De onvermijdelijkheid van de kruisgang – hoofdstuk 12 uit ‘De komende nieuwe mens’ van Jan van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt het twaalfde hoofdstuk uit De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

Nogmaals roepen wij in uw bewustzijn op het beeld van de gestileerde roos, als het symbool van de kosmische zevenheid, de goddelijke Aardeplaneet. U mag hierbij niet denken aan de zeven planeten van ons zonnestelsel, noch aan diverse sferen van het menselijke levensveld, doch u dient hierin uitsluitend een aanduiding van de heilige, goddelijke Aarde te zien, zoals ze verborgen was, en tot op dit uur is. Het betreft hier een stelsel, dat men het best kan omschrijven als een systeem van zeven in elkaar wentelende bollen, met een gemeenschappelijk hart.

Het is begrijpelijk dat de ouden een bloem kozen, een reine roos, lelie, of lotus, om een schone verbeelding te geven van deze eeuwige, goddelijke werkelijkheid. Soms zien wij één bloem, dan weer een krans van zeven bloemen, die steeds de ene idee uitdragen: de goddelijke, zevenvoudige Aarde, wordende en eeuwig zijnde uit de oergrond van het al.

En zoals de ware Aarde is, zo moet ook de ware Mens zijn. Daarom duidt de heilige bloem niet slechts op de macrokosmos doch ook op de microkosmos. Om de gevallen microkosmos weer in zijn oorspronkelijke staat te brengen, moet de mens twee processen doorstrijden en doorleven, moet hij twee wegen gaan: een weg van afscheid, van verbreking, van een totaal enduristisch sterven, voorgesteld door een horizontale balk; èn een pad van nieuwe opgang, nieuwe wording, wedergeboorte, transfiguratie, voorgesteld door een verticale balk. De bloem, de roos, zal dus met het kruis een eenheid moeten vormen.

De verticale balk van het kruis staat met zijn voet in het duistere aardediep geplant, ten bewijze van het glorieuze feit dat het pad van transfiguratie inderdaad in het hier, in de donkere holen der dialectiek, kan worden aangevangen.

De horizontale balk van het kruis, de weg van natuurverbreking, bezit geen directe binding met de natuurgrond der dialectiek. Immers, dit afscheid is zeer tegennatuurlijk, het wordt een dwaasheid geacht. Doch wat naar de maatstaven der gewone, natuurlijke bezinning een volstrekte dwaasheid is, wordt een goddelijke wijsheid wanneer u de weg van het endura bewandelt.

De handen van de mens zijn vóór alles directe organen van handeling. Als de kandidaat der Christusmysteriën het pad van het endura gaat, wordt procesmatig zijn dialectische, natuurlijke handelen gestaakt; dan worden dus zijn handen aan het kruis genageld. Dan kunnen zijn voeten het gewone doen van alle dag niet meer volgen. Zijn voet wil het nieuwe pad gaan, het verticale pad van opstanding, van herrijzenis; en dus is ook zijn voet naar de oude natuur geklonken aan het hout.

In het hart van het kruis dat de kandidaat in zichzelf heeft opgericht, ontluikt een bloem, de wonderbare bloem, ‘het kostbare juweel in de lotus’, het geestvonkatoom, een der kleinste atomen, onvoorstelbaar klein, zoals in het zaad van de bloem het embryo van de gehele plant, van heel de komende wording, onvoorstelbaar klein aanwezig is. En de kandidaat juicht: ‘O kostbaar juweel in de lotus’ – o roos die aan het kruis ontbloeit; ‘Eloi, Eloi, lama sabachtani’ – o Elohim, hoe hebt gij mij verheerlijkt. En tenslotte klinkt de bevrijdingsroep: ‘Consummatum est’ – het is volbracht.

Dit alles moesten wij u nog eens zeggen, om u scherper dan ooit te richten op het ene doel van de Geestesschool. U mag, ter ondersteuning van uw voorstellingsvermogen, wat ons betreft spreken van roos, lelie of lotus, of hoe u ook wilt, als u maar aan dit ene doel vasthoudt: terugkeer tot de goddelijke Aarde, het Onbeweeglijk Koninkrijk, via de tweevoudige weg van verbreking en opstanding.

Reeds eerder hebben wij u trachten uiteen te zetten dat het dialectische levensveld geen volstrekte eenheid is, doch slechts een geïsoleerd deel van de kosmische zevenheid. Vanuit dit isolatieveld, vanuit deze macrokosmische quarantaine-inrichting moet de mens, die weer tot zijn oorspronkelijk tehuis wil terugkeren, de twee wegen gaan die het kruis wijst. Dan zal hij een vrijgemaakte zijn, een losgekochte, en ten bewijze daarvan zal de roos gaan bloeien.

Na alles wat werd besproken, nemen wij aan dat u thans duidelijk is dat er twee levensvelden zijn: het levensveld der gevangenschap en het levensveld der oorspronkelijkheid. Deze twee levensvelden bezitten beide een elektromagnetisch veld en een atmosfeer. En u weet dat zowel de elektromagnetische als de atmosferische condities worden bepaald door werkingen der natuurkrachten, terwijl deze laatste op hun beurt weer worden bepaald door de aard van het leven dat in het betrokken levensveld zijn uitdrukking vindt.

Alle mensen ondervinden de elektromagnetische aantrekking van het dialectische isolatieveld waarin zij vertoeven. Door de zwaartekrachtwerking van dit veld worden zij hier gevangengehouden. Deze werkingen zijn de muren van hun aardse cel. Binnen deze cel is een atmosfeer aanwezig die natuurwetmatig met hun toestand-van-zijn in evenwicht is, hetgeen tevens een genade is, want zou de voor hen geëigende atmosfeer wegvallen, dan zou blijken dat zij elke organische geschiktheid voor een andere atmosferische conditie missen en daarin dus niet zouden kunnen leven.

Als u dit alles inziet, stellen wij een paar belangrijke vragen: Wordt u ook door het andere, oorspronkelijke elektromagnetische veld aangetrokken? Ademt u misschien ook ten dele in de goddelijke atmosfeer, die tot dat veld behoort? Hebt u, zoals u kennelijk de zwaartekrachtwerking van uw isolatieveld ondervindt en de atmosfeer daarvan met iedere ademtocht indrinkt, ook ondervinding met betrekking tot de zwaartekrachtwerking van de Gnosis en haar oorspronkelijke prâna?

Op deze vragen moet het antwoord gedecideerd luiden: ‘Volstrekt niet! Geen sprake van! Volkomen uitgesloten!’

Misschien dat u zich door dit antwoord geschokt voelt, doch de Broederschap wenst u met de grootste nadruk voor dit antwoord te plaatsen, om alle eventuele mystificaties bij u weg te nemen. Schijnbaar is dit antwoord in tegenspraak met de feiten, want u zou kunnen opmerken dat alle grote afgezanten van de Gnosis de verlossende krachten van het Onbeweeglijk Koninkrijk als het universele geneesmiddel tot de mens hebben gebracht. En u zou, al bladerend in de wereldliteratuur, menig citaat tegen ons standpunt kunnen aanvoeren.

Toch moeten wij u aanraden dit probleem met grote nuchterheid onder ogen te zien en in de wilde tuimeling van uw opvattingen eens grote schoonmaak te houden. Velen, ja ontelbaren in dit bestaansveld zeggen van Christus te zijn, met Christus te wandelen, Hem te zien, Hem te bezitten. Zij praten dagelijks over Hem, met inderdaad grote ernst, doch zeer nadrukkelijk onthouden zij u het meest voor de hand liggende en directe bewijs daarvan, namelijk het bewijs van totale ‘verandering voor onze ogen’, zoals de Bijbel het noemt. Immers, zodra een mens binding verkrijgt met het elektromagnetische veld en met de atmosfeer der kosmische zevenheid, zal zich onmiddellijk een verandering inzetten van fundamentele en structurele aard, en zal zich een ongeschikt worden openbaren om zich in het isolatieveld te handhaven.

Wanneer de mensheid in haar geheel, en de leerlingen staande in de Voorhof van het Rozenkruis, op zeker moment getroffen zouden worden door de zwaartekrachtwerkingen van het Onbeweeglijk Koninkrijk, zouden zij daaraan niet kunnen beantwoorden, daarop niet kunnen reageren, en deze aanraking zou dan ook niet minder dan catastrofaal zijn.

Bent u dan niet het voorwerp van een gnostieke bemoeienis? Ongetwijfeld, doch deze bemoeienis mag u niet zien als een aantrekken, doch wel als een geroepen worden. De Universele Broederschap, die voor de gevallen mensheid werkt, komt nimmer tot haar met het elektromagnetische potentieel van de kosmische zevenheid. In de eerste plaats omdat deze invloed gevaarlijk zou zijn voor het fundamentele wezen van de dialectische staat, zodat het doel aldus niet bereikt zou worden, daar de betrokkenen in geen enkel opzicht een geschikte organische toestand bezitten om in een andere staat-van-zijn op te gaan. En in de tweede plaats omdat een magnetische invloed, uitgaande tot een mens die daaraan fundamenteel niet kan beantwoorden, altijd een factor van dwang, van overmacht, zou betekenen en dientengevolge aanleiding zou geven tot een handeling die niet in overeenstemming is met de ineigen staat.

De Broederschap verlangt van u niets wat u niet kunt. Zij wenst geen dwang op u uit te oefenen. Zij wil u niet forceren. Daarom ‘roept’ zij u. Zij roept u tot zelfvrijmetselarij en zij mag en kan u slechts helpen naarmate u tot zelfverbreking overgaat. Als u met haar één mijl gaat, zal zij u voor de volgende mijl licht en kracht geven. Doch let erop dat, ter wille van zijn eigen behoud, niemand van zelfhandeling ontslagen kan worden.

Het roepingswerk van de Universele Broederschap heeft betrekking op een wonderlijke radiatie in het menselijke bestaansveld. Het is een radiatie waarin, het zij nog eens met nadruk gezegd, elk magnetisch element, iedere factor van dwang, afwezig is. Toch laat deze stralingskracht geen enkele geestvonkatoomentiteit met rust, want het geestvonkatoom heeft met deze radiatie polariteit. Daarom ontstaat er door deze werkzaamheid een voortdurende bewogenheid, een voortdurend zich geroepen weten, een gewekt worden.

Zoals een radio, op een bepaalde golflengte afgestemd, het uitgezondene reproduceert, zo is het geestvonkatoom, krachtens zijn wezen, bij voortduring afgestemd op deze broederschappelijke kosmische trillingen, die het in het eigen stelsel reproduceert. Deze vibraties zijn alom in de natuur van het isolatieveld aanwezig. Zij spreken een bijzondere taal tot een ieder die er vatbaar voor is. En in alle tijden zijn er broeders en zusters tot de mensheid uitgegaan om deze taal te vertolken, begrijpelijk te maken, om de zin van het roepende licht te verklaren, en tevens om daardoor de werkzaamheid van deze kosmische stralen krachtiger te maken.

Zo zult u zich kunnen voorstellen dat vele miljoenen in deze wereld aldus in de volle zin des woords ‘geroepenen’ zijn. Verreweg de meeste leerlingen der Geestesschool ondergaan deze roep bewust. Geroepen te worden, zich geroepen te weten, dit tot in iedere vezel van het wezen te ondergaan, brengt natuurlijk, naast al het andere, een intense blijdschap met zich en een grote zekerheid, namelijk de zekerheid een geestvonkatoom te bezitten. Maar hierin schuilt tegelijkertijd een enorm gevaar; het gevaar van het ontwikkelen van een vals mysticisme en van de ontzaglijke begoocheling die daarvan kan uitgaan.

Onderstel dat u zich geroepen weet. De roep te ervaren, hoe verheugend ook, is op zichzelf nog niet bevrijdend. Het wijst slechts op een typische organische toestand in uw persoonlijkheid. U bezit het geestvonkatoom, het waterstofbeginsel in uw hartheiligdom, en u móet dus reageren op de bedoelde kosmische stralen. Er zijn talloze mensen die zich incarnaties lang daartegen verzetten, die de ineigen toestand wegliegen en zich vastklemmen aan de dialectische natuur. Doch er zijn ook tallozen die, in reactie op wat hen beroert, zich verliezen in het valse mysticisme. Wat is hieronder te verstaan?

Stel, dat ge uw roeping van Godswege ervaart en dat u daarvan spreekt en zingt en dicht en er op nog andere wijze van getuigt, doch voor het overige volkomen de mens blijft die u altijd geweest bent. Dat u voortdurend spreekt: ‘De Heer heeft mij geroepen’, maar er wel voor zorgt stevig op de oude plaats te blijven. Dát is vals mysticisme! Dat een leerling met een gemakkelijke vloed van woorden over zijn roeping spreekt, of met een verzaligde glimlach over de Broederschap bazelt, over hetgeen hij in het hart voelt en over het inzicht dat hij verkrijgt — maar ondertussen niet de minste verandering in zijn levenshouding brengt. Dát is vals mysticisme!

En zoals een spinnende poes plotseling in zelfverdediging haar klauw kan uitslaan en vol venijn haar nagels in het vlees van haar slachtoffer graaft, zo zal menigeen die zich aan vals mysticisme overgeeft vol afwijzing en verontwaardiging uitbarsten en protesteren, als men hem of haar zegt dat een geroepen worden een gaan van het pad veronderstelt. De Gnosis vraagt uw gehele zelf, het opgeven van uw gehele gehechtheid aan deze natuur. Zij vraagt als antwoord op haar roep het offer van uw ik en de daadwerkelijke bewijzen daarvan. Het valse mysticisme bestaat in de grote vergissing, zich door roeping reeds gearriveerd te wanen. Roeping is echter slechts een organisch begin, een soort organische predispositie voor de bedoelde kosmische stralen.

De geroepene die het gaan van het pad afwijst, valt onvermijdelijk ten prooi aan de talloze negatieve stromingen die erop uit zijn zulke mensen blijvend aan het wiel te ketenen. Alle natuurreligie draagt dit karakter en geeft voedsel aan de ik-drift. Daarom kunt u de bedoeling begrijpen van Jezus de Heer, toen Hij sprak: ‘Velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren.’

Eerst wanneer een geroepene gáát, consequent, op basis van zijn fundamentele toestand, en hem het roepende licht, zoals besproken, een lamp is voor zijn voet, komt er een moment van eerste aanraking door het elektromagnetische veld van de kosmische zevenheid. Eerst dan ontstaat er een trekken, een gegrepen worden, een uitverkoren zijn, dat wil zeggen: een nieuw stofwisselingsproces binnengaan. Er is dan ook geen sprake van dwang, noch van enig gevaar, of van een ontijdige geboorte in het nieuwe leven, doch dan gaat in vervulling wat in de gelijkenis wordt gezegd: ‘De Vader ging uit hem tegemoet en nam hem in zijn armen.’ Dan is de verloren zoon teruggevonden. Hij ging daartoe de twee wegen van het Rozenkruis: de weg van verbreking en die van opstanding. Het kostbare juweel in de lotus straalt in de volle luister van een nieuwe morgen. De kandidaat is opgestaan in het nieuwe leven. Tot deze opstanding wordt iedere geestvonkentiteit geroepen.

Tenslotte nog een enkel woord over Openbaring 17. Daarin wordt gesproken over de kosmische revolte, over de bewogenheden die hiermee verbonden zijn en over de overwinning van het Lam. En dan wordt er in het veertiende vers gezegd, dat in die overwinning zullen delen: de gelovigen, de geroepenen en de uitverkorenen.

De gelovigen zijn zij, die hoewel geroepen, zich daarvan nog niet volkomen bewust zijn, maar toch spontaan reageren door de Geestesschool van binnenuit te naderen. De geroepenen zijn zij die zich bewust worden van hun staat-van-zijn en, wakker wordend, het besluit nemen tot terugkeer. De uitverkorenen zijn zij die het pad gaan van het kruis en als herborenen in de nieuwe morgen ontwaken.

Op welke van deze drie trappen u op dit moment ook moge staan, wanneer uw beweegredenen zuiver zijn, uw gerichtheid in overeenstemming is met de eis, en uw reactie in harmonische verhouding tot de grote wet, dan zult u, in de zich in deze wereld doorzettende gespletenheid, aan de kant van de vrijheid staan. Deze vrijheid, die alle verstand te boven gaat, bidden wij u toe.

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *