De zevenvoudige werking van de goddelijke Zon – hoofdstuk 3 uit ‘De komende nieuwe mens’ van Jan van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt het derde hoofdstuk uit De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens in kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

Zoals wij hebben uiteengezet wordt deze duistere wereld en haar sterfelijke mensheid getroffen door een volledig zonnespectrum, een totale stralenbundel van de goddelijke Zon. Het prachtigste symbool van deze goddelijke glorie bezit de mensheid inderdaad in het beeld van de stoffelijke zon en door de gehele wereldgeschiedenis heen hebben dichters, denkers en ingewijden dit begrepen. Denk slechts aan de majesteitelijke figuur van Hiawatha, de held uit Longfellows epos, die wij kunnen zien als een mythische figuur, die het hogere, betere, edele leven der volkeren verbeeldt. Longfellow beschrijft hoe Hiawatha zich bij de dageraad, bij het opgaan van de zon, in gebedshouding zet om zich in bewuste binding te stellen met de Eeuwige, die achter alle dialectische verschijning is en drijft.

Zó dienen ook wij het eeuwige zonnelicht Christi te schouwen, opdat wij niet slechts ons zelf, doch ook anderen, die daarvoor vatbaar zijn, mogen leren opheffen in deze gouden glorie, teneinde hen als een nieuw volk te voeren door de poorten van het bevrijdende leven.

De tijden die Longfellow nog als ver verwijderd schouwde, de tijden van de profetie, zijn gekomen. Nu is de tijd aangebroken! De tijd is daar! Het volk des Heren wordt nú geroepen van alle einden van de aarde. En het gaat er nu om wie op deze roep niet slechts kan reageren, doch haar ook zal vervullen. Het gaat erom of u alles wat tot uw eeuwige vrede dient, zult verstaan.

Wij hebben u twee aanzichten van het goddelijke zonnespectrum aangeduid: het infrarode of roepende aspect en het ultraviolette of verbrekende aspect. Bij het toepassen van de mystieke sleutel ontdekten wij dat wij het verbrekende aanzicht in geheel andere zin hebben te beschouwen dan de dialectische mens dit doet. De beginnende leerling, die zich geroepen weet, ziet het aspect van de verbreking als een strijd, als een intense worsteling tegen de lagere, ongoddelijke natuur. Doch de leerling hééft niets te verbreken. Het is de Gnosis die verbreekt. Het is de ultraviolette lichtgolf, die alle barrières opruimt, soms als met de kracht van een orkaanstoot. De leerling heeft slechts tot negatie over te gaan, tot negatie van het dwangbuis waarin hij vastgeregen ligt.

Kent u het verhaal van Jack London Het Dwangbuis? Een mens ligt neergesmeten in zijn cel, in wreedheid geregen in het dwangbuis. Ongedierte bedekt hem en zijn ellende is nagenoeg volkomen. Wie op zulk een ellende, lijfelijk ondervonden, ingaat, sterft in helse verschrikking. Doch de held van dit verhaal negeert dit alles en zwijgt. Hij klaagt zijn cipiers niet aan: hij lacht hen uit. Hij denkt aan de zomertover van de bossen, aan het zingen der vogels, hij wil zintuiglijk de geur der bloemen en het klateren van het water in het beekje ondergaan. En zie, nu wordt zijn zwakte naar het lichaam hem tot een zegen. 

Er ontwikkelt zich een persoonlijkheidssplitsing. Hij verlaat zijn lichaam, dat gebonden ligt in het spanlaken, glijdt tussen de muren door en loopt zingend in het wijde veld, waar de zon het al koestert. Terwijl de cipiers door het kijkgat gluren, en de gevangene doodsbleek, bewusteloos, als verloren terneer ligt, is daar een vrijheid en, gezien de omstandigheden, een onmetelijk geluk. In die blijdschap keert hij terug in het lichaam. En de figuur, daar in de stof, door het ongedierte aangevreten, neemt het jubelende lied der vrijheid over en zingt zijn vreugde uit. Hij weet het, hij is een gevangene, doch tegelijk een vrije. En zo vinden hem zijn cipiers, verbaasd en verslagen.

Wellicht dat u nu enigszins begrijpen kunt wat de School van het Rozenkruis bedoelt met negatie. Negatie is geen exaltatie, geen wegliegen van de dialectische werkelijkheid, doch een zich innerlijk daarvan losmaken. Dat ‘zich losmaken’ is: de wondere vrijheid tegemoet ijlen. Is zulk een negatie een wilsdaad, zoals velen denken? Is het een verandering in de voeding of zo iets? Negatie, zó opgevat, zou persoonlijkheidscultuur zijn.

Niemand kan tot de negatie, als bedoeld door de Geestesschool, overgaan, die zich niet positief geroepen weet door de infrarode lichtstoot van de goddelijk Zon. Niemand kan tot deze negatie komen, die niet het geestvonkatoom in het hart meedraagt. Wie deze signatuur van het oorspronkelijke leven bezit, wordt geroepen, getrokken, en, zo hij wil, eruit getild: hij heeft dan slechts te gaan. Zijn negatie is wel consequent en positief, doch zij is het gevolg van de roep.

De zuigkracht van de roep ondergaan en er, in negatie van alles van deze wereld, positief op reageren, wordt door Paulus ‘het geloof’ genoemd: het toeijlen op een ongekend, groots doel, dat lichtend aan de kimmen van het leven verschenen is; op een lichtkracht, die u reeds van verre tegemoettreedt om u in liefde te omvatten. Het is een proces dat de kandidaat met de kracht en de onweerstaanbare blijdschap van de hoop vervult en hem doet zingen in het dwangbuis van de vertering.

Als u deze taal nu verstaat, dan kunt u zich met ons gereed maken, in de rijen van de komende nieuwe mensheid, voor de dageraad die aangebroken is. Dan heeft het ook voldoende zin het proces dat met al deze dingen verbonden is nader te bestuderen en alle aanzichten daarvan nader te onderzoeken. Tot nu toe hebben wij vrijwel uitsluitend de mystieke sleutel gehanteerd. Gaan wij daarom nu over tot de bespreking van de details.

De goddelijke Zon, waarover wij spraken, zendt zeven soorten stralen uit in deze verloren en gevallen wereld. Deze stralen vormen een volledig spectrum van rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet. Het zijn deze zeven soorten stralen van de goddelijke Zon, waarmee wij nu en dan de leerlingen van de School in een mantrische zang verbinden:

‘Zo gaan wij voort in het rood van bloedsverbondenheid
en leven uit de oranje pracht van het prâna Gods.
Ons is het gouden hart van Christus’ zonneglorie.
Wij staan te zamen in het groenend land der hope.
Weids opent zich voor ons de blauwe einder in het verschiet.
De wolk des Heren gaat ons voor, in indigo gehouden.
En straks vaagt iedere sluier van het gelaat
en wacht ons violette koning-priestermantel.’

Deze Zon straalt in de wereld en wekt in het mensenhart het geestvonkatoom. Wat gebeurt er verder? Op die vraag hebben wij vroeger geantwoord dat de mens die aldus gewekt wordt, gaat zoeken. Zulk een antwoord zegt echter nog weinig. U dient te begrijpen wat er psychologisch en fysiologisch in een mens geschiedt als hij door deze bijzondere stralingskracht getroffen wordt en, omdat hij een geestvonkatoom bezit, blijken van reactie gaat vertonen.

Het begint met een werkzaamheid in het hartheiligdom. Meestal begint door de een of andere felle schok in het gewone leven het geestvonkatoom in het hart krachtig te vibreren. Tot op dat moment was het hart, tengevolge van de levensgang en de bloedskwaliteit van de gewone mens, dermate latent en ingekapseld dat het door het licht van de goddelijke Zon niet kon worden gewekt. 

Wanneer er dan evenwel door bittere ervaring een tijdelijke ontreddering in het leven ontstaat en ook het bloed daarin geheel deelt, wordt een van de zeven hartkamers ontsloten, het daarin besloten vuur ontstoken en richt zich een fel lichten naar de thymus, een orgaan dat gelegen is onder het borstbeen. In zeer vele gevallen is één lichtstoot niet voldoende, doch nemen wij hier aan dat de thymus ontvankelijk is en de lichtimpuls dus uitwerking heeft, dan zal het hormoon van de thymus deze lichtkracht overbrengen in de hart-hoofd bloedsomloop.

Wanneer dit werk tot stand is gekomen, is het zeker dat na verloop van enige tijd de lichtkracht alle hersencentra, waarheen zij wordt voortgedragen door het bloed, zal aanraken. Is zij eenmaal in het hoofdheiligdom aangekomen, dan wordt de betrokken mens in eerste instantie tot zoeker geboren. Door de invloed van de lichtkracht in de hersencentra worden er namelijk gedachten gewekt, gedachten die alle tot een en dezelfde soort behoren. Deze mens is door het roepende licht getroffen en via het geestvonkatoom, de thymus, het bloed en de hersencentra wordt het dialectische ik zich daarvan bewust. 

Onweerstaanbaar ontwikkelt er zich nu en gehele reeks gedachten. Naarmate de hersencentra aldus tot een nieuwe werkzaamheid worden aangezet, werkt het geestvonkatoom door, aangezien nu èn in het bloed èn in het bewustzijn als het ware een bres geslagen is.

U zult wel eens hebben gehoord van kristalstaren, een occulte methode om tot enig verruimd etherisch gezicht te komen. Het is een hoogst gevaarlijk werk, want de bedrijvers ervan roepen, mét hun visioenen, ook tal van aardgebonden krachten op, die op een fataal einde van de kristalkijkers wachten. Dat fatale einde komt doordat als gevolg van het kristalstaren het beschermende licht van de kundalini, rondom de pinealis, doorbrandt. U kunt dit vergelijken met het doorslaan van een zekering van het elektrische net. Als deze ‘zekering’ van de kundalini doorslaat, hebben voor een wijl de aan de aarde gebonden krachten met zo iemand vrij spel.

Iedere positieve of negatieve occulte methode is niet anders dan een karikaturale naäperij van de transfiguristische magie. Zo ook het kristalstaren. Het kristal, het fijn geslepen kristal, het flonkerende juweel, waardoor de waarheid zich kan openbaren, is het geestvonkatoom in het hart. 

Als nu bij een mens, door de universele lichtwerking waarvan wij gewaagden, de gedachten worden bepaald op een leven dat niet is en toch ergens moet zijn, op de ongeweten dingen die noodzakelijk omvat moeten worden, dan staart deze mens als het ware in het ineigen kristal in het hart, vanwaar in de aanvang slechts vage visioenen opdoemen. Doch de veruiterlijkte mens, die van het flonkerende juweel hoort spreken, plaatst zich voor een stuk glas, of werpt kruiden in een vuur om zich door de dampen daarvan in een toestand van exaltatie te brengen.

Het geestvonkatoom wordt ook wel het altaar genoemd, vanwaar een Gode welbehaaglijke geur dient op te stijgen om het gehele hoofdheiligdom te vullen, opdat de priesterlijke mens aldus het woord van de Heilige Geest zou kunnen verstaan. Welnu, daar rijen zich dan de gedachten van de zoeker aaneen. En, u weet het, gedachten zijn scheppingen. 

Gedachtenbeelden bevolken zijn openbaringsveld, en gedachten van dezelfde soort hebben de eigenschap zich aaneen te voegen. Deze gedachtenbeelden brengen in zijn leven harmonie of disharmonie, kracht of zwakheid, al naar hun aard. En wanneer een mens aldus aan het zoeken slaat, kunnen wij geheel volgen wat er nu zal geschieden.

Als het hormoon van de thymus in het bloed van de hart-hoofd bloedsomloop wordt overgebracht, wordt de lichtkracht natuurlijk min of meer verduisterd door de geaardheid van het bloed. Immers, krachtens uw geboorte draagt u het bloedsbeeld van de natuurreligie of van het natuuroccultisme, van het natuurhumanisme of van het materialisme met u mee. Daarom zijn de eerste gedachtenbeelden die door de lichtkracht worden gewekt, zeer onzuiver en krachteloos. Eerst langzaam komt hierin verandering. 

Zo verstaat u dat het zoeken een proces is dat niemand kan overslaan. Het is een proces van vele, vele ondervindingen, want, opgejaagd door uw gedachtenbeelden, gaat u over tot experimenten. U associeert zich met allerlei stromingen hier in de wereld, omdat u de waarheid en de juistheid van uw gedachten dient te toetsen in de praktijk. Daarom zijn er zo velen die al heel wat wegen hebben bewandeld, zich al heel wat moeite hebben getroost, en al heel wat hebben geworsteld alvorens de Geestesschool te vinden. Troost u, want allen hebben die weg moeten gaan.

De lichtkrachtinjecties van het geestvonkatoom, het staren in het ineigen kristal, moeten zolang voortgaan tot er een zo zuiver mogelijk gedachtenbeeld wordt geschapen. In de Geestesschool wordt u daarbij krachtig geholpen: dag in, dag uit, uur na uur, stelt men pogingen in het werk u de wegen en de bedoelingen van de goddelijke Zon uit te leggen, ze u als het ware woord voor woord voor te spellen, opdat u tenslotte het mentale beeld van de onsterfelijke mens zo zuiver mogelijk mee zult dragen. Bij u, naast u, in uw openbaringsveld, moet zo klaar mogelijk het beeld van de onsterfelijke hemelse mens mentaal geboren worden, alvorens u het zoekende stadium op het pad kunt verlaten.

Paulus spreekt over het beeld van de hemelse mens, dat de kandidaat in zich moet dragen. Het gaat hier om een wonderlijk mysterie, dat nog nimmer in de School ontsluierd kon worden. In de eerste brief aan de Korinthiërs, hoofdstuk 15, zegt hij tegen de leerlingen die zich voor het pad gereedmaken:

‘Niet het geestelijke gaat vooraf, doch wat tot de ziel behoort; daarna komt het geestelijke. De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede mens is uit de hemel. Zoals de aardse is, zo zijn ook de aardsen; en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen. Gelijk wij het beeld van de aardse gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de hemelse dragen.

Doch dit zeg ik u, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, noch het vergankelijke het onvergankelijke.

Zie, ik leer u een heilsgeheim: wij zullen veranderd worden. Het vergankelijke moet zich bekleden met onvergankelijkheid, het sterfelijke met onsterfelijkheid. Dan zal in vervulling gaan het woord dat geschreven staat: De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw prikkel?’

Als de kandidaat na veel oriëntatie op de lange weg van het zoeken het beeld van de onsterfelijke heeft gevormd, als een mentale conceptie uit de lichtkracht geboren en, buiten het lichaam om, door de straling van de goddelijke Zon versterkt en belevendigd, kan er een nieuwe stap worden ondernomen.

De nieuwe stap is, zegt Paulus, een ‘heils’ geheim, dus: een geneesmiddel, een middel tot ‘heel’ worden. En de receptuur daarvan is, dat het vergankelijke zich met het onvergankelijke moet bekleden, het sterfelijke met het onsterfelijke. De nu besproken mentale conceptie speelt daarbij een belangrijke, een overheersende rol.

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *