De twee gestalten in de microkosmos – hoofdstuk 17 uit ‘De komende nieuwe mens’ van Jan van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt het zeventiende hoofdstuk uit De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

Een drievoudig spooksel bedreigt de leerling bij de aanvang van het pad; het spooksel van de twee personen of twee existenties in de microkosmos. Iedere leerling die het pad van transfiguratie wil gaan, zal dit spooksel in drievoudige gedaante ontmoeten.

Ten eerste zal het in de leerling twijfel zaaien, onder andere twijfel met betrekking tot de aard van de wedergeboorte zoals de Universele Leer deze verkondigt en mogelijk maakt, een twijfel die op zeer natuurlijke wijze wordt teweeggebracht. Ten tweede zal, als de twijfel een voedingsbodem in de leerling vindt, ontkenning macht over hem krijgen. En ten derde zal er dan een bedreiging tot onwikkeling komen. Hij zal iedere dienaar van de Universele Leer en iedere activiteit van de bonafide Geestesschool gaan bedreigen, ja móéten bedreigen, uit angst en verzet, uit nood en drift, omdat hij de ineigen stem van het geestvonkatoom wil verstikken.

Het licht van de Gnosis, dat in alle harten schijnt, is voor dezulken zeer hinderlijk. Men zal het wederstaan, het trachten te doven, doch u zult wellicht inzien hoe onmogelijk dat is. Daarom zeiden wij dat zulk een drievoudige activiteit slechts één einde kan hebben: zelfmoord, de geestelijke dood van de misleide leerling en zijn medestanders, toespitsing en versnelling van hun dialectische neergang.

De tragiek van dit drama, dat in alle stonden van de wereldhistorie werd opgevoerd, is zo intens, zo adembeklemmend, en helaas voor zeer velen dermate onafwendbaar, dat het noodzakelijk werd geoordeeld er in waarschuwende en inlichtende zin over te spreken. De leringen en verklaringen met betrekking tot de twee existenties in de microkosmos hebben steeds behoord tot de verborgen zijde van het werk van de Broederschap. Zij werden altijd mondeling doorgegeven aan hen die ze nodig hadden om hun weg te vinden. Doch in de periode der laatste dagen, die de mensheid nu is binnengetreden, moet veel wat tot nu toe verborgen was openbaar worden gemaakt, en wel om de volgende redenen:

Een kosmische revolte brengt met zich dat de mogelijkheden om op het pad te slagen, oneindig veel groter en veelvuldiger worden dan te voren. Dientengevolge zal het aantal kandidaten massaler, en dus de arbeid van de Geestesschool omvangrijker worden. Ging het voorheen om de enkele kandidaat, straks zullen er duizenden zijn die moeten worden geholpen. Deze situatie brengt met zich dat in nieuwe literatuur en vanaf de plaatsen-van-dienst in de tempels waarschuwingen, die voor de leerlingen noodzakelijk zijn, worden overgedragen aan allen die verstaan kunnen. De vorm waarin deze waarschuwingen worden gegoten, zal misbruiken en verkeerde reacties voorkomen.

De leerling dient dan te weten dat er drie grote belemmeringen zijn om het ware pad te vinden:

  • de eerste belemmering is het ik-wezen en alle begoochelingen van de stofsfeer;
  • de tweede belemmering gaat uit van de spiegelsfeer en alle krachten en entiteiten die daarin werkzaam zijn;
  • de derde, en tot nu toe vrijwel onbesproken belemmering gaat geheel uit van de eigen microkosmos en speciaal van het onbekendste deel daarvan, het aurische wezen. De derde belemmering doet zich eerst in volle omvang gelden, als het ernaar uitziet dat de leerling aan de eerste twee zal ontsnappen.

Het aurische wezen hebben wij u reeds eerder doen kennen als een zevenvoudig georganiseerd veld, waarin alle krachten en organen van het microkosmische uitspansel aanwezig zijn. Behalve de gemakkelijk voorstelbare bolvorm heeft het ook de gedaante van een persoonlijkheid, maar dan van veel grotere gestalte dan de aardse persoonlijkheid die u kent, die u bent. Het zal niet moeilijk zijn in te zien dat de aurische persoonlijkheid een lichtwezen is, en daar zij de organen van de lipika draagt kan men in zekere zin terecht spreken van een hemels wezen, een lichtende, sprankelende, machtige, ten minste twee meter grote gedaante, vol van meerdimensionale heerlijkheid.

Aldus moet men zeggen dat iedere microkosmos twee persoonlijkheden kent: een aardse gedaante en een aurische gedaante. Doch u dient goed te begrijpen dat de aurische, hemelse gedaante, met haar bijna cyclopische gestalte en met grote vermogens toegerust, zeker niet mag worden verward met de oorspronkelijke gestalte, die opnieuw in de microkosmos moet worden geboren, en die weer het oorspronkelijke mensenrijk, het Onbeweeglijk Koninkrijk, zal vermogen binnen te gaan. Daarom moet met nadruk worden gezegd dat, zoals de aardse gestalte van de microkosmos door transfiguratie moet worden vernieuwd, dit ook het geval is met betrekking tot de hemelse gestalte.

In de voornamelijk natuurocculte literatuur wordt de aurische persoonlijkheid veelal aangeduid als het hoger zelf, als de ware mens, als de God-in-de-mens, en wordt de leerling aangespoord een volkomen verinniging met dit hogere zelf tot stand te brengen. Mensen met grote sensitiviteit of met mediamieke eigenschappen vangen van tijd tot tijd indrukken van het hogere zelf op of worden er nu en dan mee geconfronteerd. In toestanden van mystiek-religieuze exaltatie wordt het lagere zelf dikwijls door het hogere zelf overschaduwd. De onwetende mens ziet zulke overschaduwingen aan als ervaringen van bijzondere, goddelijke genade, doch in werkelijkheid ziet hij niet anders dan het eigen aurische prototype.

De destijds bekende Therese Neumann, de stigmatalijdster die kind-aan-huis was bij de hemelse maagd en als kerkelijk wonder schier werd aanbeden, was geen slachtoffer van begoocheling of spiegelsfeergreep, doch had een negatief-occulte binding met haar eigen aurische wezen tot stand gebracht. Dát was haar ‘hemelse maagd’! Alle bij mystieke exaltaties opgedane ervaringen met Jezusverschijningen en dergelijke hebben dezelfde oorzaak.

Indien u nu aan de hand van deze inlichtingen uw eigen ervaringen onderzoekt, zult u waarschijnlijk tot de conclusie komen dat ook u wel eens een aanraking van het aurische zelf hebt ondergaan, dat ook u daarvan wel eens wat hebt gezien of ondervonden.

U zult misschien vragen: ‘Waaraan ontleent het aurische wezen zijn glans en heerlijkheid? Waarom is het zo machtig? Wat is zijn aard, doel en wezen? Is dit wezen goed of slecht?’

Om op deze vragen een bevredigend antwoord te kunnen ontvangen, moet u letten op al hetgeen de Universele Leer u reeds met betrekking tot het aurische wezen heeft overgedragen.

Het aurische wezen is onder andere een uitspansel van zinnencentra, krachtmiddelpunten en brandpunten. Al deze beginselen te zamen vormen een eenheid, een vlammend vuur, een samenhang van grote krachten, waarin een bepaald vuur ontstoken is. Een van de uitingen van deze vlammende eenheid is een vurige, lichtende verschijning, waarin u het gigantische beeld van een menselijke gedaante herkent, grotesk, magisch, wonderlijk imponerend.

Een van de andere uitingen van dit grote vuur is de binnen dit uitspansel wordende kleine wereld, de micro-planeet, de aardse mens, het lagere zelf. Uit dit vlammende aurische vuur bent u geworden, door dit vuur wordt u onderhouden. De aurische gedaante vindt dus haar weerspiegeling in uw aardse gedaante, doch wordt op haar beurt door uw bestaansactiviteit gevoed en onderhouden. Het is daarom vanzelfsprekend dat, wanneer u in geëxalteerde aanbidding opziet naar uw microkosmische uitspansel, naar uw eigen microkosmische hemel, uw eigen vuurgod, uit wie u wordt en bent, een antwoord zendt.

En het is even vanzelfsprekend dat, indien u met het ik, met de eigen niet-getransfigureerde kleine wereld, het pad van de goddelijke mysteriën wilt gaan, de aurische vuurgod u in de weg treedt. Immers, uit uw wederzijdse afhankelijkheid volgt dat de ik-centraliteit en zelfhandhaving van het gewone zelf het centraal stellen van het eigen lipikastelsel op voet van wederkerigheid met zich brengt.

Er is dus een god in u: het lipikawezen. Namelijk de schepper van uw onheilige, sterfelijke wezen. Hij is uw schepper, u bent zijn schepsel. Deze schepper kan nimmer loskomen van zijn schepsel, want in hun wederkerige afhankelijkheid zal de ondergang van het schepsel de ondergang van de schepper betekenen. Met andere woorden: het vuurwezen in uw eigen uitspansel is, hoewel het gedaante bezit, in vele opzichten ‘onpersoonlijk.’ Het is slecht voor zover u slecht bent, goed voor zover u goed bent. En het zal worden opgebroken voor zover u in het endura u zélf opbreekt. Als men zegt op het pad te staan, terwijl het lipikawezen nog met al zijn oude kracht leeft, liegt men.

Het vuurwezen van de aura is de Lucifer van de mysteriën, een naam die na al het voorgaande nu duidelijk zal zijn. Als gevolg van de microkosmische processen, veroorzaakt door de staat van de gevallenheid, brandt in de lipika een ongoddelijk waterstofbeginsel in zuurstof, waarbij het vibratiepeil bepaald wordt door stikstof; stikstof is de vertragingsfactor, die het mogelijk maakt dat de microplaneet zich in lagere, aardse koolstof openbaart.

De microplaneet vergaat periodiek, waarop een nieuwe microplaneet in de baaierd van het kleine openbaringsveld tot aanzijn komt. Doch het vuurwezen blijft! Het neemt alle resultaten van het steeds wisselende microplanetaire bestaan in zich op, en zijn gedaante en orgaanstructuren geven daarvan het verslag en dragen de tekenen van ontelbare jaren. Deze tekenen van de microkosmische hemel veranderen bij voortduring, want door de werking van de vertragingsfactor worden vuren gedoofd en andere ontstoken. De aloude brandpunten van de vóór-Luciferische tijd slapen dan ook reeds sedert eonen, omdat zij in het onheilige vuur niet kunnen branden. En de resultaten van deze toestand worden steeds weer in de kleine planeet geopenbaard.

Zo schiet het gehele systeem als een donkerrode flits door de ruimte, als verloren in het al. De mens, gezien als kleine planeet, wordt vergezeld en geleid door de eigen Lucifer, de eigen Satan, de eigen natuurgod. Doch zie nu in dat deze natuurgod in wezen uw ondergeschikte is, uw dienaar, uw liefste vriend, uw imitatie-jezusverschijning, uw hemelse maagd, uw meester. Hij bedient u op uw wenken: u ontvangt wat u bestelt. Roept u het vuur op, u zult branden! Wat u zaait, zult u maaien. Alles wat u was en bent, werd u toebedeeld door uw lipikawezen, door uw hogere zelf, door deze ontaarde projectie van uw ware zelf, door deze natuurgod-in-u.

Het lipikawezen, dat nimmer bedoeld was als de bestaansgrond van uw levenssysteem, schept en onderhoudt dit systeem. De meeste mensen hebben van het lipikawezen een overheerser gemaakt, een vurig duivels monster, een natuurgod die uw misdaden bezoekt tot in het zoveelste geslacht.

De mensen hebben dan ook reden deze aurische geladenheid te vrezen. Zo ontstond de angst, de mateloze angst. En zo kwam uit de angst de natuurgodsdienstigheid voort en het natuuroccultisme. Want de mensen hebben reden te over zich met het eigen hogere zelf, met deze vuurgod, deze drager en uitstraler van hun karma, te verzoenen.

U plengt tranen en u bakt zoete broodjes voor uw god en u roept in uw hart mijmeringen op over het zoeken van het pad. Er gaat dan natuurlijk een zekere zachtheid, een zekere mildheid van u uit. In zulk een toestand kweekt u enige mate van welwillendheid, waardoor natuurwetmatig de stroom van het brandende vuur wordt geremd. De gekweekte zachtheid vertraagt de instroming van het onheil; de natuurgod heeft u geholpen.

Alle occultisme is een methode om een zeker evenwicht te scheppen tussen hoger zelf en lager zelf, om het onpersoonlijke hogere zelf te doen controleren door het lagere zelf. In domheidswaan meent men dan dat er niets meer kan gebeuren. Immers, zo spreekt de verblinde: ‘Ik sta dan zelf aan het stuur en ik kan het bewust dirigeren.’ Als evenwel lager zelf en hoger zelf aldus verenigd zijn, is het gehele wezen, als microkosmisch systeem, reddeloos verloren.

Dit alles zou u angstig kunnen maken, angstiger wellicht dan ooit tevoren. Doch als u goed begrepen hebt wat wij u proberen te zeggen, zal alle vrees van uw wijken. Het aurische wezen zoekt u niet te doden. Zijn werkzaamheid zal slechts dan uw ondergang tot gevolg hebben als u die door een voortgezet ikcentraal leven zelf oproept. Als u zich verhangt aan een touw, is dan het touw oorzaak van uw dood, of bent u het zelf, die de zelfmoord bedrijft?

Wanneer in uw lipikasysteem de werkelijke hemellichten eenmaal werden gedoofd, moet het toch mogelijk zijn door een volstrekte levensommekeer het oude glorierijke uitspansel te herstellen? Daarom is er, zoals er een geestvonkatoom is in het hart, ook een oorspronkelijk geestvonkbeginsel in het uitspansel, als een latente, dode zon. En als nu een mensenkind de weg gaat die in de School van de transfiguristische mysteriën sinds jaar en dag wordt gewezen, dan wordt niet het hogere zelf opgeroepen, dan wordt er geen beroep gedaan op het lipika-uitspansel, dan bestudeert de mens dit uitspansel niet meer, astrologische vrienden, doch dan boort hij zich door deze in onheiligheid brandende hemel heen, en ‘heft het oog op naar de bergen vanwaar zijn hulp komen moet’.

En die hulp komt! Dank zij het feit dat een van de gedoofde lichten van de lipika tot nieuwe glorie ontstoken is, kan het geestvonkatoom in het hart worden aangeraakt, waarop het proces plaatsvindt dat wij reeds zovele malen beschreven hebben. Via de thymus bereikt de geestvonkradiatie het bloed en, via deze levensjordaan, de kern van het Luciferische beginsel in het lagere zelf, de kern van het bewustzijn in het hoofdheiligdom. Als deze twee beginselen elkaar kunnen aanvaarden, wordt Jezus aan de Jordaan gedoopt. Johannes, het gelouterde ik van de natuur, treedt terug en Jezus vangt zijn omwandeling van drie jaren aan.

Wat wordt er met deze omwandeling bedoeld? Het is een procesmatige aanraking van een verdorven microplaneet door een heilige kracht.

In de mythologie van de Bijbel wordt het voorgesteld alsof in de aanvang Jezus in de woestijn komt. Is het aardse zelf geen woestijn, waarin alles wat werkelijk is slechts dorheid en troosteloosheid vindt? Toch moet deze gehele woestijn ‘veertig dagen en nachten’ door de Jezusradiatie worden doorgeworsteld – een beeld van de absolute volheid van deze worsteling, van de beker die tot de laatste druppel moet worden geledigd.

U begrijpt wellicht wat er nu zal gebeuren. De kracht van het nieuwe leven tast uw microplaneet aan. De wisselwerking tussen de microplaneet en het natuurlijke lipikavuur wordt dus reeds onmiddellijk verstoord. Het evenwicht tussen de natuurgod en de dialectische mens wordt verbroken. Indien nu deze dialectische mens tot zijn enduristische dood wordt gestuwd, zal dit onafwendbaar ook de dood van de natuurlipika tot gevolg hebben, het einde van Lucifer, het einde van Satan, de natuurgod in de mens.

Daarom zult u verstaan wat er plaatsgrijpt, daar, aan de ingang van het pad dat vanuit de woestijn tot het ware leven leidt: het lipikawezen valt met al zijn eonenmacht op de kandidaat aan. En hoor nu hoe het gaat:

‘Toen werd Jezus door de Universele Geest naar de woestijn geleid. En nadat hij veertig dagen en nachten gevast had, hongerde hij naar het einde. Toen kwam de Satan tot hem, zeggende: Indien gij een nieuwe mens wilt zijn, beveel dan dat deze stenen broden worden. Krachtens de nieuwe macht, die uw deel is geworden, kunt u toch deze natuur transformeren, cultiveren, en van deze stenen broden maken?’

Het hogere zelf van de natuur tracht de kandidaat terug te houden van zijn uittocht uit deze natuurorde door hem te verleiden de Luciferische natuur aannemelijk te maken.

Doch Jezus antwoordde: ‘De mens zal niet leven van deze natuur, doch uit de kracht en het wezen van het Woord, van de Absolute.’ Jezus wijst de lipikagedaante, die niets anders dan haar natuurlijke zending volvoert, gedecideerd af.

‘Toen nam de Satan hem mee naar de heilige stad en plaatste hem op de tinne van de tempel en zei hem: Bewijs nu dat u een nieuwe mens bent. Werp u neder van boven, ten bewijze dat u de wet van de zwaartekracht overwonnen hebt. Bewijs uw deelgenootschap aan de apostolische kring.’

Het bewijs van het oorspronkelijke kan en mag echter in het aardse niet geleverd worden. Indien de kandidaat zijn macht zou demonstreren, zou dit generlei invloed hebben op de aardse mens. Deze zou zijn staat-van-zijn ontkennen en de kandidaat zou door zijn poging tot overtuiging het bewijs leveren dat hij op de eigen hem weer verleende macht nog niet vertrouwt. Hij zou dus de macht van de Gnosis toetsen, als een zuiver dialectische controle, naar het beginsel safety first. Daarom houdt de kandidaat, tot antwoord op deze verleidingspoging, zich voor: ‘U zult de Heer, uw God, niet op de proef stellen.’

‘Toen nam de Satan hem mee naar een hoge berg en toonde hem al de rijken en heerlijkheden van de dialectische natuur en sprak: Alles zal ik u geven indien u in aanbidding voor mij neervalt.’

Het lipikawezen, zijn volledige bestaan nu absoluut onzeker wetende, plaatst zich in al zijn heerlijkheid, met al zijn macht, voor de kandidaat en biedt hem het hoogst dialectisch bereikbare aan. En nu bewijst de kandidaat zijn vastbeslotenheid, zijn volkomen afscheid van zelfs de formidabelste begoochelingen en spreekt: ‘Ga weg Satan – God alleen zal ik dienen.’

Het lipikawezen doet dus bij de ingang van het ware pad een beroep op de drie natuurego’s van de kandidaat: ten eerste op zijn oude ik-centraliteit, ten tweede op zijn oude moraliteit en ten derde op zijn oude idealiteit.

Blijkt de nieuwe radiatie van de Gnosis in het bloed van de leerling voldoende sterk te zijn, dan zal de Satan van hem aflaten, dat wil zeggen, dan zullen alle lichten van de Luciferische lipika worden gedoofd. De gestalte van het oude hogere zelf vervaagt en de oude, reeds zo lang gedoofde lichten van de pre-mens kleuren zich in het morgenrood van de nieuwe dageraad, en als engelen troosten en verzorgen zij de wordende nieuwe microkosmos. Daarom staat er: ‘Toen liet de duivel van Hem af, en zie, engelen kwamen tot Hem en dienden Hem.’

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *