Visie van de rozenkruisers op de Bijbel – hoofdstuk 25 uit ‘Elementaire wijsbegeerte’ van J. van Rijckenborgh

 

BESTEL DE BIJBEL, HERZIENE STATENVERTALING

De onderstaande tekst is hoofdstuk 25 uit het boek Elementaire wijsbegeerte dat J. van Rijckenborgh publiceerde in 1950. Daarin geeft deze stichter van de geestesschool van het Rozenkruis zijn visie op de Bijbel en theologie.

In deze bespreking willen wij onze opvatting over de Bijbel uiteenzetten. De Bijbel wordt door de rozenkruisers als een compendium van het leven beschouwd. Onze klassieken getuigen in de Confessio Fraternitatis Rosae Crucis (1615):

‘Zij zijn ons het naast en ons het meest gelijk, die de Bijbel tot richtsnoer van hun leven maken, tot middelpunt van hun studies en tot het compendium van de ganse wereld’.

Wij erkennen de Bijbel als vertegenwoordiger van de Universele Leer. Daarom ligt het heilige boek opengeslagen in onze tempels. De Bijbel vormt een der geestelijke brandpunten in onze tempels. Met deze mededelingen moge voldoende aangetoond zijn welk een waarde wij aan dit boek toekennen.

Het is evenwel goed eerst antwoord te zoeken op de vraag: Op welke gronden berust deze eerbied ? Dit is een actuele vraag, want zeer vele mensen zouden gaarne de Bijbel willen naderen, doch zij kunnen het niet, en wel om verschillende redenen: door het wezen en de invloed der moderne en historisch-materialistische kritiek ; door de chaos die, uit onbegrip en wanbegrip, door het lezen van de Bijbel in het denken en gevoelen der gelovigen is ontstaan; door het optreden der theologen; door de verminkingen welke men de oorspronkelijke bijbelteksten heeft doen ondergaan.

Verder worden velen in de war gebracht door hetgeen zij in andere heilige boeken lezen, waardoor bij hen de indruk ontstaat dat daaruit sommige bijbelgedeelten overgenomen zijn. De massa moet het contact met de Bijbel wel verliezen door het optreden der theologen, die de pretentie hebben de Bijbel te kennen en te verstaan en zich uit dien hoofde aanmatigen deze te interpreteren. De theoloog redeneert: ‘Ik ben in staat de Bijbel in de oorspronkelijke taal te lezen en theologie is een universitaire wetenschap’. Dit zijn de gronden waarop de theologen hun aanspraken op autoriteit in bijbelexegese funderen.

Nu richt de meeste kritiek zich juist tegen de zogenaamde bijbelwetenschap. Veel van deze kritiek en de daarmee samenhangende afwijzing is volkomen juist, en dat wordt ook in sommige theologische kringen wel gevoeld. Daarom zijn er tal van theologische kringen en richtingen, die elkaar op leven en dood bestrijden. Daarom ook is er steeds een modeltheologie, die zich bezighoudt met nieuwe, in zwang komende zienswijzen. Zo is reeds geruime tijd vooral de theologie van de Zwitserse professor Karl Barth populair en in Nederland ook die van professor Kraemer. Men had het de laatste jaren zo druk met de theologische strijd, en deze strijd was zo diep ingevreten in het volk, dat men het leven zelf geheel vergeten had. De kerk was meer en meer een domineeskerk geworden en zeker geen volkskerk.

Professor Kraemer is er in geslaagd de domineeskerk enigermate te neutraliseren en men is weer onderweg naar een volkskerk. De basis van deze arbeid is de Heer der kerk, die men niet kent, en de Bijbel, die men ook niet kent. De strijdende theologen, die gaan inzien dat hun greep op het volk hoe langer hoe geringer wordt en die beangstigd zijn voor de naoorlogse kreet: ‘Maskers af,’ doen mee. Doch het is een ijdel pogen, slechts een uitstel van het demasqué.

Op instigatie van professor Barth doet men sinds een aantal jaren aan de dusgenaamde dialectische theologie; een theologie die geïnspireerd is op de wijsbegeerte van Hegel, welke zich bezig houdt met het feit dat in deze wereld alles onderhevig is aan de wet van opgaan, blinken en verzinken. Om dezelfde reden spreken ook wij van een dialectische orde.

De genoemde dialectische theologie gaat uit van het standpunt dat steeds, al naar gelang van de omstandigheden, het zwaartepunt op andere aanzichten van de theologie moet worden gelegd, opdat aldus contact gemaakt wordt met en aangeknoopt wordt bij de volkspsyche van het moment. Dat wil dus zeggen dat er vandaag een profeet gevraagd wordt, morgen een priester, overmorgen een eredienst, de volgende dag daarna de wederkomst van Christus, enzovoort. Men moet zich, aldus deze theologie, intelligent instellen op de behoeften, de psychologische situatie, van het moment.

Zo keren, als bij een draaiend rad, alle spaken zich beurtelings naar boven en naar beneden… Deze theologie is dus wel een zeldzaam bedrog. Het zal volkomen duidelijk zijn dat op zoveel onwaarachtigheid en onoprechtheid een grandioze afwijzing moet volgen.

Wij ontkennen dat een theoloog uit hoofde van zijn universitaire vorming tot het wezen van de Bijbel kan doordringen. Het komt natuurlijk wel eens voor dat iemand die ingeleid of ingewijd is in de Universele Leer, tevens theoloog is, of als zodanig moet optreden, bij wijze van ‘zendeling onder de heidenen’. Wij denken bijvoorbeeld aan dr. A. H. de Hartog, die door zijn collega’s werd gehaat, gemeden en vervolgd. Voor het overige is theologie speculatie, begoocheling en luciferisch bedrog.

Eveneens is het natuurlijk mogelijk dat een theoloog tevens een mysticus is, een waarachtig gelovig, warmvoelend en toegewijd mens, die zich met zijn gehele hart aan zijn gemeente geeft. Met grote eerbied en devotie staat hij voor zijn God en hij belijdt zijn godsdienst ten volle, doch als een niet begrijpende, alleen als een dienende. Voor zijn gemeente is hij, met zijn warme menselijkheid, een pastor, een herder, doch in zijn kwaliteit van theoloog heeft hij niet de minste waarde. Als mohammedaan of als Habakuk, de medicijnman, zou deze mens precies dezelfde zijn, namelijk een even succesvol pastor.

Christus zegt: ‘Gij zult de Heer uw God liefhebben met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met geheel uw verstand’. Men denkt bij het laatste misschien aan de beschikbare hersencapaciteit van de biologische mens, aan universitaire training, een encyclopedische kennis. Hier zit echter juist het zwakke punt. Zulk een verstandelijke training bedoelt de Christus niet.

Wij in het Rozenkruis wijzen volstrekt alle theologie af, evenals alle kritiek die door de theologie ter zake van de Bijbel is of wordt geleverd. De theoloog heeft ongetwijfeld waarde als talenkenner, als dialectisch filosoof, en mogelijk ook als geoloog, enzovoort. Uit hoofde van zijn universitaire scholing weet hij evenwel van goddelijke wijsheid, van de levende waarheid, niets. Als een theoloog werkelijk enig geestelijk formaat bezit, dan heeft hij dat niet dank zij, maar ondanks de theologie.

Ons oordeel nog duidelijker te formuleren zal nu waarschijnlijk niet meer nodig zijn: geen leerling zal zijn mening over de Bijbel mogen funderen op de theologische en kerkelijke interpretaties van de Bijbel, of op de kerkelijke interpretatie van het christendom.

De rozenkruisers leren, dat – hoewel de Bijbel, in het bijzonder het Oude Testament, een treffend voorbeeld is van de uiterst geraffineerde en ontstellende wijze waarop te allen tijde duistere machten de meest verheven, goddelijke waarheden hebben misbruikt, en vermengd en verbonden met leugen en vervalsing – dit boek in zijn onaantastbare wijsheidsessentie een manifestatie is van de Universele Leer. Als zodanig is de Bijbel dus niet de Universele Leer, doch getuigt hij ván deze levende waarheid Gods.

De Confessio Fraternitatis Rosae Crucis zegt dat de Universele Leer met Adam omlaag dook tijdens diens val, daarmee doelende op de reddende Godskracht, die zich kenbaar maakt als de Heilige Geest. De Heilige Geest manifesteerde zich in de heilige taal door alle tijden heen op verschillende wijzen. De heilige boeken vormen het gewaad der waarheid. Zij zijn een dialectische concessie aan de gevallen mensheid, en in hen wordt de Heilige Geest onzer één. Nu kan men dit gewaad op alle mogelijke manieren schenden en dat heeft men ook gedaan. Het essentiële echter, dat door het gewaad wordt omhuld, kan men nimmer aantasten, en daar gaat het om. Zo kan men ook een mens naar zijn vormverschijning aantasten, doch wat hij geestelijk bezit en uitstraalt is onaantastbaar.

De leerling kan nu ook de eenheid der heilige taal begrijpen. Alle wijsheidsboeken der mensheid vormen één gemeenschap. In hen bewijst zich een progressieve openbaringsmethode. Daarom zijn er in de onderscheidene boeken vele punten van overeenkomst, doch ook zeer vele onderlinge afwijkingen, die uit de openbaringsprogressie te verklaren zijn. Denkende mensen dienen hiermee steeds rekening te houden. Als een mens geheel en al dialectisch is, is het onvermijdelijk dat hij door een dialectische verschijningsvorm, dus door de uiterlijke schijn, misleid wordt. Daarom kan de Bijbel nimmer bedoeld zijn voor de grote massa. Zelfs in zuiver gewaad is hij onkenbaar voor de niet-tot-begrip-geadelde. ‘Isis’ blijft voor dezulken gesluierd. In ónzuiver gewaad zijn de consequenties nog erger.

De Bijbel kan ook bezien worden als een cultuurboek, evenals men ieder ander belangrijk boek, of enige kunstvorm, of een zekere wetenschap, als basis van cultuur kan aanvaarden. Doch zulk een cultuurbasis en de daarop verrezen cultuur kunnen nimmer verlossende aspecten bezitten. Daarom zijn wij volstrekt tegen het bekende bijbelgebruik, en niet in de laatste plaats tegen het populaire gebruik, dat in esoterische kringen van de Bijbel wordt gemaakt, waarbij men alles wat men maar wil uit de Bijbel tracht te bewijzen en te leren, ‘alsof het een wastafeltje ware’.

De Bijbel is alleen te naderen door de geestesschool en door hen, die geestesscholing ontvangen hebben, dat wil zeggen die door de geest geleerd zijn. Deze scholing wordt – met uitsluiting van elke tussenpersoon tussen God en mens, dus zónder kerkhiërarchie, zónder priesterschap – alleen ontvangen door en vanuit een totale levensverandering, volgens de normaturen der geestesschool. Eerst dan zal men tot de levende waarheid kunnen doordringen. Eerst dan wordt Isis ontsluierd. De Bijbel wordt dan ‘het middelpunt van onze studies’, een middel, een brandpunt, om deze levende waarheid te naderen.

De Heilige Geest openbaart niet slechts de heilige taal, doch hij zendt ook zijn dienaren uit, die onpersoonlijk de mens opwekken, opdat deze zich geschikt zal maken om de heilige taal onafhankelijk, in de verlichting van een eerstehands doorschouwen, te lezen.

BESTEL ELEMENTAIRE WIJSBEGEERTE VAN HET MODERNE ROZENKRUIS

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *