekte of door burgerlijke moeilijkheden. 

Bij onderzoek zult u ontdekken dat u iedere willekeurige mens kunt overtuigen van de dialectiek en haar wetmatigheid, maar dat hij ze in wezen in het geheel niet erg vindt. Hij vindt ze heel gewoon, ja, vaak zelfs heerlijk. Immers, de dialectiek is geheel in overeenstemming met zijn ware, natuurlijke staat. Hij vindt de strijd naar de natuur een echt menselijke en mannelijke aangelegenheid. De moderne samenleving, die momenteel de wereld regeert, is geheel uit deze strijd en uit deze wet opgerezen.

In deze staat van natuurwezens ondergaan de mensen slechts de wanhoop dat de wereld niet functioneert zoals zij dat wel wensen, zoals zij ook de wanhoop ondergaan van een economische ineenstorting. U mag u dan ook niet vergissen als deze mensen, eventueel vol van religieuze sentimentaliteit, hun klaagzangen zingen vanwege deze boze wereld. Want zij vinden deze wereld slechts boos, omdat zij niet verkrijgen wat zij wensen. 

Daarom moet u ook bij u zelf eens goed nagaan of u misschien tot de School van het Gouden Rozenkruis komt, of gekomen bent, omdat u een teleurgestelde bent naar de natuur dan wel of u zich werkelijk een vreemdeling in deze wereld weet en de wanhoop van de godsvervreemding u aan de ziel knaagt.

Als dit laatste het geval mocht zijn, dán is er sprake van de uiterst merkwaardige werkzaamheid in uw stelsel waarop wij hiervoor doelden. Uw verontrusting is dan namelijk te verklaren uit de werking van het geestvonkatoom. Als een mens dit atoom nog bezit en het door de Gnosis tot bewogenheid kan worden gebracht, gaat in vervulling het woord: (Ontleend aan: E.J. Welz en C. van Dijk, Tao, universeel bewustzijn – Teh, universele bewustwording, 669 parafrasen op de Tao Teh King van Lao Tse, strofe 81)

Wij willen naar Uw groote wijze voorbeeld leven,
verbonden als atomen, die saâm ons ego zijn.
Wij willen naar bewustzijn van dat ego streven,
totdat ’t atoom erkent: ‘ik lijd in ’t ego pijn.’

Dit pijnlijden van het geestvonkatoom in het gewone aardse natuurwezen, dáár gaat het om: alleen die pijn, alleen die smart, is bevrijdend. Wie iets van die smart kent, weet dat deze striemen hem tot genezing zijn; want uit deze smart ervaart de ware leerling dat de Gnosis hem of haar heeft gevonden. Wie smart lijdt naar de natuur, brult gelijk het dier in het woud. Maar wie de smart lijdt van de geestelijk gegrepen mens, die wordt een vreugdevolle, want:

Zóó licht de Groote Lamp in ’t Al-bewuste denken
Als oorzaak in zich zeve – O goddelijke kracht,
Wil ons als Uw atoom in uwe lichtglans drenken,
Breek door de duist’re stof, hef op ons uit den nacht.

Wie aldus ‘in het ego pijn lijdt’, als gevolg van het gewekt zijn van het geestvonkatoom, vangt het proces aan waarvan wij reeds hebben gesproken en dat letterlijk en lijfelijk de doodsklok beduidt voor de drie dialectische ego’s. Zoals u nu weet wordt uit het geestvonkatoom het klare beeld van de onsterfelijke mens geboren, die uiteindelijk de mentale conceptie doet inbreken in het lever-miltsysteem om de sleutelstelling van het dialectische natuurwezen aan te tasten.

Eerst wordt het hartheiligdom door het geestvonkatoom tot nieuwe, bevrijdende werkzaamheid gedwongen. Het centrale hartbewustzijn wordt dus als eerste uit zijn natuurstaat verstoten. Door een nieuwe mentale werkzaamheid wordt vervolgens het centrale hoofdbewustzijn aan de stroom van de vernieuwing geketend. Ten derde moet het beeld van de onsterfelijke mens ingaan in de milt-leversluis om het derde ego aan te tasten; dan wordt de bijl gelegd aan de wortel van het dialectische bestaan. 

Als de leerling met deze derde werkzaamheid begonnen is, gaat hij zich zeer concreet gereed en geschikt maken voor het nieuwe, komende menstype. Dan wordt hij organisch gereedgemaakt om de Christus te ontmoeten in de wolken van de hemel. Dan zal het woord werkelijkheid worden: ‘De dood is verzwolgen in de overwinning (1 Korinthe 15).’ 

Als u evenwel het geestvonkatoom niet bezit, of als het nog niet door de Gnosis in u tot een vuur ontstoken is, dan zult u van al onze mededelingen en overwegingen slechts intellectueel of mystiek kennis nemen, al naar de neigingen van het eerste of tweede ego in u. In diepste wezen zal alles u dan echter niets zeggen en niets doen: u zult er niet door in beweging komen. 

Doch wanneer u, mét ons, naar het geestvonkatoom, in het ego pijn lijdt, en aldus het licht van de Gnosis een lamp voor uw voet geworden is, zal iedere verhandeling die vanuit de Geestesschool tot u komt, een zeer bijzondere kracht in u doen. Ieder woord zal dan direct tot uw geestvonkatoom, dat in het hartebloed begraven ligt, spreken. Door de wondere eigenschappen van de geest zal het u gegeven zijn ieder woord te proeven, direct als waarheid te herkennen. Als zodanig zal het een ongekende kracht in uw bloedsbaan vastleggen. Aldus zal methodisch het werk des Heren, het werk van de Universele Broederschap Christi, in u bevestigd worden. In dit licht moet u het woord van Paulus verstaan:

Daarom, mijn geliefde broeders, wees standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende dat uw arbeid niet tevergeefs zal zijn.’

‘Het werk des Heren’ in deze zin is niet de een of andere pastorale arbeid, die de School van het Rozenkruis voor u verrichten zou, doch de methodische arbeid die in u en voor u door de Gnosis verricht wordt. Deze werkzaamheid, door de Broederschap in u en voor u ondernomen, is geen arbeid waarvan u onkundig blijft, het is geen automatische bevrijding waarin u opgenomen bent, doch uw gehele, in het ego pijn lijdende, geestvonkatoom moet aan deze arbeid intelligent meebouwen. Daarom, u leerling op het pad, wees standvastig en onwankelbaar!

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *