Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde – hoofdstuk 7 van ‘De gnostieke mysteriën van de Pistis Sophia’

 

BESTEL DE GNOSTIEKE MYSTERIËN VAN DE PISTIS SOPHIA

Alvorens onze bespreking over de Pistis Sophia voort te zetten is het noodzakelijk u een uiteenzetting te geven over de aard en het wezen van een magnetisch veld. Er wordt zo dikwijls gesproken over het magnetische veld van het nieuwe leven en over dat van de gewone natuur en in de geestesschool wordt u zo bij herhaling bepaald bij veelsoortige magnetische invloeden en de gehele Universele Leer dient zo geheel in samenhang te worden gezien met magnetische krachten en daaruit te worden verklaard, dat het een gebiedende eis is dat iedere leerling begrijpt waarover wij spreken wanneer zulk een magnetisch veld ter sprake komt en dat hij zich daarvan een voorstelling kan maken.

Vooral in een bestaansperiode als de onze, waarin allerlei gebeurtenissen slechts uit magnetische invloeden kunnen worden verklaard, moet het waarlijk een gebiedende eis zijn dat de leerling de samenhang der gebeurtenissen verstaat.

Ter inleiding zouden wij u willen wijzen op een spreuk, voorkomende op de bronzen plaat in de grafkelder van Christiaan Rozenkruis. Deze spreuk luidt: Er is geen ledige ruimte.

Deze spreuk heeft een veelvoud van betekenissen, zoveel, dat men gerust kan spreken van een oneindig aantal. En in het algemeen kan men van deze aanduidingen zeggen dat hetgeen wij de ruimte of de oneindige ruimte noemen, het veld is voor een evenzeer oneindig aantal ontwikkelingen. Ontwikkelingen die elkaar doordringen, omvangen en vervullen. Die zich van elkaar onderscheiden door een verschil in magnetische wetten.

Iedere ontwikkeling heeft haar eigen magnetische stelsel, haar eigen magnetische wet en is daardoor absoluut gescheiden van iedere andere ontwikkeling, hoewel existerend in dezelfde ruimte. Wij zien een zon en andere markante hemellichamen. Wij ervaren kennelijk hun invloeden. Wij weten ons te behoren tot hun stelsel. Er is een orde waarin dit alles past en waarin alle factoren schier onfeilbaar met elkaar samenwerken en wij weten dat dit alles samen wordt gehouden door een grootse natuurwet.

Alles wentelt en draait en beschrijft spiralen naar de normaturen van één fundamentele magnetische wet. Ons wereldbeeld, ons ruimtebeeld, de impressies die wij krijgen van het heelal, onze eigen aard en staat, de situatie en figuratie van onze microkosmos, zij worden voortgebracht door en zijn te verklaren uit dezelfde fundamentele magnetische wet.

Men kan van onze alopenbaring niet zeggen dat zij waan is, in de zin dat zij niet bestaat. Doch wanneer wij spreken van ‘dialectiek’ en Jacob Boehme van de ‘natuur des doods’, als zijnde de gehele zichtbare ruimte, alles wat zich om en tussen de sterren spant, dan bedoelen hij en wij te zeggen dat deze alopenbaringvongoddelijk is, niet één met de Godsnatuur, daaruit niet te verklaren.

Wanneer wij haar nochtans als goddelijk zouden interpreteren of enig deel van haar als zodanig zouden aanduiden, dan zou dit een waan zijn. Men heeft door alle tijden heen, wanneer de transfiguristen spraken van het Onbeweeglijk Koninkrijk, van het rijk niet van déze wereld, spottend gevraagd waar dat rijk, dat levensveld, dan wel was. Men heeft gesproken van hersenschimmen, van daverende nonsens, van exaltatie enzovoort. Men heeft nimmer begrepen waarover de transfiguristen spraken. Vele leerlingen zitten wellicht met dezelfde vraag. Welk antwoord zou u geven, wanneer men u die vraag met van spot tintelende ogen zou voorleggen?

Men kan zich een gebeuren voorstellen zoals dat in Mattheüs 24 verhaald wordt: een aarde en een hemel die incidenteel voorbij gaan door een catastrofe. De astronomen weten van sterren die verdwijnen en van nieuwe die komen. Maar als er iets verdwijnt in ons heelal, dan komt er weer iets anders voor in de plaats. Het heelal, zij het dan in andere rangschikking, blijft. De zon kan uitdoven, hetgeen de ondergang van ons zonnestelsel kan betekenen, maar het heelal, het existeert.

Kijkers speuren onmetelijk ver de ruimte in en nieuwe kijkers exploreren ruimten waarin nog geen menselijk oog vermocht door te dringen. En men disputeert over het probleem of het heelal eindig of oneindig is. Men ontdekt dat de stralen van het licht een kromming maken en weer tot het punt van uitgang terugkeren. Men weet van sterren die zich met enorme snelheden van elkaar verwijderen en andere die elkaar naderen. Men spreekt van een uitdijend en een inkrimpend heelal. Maar alles op basis van het heersende wereldbeeld, van de heersende visie op het heelal, van de fundamentele magnetische wet der gevallen natuurorde.

Daarom is het geen wonder dat de natuurreligieuze mens het Koninkrijk Gods in de spiegelsfeer ziet, of op een andere ster of planeet, waarheen men zou kunnen reizen met een luchtschip. ‘Ach, als het goddelijke rijk niet hier is en niet in de spiegelsfeer, dan zal het wel daar ergens buiten zijn’, denkt een primitieve leerling van de School wellicht.

Nee, al zou u het gehele universum doorreizen, u zou het Koninkrijk Gods niet vinden – omdat dit rijk alleen te schouwen en alleen te betreden is door middel van een andere magnetische wet of orde.

Een magnetische wet gaat uit van een stralende idee, die de oersubstantiële ruimte beroert. Onder en dóór die idee vormt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zich een heelal, in zijn verscheidenheid van vormen en krachten. Nu constateren wij een natuur des doods en wij weten dat de idee, die aan dit heelal ten grondslag ligt, dus ongoddelijk is en nimmer goddelijk zal kunnen worden. Omdat de idee niet deugt en daardoor haar openbaring niet. Als de idee van ons heelal goddelijk zou zijn, zou een ongoddelijke uiting in ons heelal niet mogelijk zijn.

Daarom moet u nu leren inzien dat er een andere idee is, een andere Gnosis. En dus een ander magnetisch veld. En dus een ander heelal, nader dan handen en voeten, zich overal bewegend en zijnde waar de natuur des doods niet is. Niet buiten en niet binnen, niet boven of beneden, maar alomtegenwoordig, nochtans zo ver weg als het verst verwijderde hemellichaam.

Stel dat u met een aantal mensen in eenzelfde ruimte bijeen bent en u allen een idee, een levensblik en dientengevolge een levenshouding hebt die alle volkomen van elkaar verschillen. Er is dus verschil van aard, van vibratie, van een magnetische toestand. Uw idee en haar gevolgen wolken om u heen en ieder van u leeft zo in zijn eigen wereld, in zijn eigen orde, terwijl allen tegelijkertijd in dezelfde ruimte verkeren.

Wij willen u doordringen van het bewustzijn dat er, naast de fundamentele magnetische wet die ten grondslag ligt aan de dialectische orde en aan het heelal waarbij ze behoort, ook andere fundamentele magnetische wetten tegelijkertijd in dezelfde ruimte kunnen bestaan.

De zuivere, oorspronkelijke idee Gods stelt een absolute orde en formeert een heelal. Zou dat heelal dan niet kunnen bederven en verknoeid worden? Dat is onmogelijk! Immers, de stralingsvolheid van de idee Gods is onweerstandelijk en altijd dezelfde. Daarom bestond, bestaat en zal het goddelijke heelal altijd bestaan.

De mens is uit dat heelal, uit dat universum verzonken in een ander heelal, door een andere stimulerende idee. En zijn existentie heeft zich daarbij aangepast. Daarom kan de Gnosis onmogelijk in de natuur des doods zijn als een zich openbarende volheid.

Maar zodra een verzonken mens weer deel zou kunnen krijgen aan het oorspronkelijke magnetische veld, zou dat oorspronkelijke universum zich weer aan hem vertonen. Want het deelhebben aan een ander magnetisch veld beduidt een ander bewustzijn, een andere persoonlijkheid, een andere microkosmos.

Wij willen u dan ook zeggen dat er een andere aarde is en een andere zon, een ander zonnestelsel, een ander heelal. Dat oorspronkelijke universum is niet opnieuw in de maak. Het was er steeds, het kan niet verdwijnen. Het is gisteren en heden hetzelfde.

Als u de heilige taal bestudeert, dan leest u van twee verschillende zaken. Ten eerste van een kosmische ramp in de natuur des doods, in het dialectische heelal, het opgaan en ondergaan der dingen. En ten tweede van de kandidaat, die opnieuw het oorspronkelijke, het werkelijke, het goddelijke heelal gaat schouwen door nieuw bewustzijn. Die twee mededelingen worden dikwijls met elkaar verward en er wordt gelezen dat er een hemel voorbijgaat door een ramp en dat er een nieuwe hemel gaat komen ná die ramp.

Maar wat voorbijgaat en opnieuw komen gaat, is de wisseling en de wenteling der dialectiek, die wij zien in microkosmos en macrokosmos en in het gehele heelal van de natuur des doods. Wanneer wij echter lezen in Openbaringen 21: ‘Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan,’ dan wordt daarmee gedoeld op de leerling die het heelal van de waan voorbij ziet gaan door transfiguratie en opgaat in het heelal Gods.

De Geestesschool en de Wereldbroederschap, zij willen u tot dezelfde belevenis stuwen in het nu. Welke weg u dan moet gaan? Wel, reeds duidelijk hebt u kunnen lezen op welke wijze ook u een Pistis Sophia kunt zijn. Het oorspronkelijke heelal existeert, zoals wij zagen, uit een idee. Het heeft een fundamentele kern, een zon, en dus een stralingsveld, een magnetische uitstraling. En in dat grote magnetische veld van de goddelijke zon zijn zeven sferen te onderkennen, zeven stralen, of, zoals de Bijbel zegt, zeven engelen. En daar de magnetische velden elkaar doordringen, is het duidelijk dat de natuur des doods en de natuur van de Gnosis elkaar zeer nabij zijn. De buitenste sfeer van het goddelijke stralingsveld wordt men gewaar door middel van het geestvonkatoom.

Ee¤ n der zeven engelen plaatst het zegel op uw voorhoofd en wil de top van het dialectische bewustzijn veroveren voor de Gnosis. In uw microkosmos ervaart u aldus het licht van de goddelijke zon, die u roept en trekt. En naarmate u op die roep reageert, treedt u nader van de buitenste hoven tot de kern van de goddelijke zon. Van het buitenste voortgaande tot het binnenste. Totdat u uiteindelijk, op die weg voortgaande, dermate ver door de magnetische krachten van het oorspronkelijke rijk getrokken bent in het binnenste, dat een existentiële verandering móet plaatsvinden.

Zodra die verandering zich inzet, ziet u de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, alsof een gordijn wordt weggetrokken. U hebt het licht van de zon en de maan niet meer nodig.

Wij hopen u dit proces van buiten naar binnen te mogen beschrijven, om u aldus juist te laten verstaan wat de Pistis Sophia ervoer bij haar gang naar de goddelijke Sophia.

Uit: De gnostieke mysteriën van de Pistis Sophia door J. van Rijckenborgh

BESTEL DE GNOSTIEKE MYSTERIËN VAN DE PISTIS SOPHIA

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN OVER DE PISTIS SOPHIA