De nieuwe wereldbroederschap en de gevaren van de kerk – hoofdstuk 13 van ‘Elementaire wijsbegeerte’

 

BESTEL ELEMENTAIRE WIJSBEGEERTE VAN HET MODERNE ROZENKRUIS

De onderstaande tekst is hoofdstuk 13 uit het boek Elementaire wijsbegeerte dat J. van Rijckenborgh publiceerde in 1950. Daarin geeft deze stichter van de geestesschool van het Rozenkruis zijn visie op de nieuwe wereldbroederschap en de gevaren van de kerk.

Om de samenhang van al het tot dusver besprokene voor uw denken en begrip te versterken, herhalen wij enige fundamentele gedachten van het geestelijke leven: De mens is een beelddrager Gods. Hij vertegenwoordigt God in zich. Hij was voorheen volledig één met God: God woonde in hem en hij in God.

Hij had de volledige drievoudige tempel in zich: het heilige, als brandpunt van het hoofdheiligdom; het heilige der heiligen, als brandpunt van het hartheiligdom; de voorhof, als brandpunt van het bekkenheiligdom.

Hij was zelfde hogepriester in deze tempel: de opperste dienaar Gods. Maar hij was ook de koning, geheel en volledig, van zijn microkosmos: alle krachten en vermogens waren hem ondergeschikt. Derhalve werd hij koning-priester naar de ordening van Melchizedek genoemd; en Christus was de leider van deze hogere mensenorde.

De mens verviel uit deze hoge staat, met het gevolg dat de ineigen tempel degenereerde en het innerlijke contact, het leven in en uit God, verloren ging.

Om toch een binding met de mensheid te kunnen behouden, en om de mens uiteindelijk in staat te stellen de weg-terug te vinden, werd tot ontwikkeling gebracht dat wat wij ‘godsdienst’ noemen: een poging God te dienen in een uiterlijke tempel, waarbij de priester de onmisbare middelaar was. De Universele Leer daalde met Adam neer bij zijn val.

Deze godsdienst had steeds twee aanzichten: een uiterlijk en een innerlijk aanzicht, namelijk de openbare godsdienstoefening, en de esoterische scholing door de priesters. Aldus vervulde de godsdienst twee taken: hij voedde met ‘melk’ én met ‘vaste spijs’, hetgeen niet zeggen wil ‘onbelangrijk’ en ‘belangrijk’, doch hier is sprake van twee taken, met het oog op de twee mensentypen: het type zonder herinnering en het type met herinnering.

Het type met herinnering was het ware priestertype: het vertegenwoordigde het koning-priesterschap, in één mens verenigd. De godsdienstige openbaring, zoals organisatie, kerk, enzovoort, was tevens een deel van de taak van de geestesschool, waarin de Christushiërarchie zich direct openbaarde. De herinneringsmens kon zich dus door inwijding vooruit begeven op het pad; de weg- terug was aldus voor hem veiliggesteld.

Bovendien vormde zich, door de magie van de eredienst en de hoge geestelijke staat der priesters, een formidabel lichtend krachtveld, waardoor de herinneringslo¤ze mens een diepe ervaring en heiliging eerstehands doorleefde en aldus eveneens, zij het op andere wijze, vordering kon maken.

Ook deze idee«le godsdienstige openbaring degenereerde evenwel door de menselijke slechtheid. Want de priesterschap van de pretijd zondigde zwaar door misbruik te maken van haar macht; en de¤ ze zonde rust dus op de herinneringsmens. Het was een zonde tegen de Heilige Geest, dat wil zeggen een zonde die niet vergeven kan worden. Zulk een zonde moet worden uitgedelgd door een tegenovergestelde volstrekte daad. Met andere woorden: de herinneringsmens van onze tijd heeft ter zake jegens de gehele mensheid iets goed te maken.

Daar de twee mensentypen door de geschetste dramatische ontwikkeling steeds dieper in het nadir van de stof verzonken, kon het eerste systeem van goddelijke binding en openbaring niet langer in stand worden gehouden. Zo ontstond de scheiding tussen de geestesschool en de kerk, hoewel er aanvankelijk nog een zekere samenwerking behouden werd. (Een voorbeeld hiervan is de samenwerking tussen Hiram Abiff en Salomo, tussen de zonen van Kaïn en de zonen van Seth.) Deze ging echter uiterst stroef. De herinneringsmens werd nu via de geestesschool geholpen; de religieuze massa door middel van de kerk, met enige hulp van de geestesschool. Van een sterk bewust leven in een krachtveld was echter geen sprake meer.

Door het tenietgaan van deze bewuste belevenis enerzijds, en het geleidelijk verduisteren van het innerlijk licht anderzijds, ontwikkelde er zich een zonde in de tempelgroep, bij de leiders van de tempel. De nieuwe priesterschap, die uit de herinneringslozen was voortgekomen, kristalliseerde. Zij onderrichtte zonder innerlijke kennis en zocht vastheid in de dode letter. Zo werden de priesters schrift- en wetgeleerden. Zo werd de godsdienst een vormendienst zonder inhoud.

Toen kwam de Christus. Deze beëindigde deze fase: de uiterlijke, zinloos geworden tempel werd vernietigd. Christus stelde de mensheid voor een geheel nieuwe taak en leerde haar het bouwen van de tempel in zichzelf, het terugvinden van de weg tot God in zichzelf. Hij onderwees de weg van wedergeboorte door de reconstructie, de wederopbouw van de oorspronkelijke, goddelijke mens.

Nu is deze oorspronkelijke opdracht weer aan de geestesschool teruggegeven. Zij vindt haar uitvoering in de stichting van een wereldbroederschap, onder leiding van het koningpriesterdom, ten dienste van beide mensentypen. Door deze taak te ver- wezenlijken kan de herinneringsmens zijn oude schuld uitboeten. In de nieuwe wereldbroederschap komt de geestesschool tot iedere herinneringsmens en stelt hem voor de inwijdingsmethode der persoonlijkheidsverwisseling, de wedergeboorte van de hemelse mens.

En aan de herinneringsloze mens openbaart zij zich opnieuw onpersoonlijk met een krachtveld, dat in stand gehouden wordt door vuurtempels. In dit krachtveld – dus zonder de oude tempels en zonder de oude priesterhulp, die de mens afhankelijk maakt en hem blind, doof en onwetend doet blijven terzake van de levende waarheid – ontmoet ook de herinneringsloze mens eindelijk de Christus weer eerstehands. Aldus zal ook deze mens een alge- meen-gezuiverde, christelijke levenshouding kunnen volgen.

Dát is de opdracht die de geestesschool sedert het begin van onze jaartelling bezit. Gezien in het licht van de realiteit, welke wij zojuist hebben uiteengezet, is het onbetwistbaar, dat wat nu ‘kerk’ genoemd wordt – dat wil zeggen: een huis Gods – een grote mystificatie is. De kerk is nog steeds even wetgeleerd en schriftgeleerd als in de geincrimineerde tweede fase van de ontwikkeling van de uiterlijke tempel. Door het totaal ontbreken van directe, eerstehands kennis klemt zij zich vast aan de dode letter of geeft zij zich, omdat zij niet anders kán, aan allerlei speculaties over. Aan het ware weten, aan de levende Godskennis, heeft zij geen deel. De kerk heeft de Bijbel verminkt en oefent tot op deze dag een perfide invloed uit op de grote massa die zij, in volslagen onwetendheid omtrent de goddelijke realiteit, gevangen houdt; een realiteit die zij niet kent en die zij, zo zij daarvan verneemt, dus noodzakelijk moet ontkennen.

Het krachtveld, dat de wereldbroederschap op zich genomen heeft over de ganse wereld uit te spreiden ^ welk wereldomvattend werk in volle uitvoering is en door besloten vuurtempels wordt onderhouden – is bezig de massa der kerk van haar leiders los te weken, op volstrekt onpersoonlijke wijze.

Dit proces van innerlijke vrijmaking van de in waan gevangen massa voltrekt zich als een ineigen proces in iedere mens; alle strijd met de kerk wordt daardoor vermeden; de gewone primitieve vrije rechten van de mens, die ons door het tegenwoordige leven in verscheidene landen worden verzekerd, zijn voldoende. Het psychologisch juiste moment is in dit tijdsgewricht aangebroken; de massa der herinneringsloze mensheid zit thans reeds niet meer zo gebonden aan de kerken als voorheen. Er is een kentering gaande en een algemeen zoeken, dat het innerlijke loswekingsproces begeleidt.

Wat nu het grote bevrijdingswerk zelf betreft, dit moet, wil het werkelijk verlossend zijn, van onderen op geboren worden. Dit werk kán niet van bovenaf geschieden. Als dat mogelijk was, dan zou het al eeuwen geleden voltooid zijn.

Het moet van onderen op worden verwezenlijkt, omdat innerlijke bevrijding een kwestie van bewustwording, dus van zelfbevrijding, is. Bevrijding van bovenaf, van buitenaf, zou de mens innerlijk niet vrij maken, doch hem aan de bevrijder binden. Er zou aldus een nieuwe, ándere afhankelijkheid ontstaan. De mens wordt eerst dan vrij, als hij het licht innerlijk bezit, dat wil zeggen als hij de weg voor het licht in zichzelf heeft vrijgemaakt.

Zo moeten dus van onderen op voldoende mensen naar licht verlangen; om licht vragen, naar licht zoeken; werkelijke mensenliefde bezitten; innerlijk van de ware weg weten; en bereid zijn het afgescheiden ik, de oorzaak van alle duisternis, op te geven.

Deze mensen moeten uit de klasse der herinneringsmensen worden gerekruteerd. Daarom dienen alle mensen die zich momenteel in de verschillende esoterische levensvelden bevinden, tot deze arbeid te worden gewekt. De broederschap van het Gouden Rozenkruis doet daartoe haar roep steeds forser weerklinken.

Zo hebben wij een korte schets gegeven van het steeds groeiende en komende werk, om duidelijk te maken hoe en met welk doel de Broederschap in onze tijd werkt; en om iedere kandidaatleerling ervan te doordringen hoezeer hij in dit grote werk nodig is. Er moet voldoende vuur, voldoende potentieel, voldoende werkzame geestkracht zijn om aan de gestelde opgave te kunnen voldoen; om het krachtveld, waarvan wij spraken, vitaal te houden. Er is terzake een zekere minimumeis. Iedere herinneringsmens beseffe daarom zijn grote verantwoordelijkheid.

Als wij bij ons zelf het grote besluit genomen hebben het pad van inwijding te zoeken (niet voor ons zelf, maar opdat wij daardoor het grote doel op de enig juiste wijze mogen leren dienen), moeten wij beseffen dat er op onze weg grote gevaren loeren; gevaren voor ons zelf; gevaren voor de werkgemeenschap van alle leerlingen tezamen; gevaren voor onze medemensen, die wij willen helpen, en die mogelijk de geschiktheid bezitten om in onze rijen te treden en in het grote werk te gaan helpen.

Verschillende van deze gevaren zijn reeds in onze voorgaande beschouwingen terloops vermeld; wij zullen er nu dieper op ingaan door te citeren uit de Universele Leer.

Het ligt in de lijn van deze bespreking even stil te staan bij de mogelijke gevaren die de zoeker bedreigen van de zijde der nattuurreligie. Deze past een zekere magie toe, die echter niet christelijk is, in de zin van door Jezus Christus gegeven, maar overgenomen is van vóór-christelijke culten, met name van het brahmanisme. Het brahmanisme ontleende op zijn beurt deze magie aan nog oudere culten, die haar weer hadden overgebracht uit het oude Atlantis.

Deze magie is een karikatuur van de magie der oude koningpriesters uit de geschetste eerste periode, toen de gehele mensheid nog onder leiding van werkelijke magiërs stond, daar de mens nog niet de beschikking had over een zelfautoritair denkvermogen. Deze magie wordt toegepast door een groep die geen geestesschool heeft en door priesters die geen innerlijke kennis bezitten. De bedoelde magie is er op uit een geestelijk gebouw op te trekken, dus ook een krachtveld, met een bepaalde vibratie.

Dat schijnt erg mooi, doch een krachtveld heeft alleen dan bevrijdende waarde indien het bewust en in vrijwilligheid gebouwd en onderhouden wordt door allen die er deel aan hebben. Bij de natuurreligie echter is sprake van een absolute sterilisatie naar geest en ziel, als het maar lang genoeg duurt! Alle oude magie is daarom voor de moderne mens een groot gevaar.

Wat gebeurt er door deze magie? Door een rituaal, gezongen en gesproken in een dode taal, door speciaal geprepareerde muziek, door reukstoffen, door de moedra’s der priesters, door gemagnetiseerd water en andere preparaten ontstaat er bij de gelovigen een trancetoestand, een toestand van bewustzijnsnegativiteit.

In deze toestand worden aan het levenslichaam fluïden ( ethers) onttrokken waarmee door natuurgeesten (die ‘engelen‘ worden genoemd, maar het volstrekt niet zijn) de krachtvelden worden opgebouwd. Zoals een medium verbonden is met zijn controle- geest, zo is de gelovige reeds na enkele van deze magische toepassingen met geheel zijn wezen gebonden. En het is een vreselijke inspanning om onder deze greep uit te komen. In streken en landen waar deze magie ongestoord kan worden toegepast, heersen achterlijkheid, primitiviteit en sociale toestanden die vreselijk zijn.

De natuurgodsdienstigheid grijpt met deze magie reeds de kinderen in het gezin, bindt hen vanaf het eerste uur der geboorte en begeleidt haar kudde met deze magie tot aan de dood. En als de dood nadert zorgt zij ook voor gevangenschap na¤ de dood. Want aan gene zijde van het graf is de natuurhie« rarchie even goed georganiseerd en even vitaal en almachtig over haar gevangenen als aan deze zijde. Zij ontvangt de doden, die door de magie-voor-de-stervenden geestelijk doof, blind en afgesloten zijn van iedere bewustwording van het werkelijke licht. En zendt, als de tijd daar is, de microkosmos in schier onverbreekbare gevangenschap en toegeslotenheid naar het veld van openbaring terug. De gebondenheid is volkomen, de gebondenheid blijft volkomen, en aldus wordt de kudde in stand gehouden. Door middel van de zending wordt deze nog vergroot. De primitieve methoden van de zendelingen, met hun massadopen, massacommunies en processies, wekken veelal de lachlust op van onwetenden. Het zijn echter serieuze, massale vrijheidsberovingen onder het oog van de gehele mensheid.

Wij mogen niet onbesproken laten dat enkele natuurreligieuze groepen, die uit het occultisme zijn voortgekomen, de genoemde magie imiteren. Men wéét dat deze magie oud en gevaarlijk is, en gebruikt haar toch, in de mening dat ze goed gemaakt kan worden. Dit is evenwel een grote dwaling.

Magie is slechts dan bevrijdend, als zij van binnenuit, uit innerlijk weten, in onbaatzuchtig dienstbetoon wordt toegepast; als zij een werking van de in God ontstoken wil is. Magie, bevrijdende magie, moet steunen op innerlijke kwaliteit. Iemand die voldoende bewustheid heeft en enigermate het kuddedier ontstegen is, is voor de door het natuuroccultisme aangewende magie niet geheel vatbaar meer. De aangeduide groepen moeten derhalve een min of meer noodlijdend bestaan voeren.

Het bestaan van deze natuurreligieuze scheppingen van aanvankelijke occulte stromingen bewijst, dat deze occulte bewegingen aan het einde van hun potentieel gekomen zijn. Zij hebben, om hun voortbestaan te rechtvaardigen, een algehele, fundamentele heroriëntering en een levende binding met de taak van de herinneringsmens volstrekt van node. Zulk een heroriëntering wensen wij hun van harte toe.

BESTEL ELEMENTAIRE WIJSBEGEERTE VAN HET MODERNE ROZENKRUIS

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *