De fundamentele verontrusting – hoofdstuk 3 van ‘De gnostieke mysteriën van de Pistis Sophia’ – J. van Rijckenborgh

 

BESTEL DE GNOSTIEKE MYSTERIËN VAN DE PISTIS SOPHIA

In het vorige hoofdstuk hebben wij u gesproken over de wijze waarop de Universele Broederschap met de leerling werkt. Uw aandacht werd door deze methode niet op een mens gevestigd die reeds enige vordering op het pad van wording had bereikt, zodat er sprake zou kunnen zijn van een uitzonderlijke mens. Het bleek dat niemand reden had voor pessimisme, minderwaardigheidsgevoel of onwaardigheidswaan, waarin men zou kunnen beweren: ‘Ach, daar kan ik toch niet aan beantwoorden.’ Nee, een ieder kan gebruik maken van de handreiking van de Broederschap; niemand behoeft zich uit gesloten te achten. Deze handreiking geldt voor allen!

U hebt hier slechts te denken aan het beeld van Christiaan Rozenkruis in de put van de natuur des doods. Als het koord van uitredding in die put wordt neergelaten, is dat koord niet persoonlijk gericht, bestemd voor die of die, met uitzondering van anderen, maar allen, die het koord grijpen en eraan blijven hangen, worden uit de put opgetrokken.

Allen, die in de voorhof van de Geestesschool van het moderne Rozenkruis bijeen zijn en zich de moeite willen getroosten een brandpunt van de School te bezoeken, kunnen, wanneer zij zich maar intelligent bezinnen willen, volkomen weten hoe het pad door henzelf, van de eerste stap tot in de bevrijding, bewandeld kan worden. Als u uzelf nu in het schema van dit proces onderzoekt, zult u volkomen kunnen weten tot welk punt u gekomen bent of waar uw ontwikkeling momenteel stagneert.

De eerste fase van het pad heeft betrekking op de zeer elementaire magnetische stralingskracht en de invloed die van de Universele Broederschap uitgaat tot ieder mens. En ieder die een oeratoom bezit, kán niet slechts reageren – hij móét het. Het is het koord dat in de put wordt neergelaten en dat men waarneemt. Dit koord wordt ook een roep genoemd. Wij, in de Geestesschool, roepen u niet. Wij spreken u slechts van de roep. Wij trachten u de roep die, buiten ons om, tot u komt, te verklaren. Het is een kracht die door de wereld slaat, een kracht die appelleert aan uw geestvonkatoom. En in en door die kracht worden u suggesties gegeven van het oorspronkelijke leven; wordt een wonderlijke filosofie tot u overgedragen.

Ieder die een geestvonkatoom bezit, ondergaat daarbij een zeer uitzonderlijke ontroering. Als u in duisternis opgesloten bent en u hebt nog herinnering aan het licht, als u nog een als ingekapseld lichtbeginsel met u draagt, en er komt een roep tot u van het licht, en er wordt u over het Lichtrijk gesproken, zou u dan niet reageren? Zou u zich dan niet zeer aangegrepen gevoelen? Dan let u er niet zozeer op wát er over het Licht gezegd wordt, doch u weet slechts dát erover gesproken wordt. Reeds het woord, de klank ‘licht’ haalt u uit uw dialectische evenwicht.

Deze spontane reactie brengt natuurlijk een gevaar met zich en velen zijn door de ontwikkeling van dat gevaar in de loop van hun leven ernstig gestagneerd. Om dit duidelijk voor u te plaatsen moet u de situatie nog eens goed overzien. Er is een magnetisch stralen van de Universele Broederschap. Dit stralen is naamloos en klankloos. Het heeft de taak u, door middel van het aangeraakte oeratoom, te verontrusten, zodat u de natuur-des-doods niet aanvaarden kunt en aan het zoeken slaat.

Nu verheffen zich stemmen van uw medemensen. Zij spreken en getuigen van het licht en u bent geneigd onmiddellijk bij hen aan te knopen, ook al spreken zij de grootste onzin. Het feit dat zij spreken uit dezelfde hartenroerselen als die welke u ondergaat, veroorzaakt dat u hen als zodanig reeds als broeders en zusters accepteert.

Het is duidelijk dat er aldus een zeer belangrijke vertraging kan ontstaan. Want vele handige dienaren van deze natuur weten maar al te goed dat, wanneer men lichtzoekers maar veel over het licht spreekt, hen door organisaties en kerken en sekten verblindt en met legio speculaties en grote woorden omringt, talloze argelozen in dat geraffineerde net blijven hangen.

Er is geen sterveling in hemel en op aarde die het oeratoom, de roos der rozen, uit uw hartheiligdom kan rukken. Doch wel is het mogelijk de reactie van de rozenknop, die krachtens haar natuurlijke staat zich wenden wil naar het eeuwige zonnelicht, af te leiden in waan. Zoals men bloemen in kassen trekt met zonlichtlampen, zo kan men de rozenknop omringen met het klatergouden valse licht van de metafysische speculaties. Op deze wijze kan men miljoenen rozenknopdragers incarnaties lang een schijnbevrediging schenken.

Aan deze zijde van de sluier doet men dat door steeds wissels te trekken op gene zijde, waar de hemel zou zijn en Christus de Heer. Eenmaal door deze waan gegrepen en aan gene zijde beland, is reïncarnatie volstrekt zeker, omdat het een biologisch proces van de microkosmos is. Daarom valt heel de geraffineerde magie, heel de eonenoude magische cultuur der dialectiek, aan op ieder kind van de roos die voor zijn tere knop het universele licht zoekt.

Deze natuurmagie maakt van alles en iedereen gebruik bij het najagen van haar doeleinden. Zij kan dat doen. Zij kan ook gebruik maken van déze School en van het transfiguristische woord van Jezus de Heer en andere groten. U kunt door deze natuurmagie gegrepen worden op hetzelfde moment dat u zich bezint op de ene werkelijkheid.

Wanneer de moderne Geestesschool van het Rozenkruis u tot tevredenheid, tot innerlijke rust heeft gebracht, in de staat waarin u zich nu bevindt, dan is uw rozelaar in de verzorgingskas van de natuurmagie terecht gekomen. Want het is uitgesloten dat een geestvonkentiteit rust en vrede kan vinden in de natuur-des-doods. Is dat het geval, dan is er iets niet in orde. Hoe kan een kind van het licht rust en vrede bezitten, wanneer het niet in het licht thuisgekomen is?

Wij bedoelen niet dat er bij zo iemand angst, zorg en vrees aanwezig moeten zijn, of een voortdurende ontevredenheid, want een kind van het onzienlijke licht kan zeer blijmoedig zijn en hoogst evenwichtig, in de zekerheid op weg te zijn naar het Vaderhuis. Maar de gezapige rust en de goedkope vrede van het compromis met deze natuur zijn volkomen uitgesloten. Een kind van het licht heeft de Jezus-ervaring: het vindt geen hol voor de voet en geen steen om het hoofd op neer te leggen. Het vindt dat fundamenteel niet.

Daarom, zo u een leerling van de Geestesschool van het Rozenkruis bent, dient u zich af te vragen: ‘Wat doet de School in mij? Weet de School mij nog te verontrusten? Wekt de School in mij nog dat naar adem snakkende verlangen? Of is er geen sprake meer van enige bewogenheid? Gaat de tot mij overgebrachte leer het ene oor in en het andere uit? Sta ik nog in het proces, of ben ik inmiddels uitgerangeerd door mijn satan – mijn hoger zelf – mijn aurisch wezen?’

U moet zich dat zelf afvragen, want u dient te weten dat u ieder uur in gevaar bent. Wie dat niet inziet en zegt: ‘Kom, kom, doe niet zo dramatisch’, bezit niet de signatuur van het elementaire leerlingschap.

Als de zoon van de roos op de wereld komt zal hij geen erkenning vinden, zal hij niets het zijne kunnen noemen, geen hol voor de voet vinden en geen steen om het hoofd op neer te leggen. Kortom, hij is een volkomen vreemdeling. Gaat hij nu de bevrijding zoeken om zijn goddelijke, natuurlijke bestemming terug te vinden, dan zal men hem in de oorden van de vreemdelingenschap trachten vast te houden door hem met valse klanken en valse lichtflarden tot gewenning te stemmen. Dát is het gevaar!

Dit gevaar, dit unieke verblindings- en vervalsingsgevaar, neemt gestaltenis aan in dat wat zich ‘kerk’ noemt, doch de Kerk niet is. Nu denkt u, leerling, wellicht: ‘O, daar heb ik geen last van. Ik ben in de School van het Rozenkruis.’ Doch de magische polieparmen van de kerk grijpen verder dan u denkt. Zij hebben een stralend vermogen. Van dat vermogen gaat een kristalliserende invloed uit, een stollingsinvloed tot allen die het licht zoeken. En de organisatorische apparatuur is slechts een bijkomstigheid.

Door alle eeuwen heen is er een samenzwering op touw gezet jegens allen die de rozelaar tot bloei willen brengen. Die samenzwering stelt een gevaar. Dat gevaar is ieder uur acuut. Wij suggereren u geen duivelengeloof en wij willen u geen angst aanjagen, maar wij willen u drijven tot een elementaire zelfkenniservaring.

Gevoelt u zich als waarachtige lichtzoeker nog  steeds verontrust, weet u zich een voorwerp van strijd en staat u daarom in de bewogenheid van een zeer grote activiteit, zodat u ervan siddert, hebt u in u iets van die spankracht van de psalmist, die het ene ogenblik juicht en zich een volgend moment bedreigd voelt tot in het diepste diep van de ziel, voelt u muren om u heen – dan staat u in de genade van het levende leerlingschap.

Is er niets dan rust in u, zit u teneer zonder enige levende activiteit binnen in u, dan heeft een kristaliserende invloed macht over u gekregen, die uw rozelaar zijn grond ontnomen heeft. Zo u daar nog kracht voor hebt, moet u de oorzaak opsporen. En als wij in staat zijn geweest door onze woorden u, lezer, in de oude verontrusting ter jagen, als wij daarin geslaagd zijn, dan zijn wij zeer dankbaar. Dan hebben wij u ontrukt aan de worgende greep van uw particuliere vijand.

Ieder mens met de rozeknop wordt in het hart getroffen door de elementaire stralingskracht van de Gnosis. Een grote verontrusting ontstaat er in hem. En nu gaan er van de Gnosis dienaren uit. Zij spreken van het licht. Zij getuigen daarvan. Zij willen echter uw verontrusting niet stillen, maar zij willen het richting geven. Dát is de signatuur: het recht plaatsen van de betrokkenen op het pad. Want achter die verontrusting staat heel het besef van uw vreemdelingschap, van uw hier niet thuisbehoren.

Zou de verontrusting worden weggenomen, dan zou daarmee onmiddellijk de dynamische energie vermoord zijn om op het pad van bevrijding voortgang te kunnen maken. Iemand die niet meer verontrust is, die accepteert, aanvaardt, genoegen neemt, is van stonde aan het slachtoffer geworden van de kerk, die de Kerk niet is.

Daarom, het zij zó, dat wij u iets terug hebben gegeven, of iets bij u hebben gewekt, van die zo noodzakelijke spankracht. Van die fundamentele verontrusting, welke de zonen en dochters van de Gnosis dient te kenmerken.

Uit: De gnostieke mysteriën van de Pistis Sophia door J. van Rijckenborgh

INHOUD

Ten geleide
Woord vooraf

boek I van de Pistis Sophia – tekst

beschouwingen

      1. De onkenbare mysteriën
      2. Vijf psychologische processen
      3. De fundamentele verontrusting
      4. De leerling voor de tweesprong
      5. Het openbaringsbewustzijn
      6. De magnetische storm
      7. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde
      8. De aanraking met de Geestesschool
      9. De vurige driehoek
      10. De Meester van de Steen
      11. De archonten der eonen
      12. De Johannesgeboorte
      13. De kracht van de kleine Jao , de Goede
      14. De kracht van de grote Sabaoth
      15. De vijf helpers
      16. Het wonder van het oeratoom
      17. Bloed, vuur en rookdamp
      18. Gij zijt het die de ganse wereld zult redden
      19. De Heer kent ons allen bij name
      20. Het oostelijke en het westelijke venster
      21. Het lichtkleed der vernieuwing
      22. Overwin de gravitatiewet
      23. De archonten, machten en engelen vrezen zeer
      24. De dierenriem – een twaalfvoudige gevangenis
      25. De onttroning van de vier Heren van het Lot
      26. De blijde boodschap van de moderne Geestesschool
      27. De mysteriën van de Dertiende Eoon
      28. De schepping van de Dertiende Eoon
      29. Het einde van de horoscopie
      30. Bezieling ten dode – en bezieling ten leven
      31. Een nieuwe zon en een nieuwe maan
      32. De droefheid van de Pistis Sophia
      33. De invloed van de Authades
      34. Het magnetische conflict
      35. De kracht met de leeuwenkop
      36. Jaldabaoth: vuur en duisternis
      37. Het dertienvoudige berouw
      38. Eerste boetezang: het Mensheidslied
      39. Tweede boetezang: het Bewustzijnslied
      40. Derde boetezang: het Lied van de Ootmoed
      41. Vierde boetezang: het Lied van de Verbrijzeling
      42. Vijfde boetezang: het Lied van de Berusting
      43. Het mysterie van de vijfde boetezang
      44. Zesde boetezang: het Lied van het Vertrouwen
      45. Het mysterie van de drie lichtkrachten
      46. Zevende boetezang: het Lied van de Beslissing
      47. Achtste boetezang: het Lied van de Achtervolging
      48. Negende boetezang: het Lied van de Doorbraak
      49. De muur van de twaalf eonen
      50. De fundamentele oorzaak van ziekte en dood
      51. De stralingskracht Christi
      52. Jakobus, de mens die Gnosis bezit

Bron: De gnostieke mysteriën van de Pistis Sophia van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE GNOSTIEKE MYSTERIËN VAN DE PISTIS SOPHIA

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN OVER DE PISTIS SOPHIA