Het proces van regeneratie en wereldredding – hoofdstuk 12 van ‘Elementaire wijsbegeerte van het Moderne Rozenkruis’

 

BESTEL ELEMENTAIRE WIJSBEGEERTE VAN HET MODERNE ROZENKRUIS

De onderstaande tekst is hoofdstuk 12 uit het boek Elementaire wijsbegeerte dat J. van Rijckenborgh publiceerde in 1950. Daarin geeft deze stichter van de geestesschool van het Rozenkruis zijn visie op het proces van regeneratie en wereldredding.

In het vorige hoofdstuk spraken wij over de menselijke tempel in verband met de negenvoudige en de twaalfvoudige samenstelling van de mens en wij zagen dat de leerling op het pad van bevrijding tot nieuwe tempelbouw moet komen.

Voorheen was er een ongeschonden menselijke tempel in ons, waarin de mens een rechtstreekse binding met God beleefde. Na de neergang van de mensheid was er een symbolische tempel buiten de mens, waarin de binding tussen God en mens nog slechts met behulp van de magie der priesterschap tot stand kon worden gebracht.

Deze oude tempel is door Christus-Jezus vernietigd: Christus heeft de voorhang tot het heilige der heiligen verscheurd en daardoor de rechtstreekse weg tot God wederom voor iedere mens vrijgemaakt. Door de bloedstorting van Christus is zijn zielekracht een atmosferische kracht geworden, waaraan wij allen deel kunnen hebben. En de mens is nu geroepen in deze kracht tot zelfvrijmetselarij te komen, tot zelfbevrijding door nieuwe tempelbouw.

Deze drang tot nieuwe tempelbouw wordt op de mensheid uitgeoefend en manifesteert zich als een geestelijk-atmosferisch verschijnsel, waarop de mensheid op tweeërlei wijze reageert, namelijk óf met natuurlijke spontane religiositeit, óf bewogen door de geestdrang der herinnering. Daarnaast is er nog een degeneratieve onderklasse mensen, die noch het een, noch het ander zijn en in wie dus noch religie, noch herinnering spreekt.

De religieuze mens knoopt aan bij de geestelijk-atmosferische drang, die hij ervaart, die hij aanbidt, en waarop hij trácht te reageren. Doch daar hij geen herinnering, geen occult besef heeft, weet hij niet hoe te reageren. Er kan zich dus geen regeneratieproces ontwikkelen, van beneden naar boven, geen pad van heiligmaking of inwijding. Er ontwikkelt zich bij zulk een mens ten hoogste een proces van levensreiniging op de horizontale lijn, waarbij hij zich van een bepaalde levensstaat afkeert en tot een nieuwe overgaat. Deze nieuwe levensstaat zal echter gelegen zijn in hetzelfde vlak als de oude.

Bij gebrek aan ware kennis kan geen structurele vernieuwing plaatsvinden. Dit verklaart de bijbelse uitspraak: ‘Mijn volk gaat verloren, omdat het geen kennis bezit’, een uitspraak, waarbij onder ‘kennis’ niet wordt verstaan, ‘intellectueel begrip’, doch: de kennis die in staat stelt het proces van wedergeboorte uit water en geest te realiseren.

De religieuze mens heeft voor deze kennis geen belangstelling, daar hij haar niet kan grijpen. Hij bukt volledig voor autoriteiten, hetzij hij als zodanig de kerk of de Bijbel aanvaardt, dan wel de dogma’s, die op de kerk en/of op de Bijbel gefundeerd zijn. Zulk een mens kan zeer mystiek, devoot en ijverig zijn, maar hij is niet vervuld van vernieuwende mogelijkheden en blijft aldus opgesloten binnen de dialectische grenzen. Bijgevolg toont het mystieke leven het bekende opgaan, blinken en verzinken. De religieuze mens komt de oudtestamentische fase niet te boven. De uiterlijke tempel blijft voor hem de tabernakel en, daar er geen zuivere, wetende priesterschap meer is, ontstaat er chaos, vernieling en degeneratie. Onze tijd levert daarvan overvloedig getuigenis.

De mens verlangt nog steeds een tempel buiten zichzelf, doch sinds de Christuskracht atmosferisch is geworden, kan deze er niet meer zijn. De Christusera plaatst de mens dan ook voor de eis de tempel weer in zichzelf op te richten. Daar de leidende groepen der kerk, de theologen, de priesters, niet meer als verlichte hogepriesters en priesters het heilige en het heilige der heiligen kunnen binnengaan moeten alle pogingen tot kerkvernieuwing op niets uitlopen. Zij missen daarvoor de kennis der verlichting, de kracht en de aard, zodat zij dus zelfs hun oorspronkelijke oud- testamentische taak niet kunnen vervullen. Bijgevolg staat het er met de kerk hopeloos voor. Zij ontwikkelt zich meer en meer tot een sociaal-ethisch lichaam.

In de oudheid waren de priesters tevens magiërs. Een priester moest tevens een ingewijde zijn, een leerling van de geestesschool, dat wil zeggen, een profetenschool. Het behoeft wel geen betoog dat onze universiteiten in het geheel niet aan deze eis voldoen. De tegenwoordige theologen zijn religieuze mensen, die zich in niets onderscheiden van de gemiddelde religieuze massa. Wil de kerk weer een taak krijgen in het geestelijke algebeuren, dan zal zij onder leiding moeten komen van priesteringewijden, die heel langzaam therapeutisch moeten trachten de religieuze mens uit de ban der oudtestamentische fase op te heffen door middel van een nieuwe, magische methode.In het volgende hoofdstuk zullen wij nagaan of de methoden van bepaalde kerken en andere natuurreligieuze groepen in deze kunnen helpen.

Stellen wij nu tegenover de religieuze mens de herinneringsmens. Deze mens volgt als atavistisch overblijfsel zijn koningschap en zoekt een methode om dit koningschap te verwezenlijken: hij wenst zijn gemis aan te vullen; hij gaat dus over tot het magische experiment; hij wil in zichzelf en door zichzelf zijn nog onbepaalde drang verwerkelijken in eigen kracht; hij wil zich de bevrijding inoefenen: hij zoekt macht.
Hij leeft in de waan dat zulk een koningschap vanuit zijn momentele staat en met zijn momentele middelen te bereiken valt. Dit is evenwel onmogelijk, want de dialectische mens kán het koningschap niet verkrijgen, ‘vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven’. Zo ontwikkelen er zich dus een formidabele chaos, duizend en een occulte methoden, en een ontstellende massa literatuur.

De herinneringsmens-naar-de-natuur is meestal niet religieus. Hij wil wel zoiets als magisch rituaal, doch werkelijke religieuze uiting is hem vreemd; hij zoekt geen innerlijke leiding van God, vraagt niet naar de wil van God; hij zoekt het bereiken en macht voor zichzelf! Als u een herinneringsmens naar-de-natuur bent, dan zult u zichzelf in dit alles herkennen.

Deze gehele occulterij is een vreselijke vermoeienis en een ontstellend wee. Het is een zoeken zonder vinden, een streven zonder resultaat, een gaan zonder licht. Het blijft alles een ronddolen in het vlak der dialectica. Het is alles net zo erg als in de kerk, alleen ‘anders’ erg. De ‘pot en de ketel’ hebben elkaar hier niets te verwijten.

De universele wijsbegeerte maakt ons duidelijk dat herinnering noodzakelijk is, zoals wij reeds bespraken. Zij moet ons in de eerste plaats het besef geven van onze neergang, onze verzonkeneid, onze ontstellende blindheid en onwetendheid. De esoterische mens moet zijn verloren zoonschap beseffen. Hij moet ontdekken, dat er een nieuwe mens en een nieuwe tempel moeten worden gebouwd; dat de enige weg der bevrijding de weg van wederopbouw van het eens verlorene is, en dat hij de oorspronkelijke lichtkracht verloren heeft, maar dat Christus hem die weer komt reiken.

Dán komt hij tot een nieuw religieus standpunt, tot een nieuwe religieuze oriëntering, want dan wordt hij beide: een religieuze mens én een herinneringsmens; een mens, die zich volkomen afhankelijk weet van God, hem boven alles liefheeft en alles van hem verwacht; een mens die weet, uit innerlijke kennis, van een levende binding met God. Eerst uit deze samenbinding kan de opgang worden gevierd. Zo wordt de basis gelegd voor het priester-koningschap, voor universele mensheidsleiding.

Déze ontwikkeling stelt het moderne Rozenkruis, want het verenigt en omvat esoterie, universele leer en religie; tempel en wijsbegeerte; innerlijke scholing en kerk. Voor de alleen-religieuze mens kunnen wij organisatorisch als werk niets zijn. Ons streven is de occulte mens-naar-de-natuur religieus te maken, door in hem de ware deemoed en het bewustzijn van zijn afhankelijkheid van God te wekken, om hem daarna het pad omhoog te wijzen en hem op dat pad voor te gaan. Alleen op deze wijze kan de nieuwe tempel-van-binnen worden gebouwd.

Hoe komt het dat bij de alleen-religieuze mens de herinnering niet spreekt? Dit is een gevolg van een diepere verankering in de materie van de dialectica, waardoor er een andere bloedstoestand is ontstaan. ‘Diepere verankering’ hier niet bedoeld in de zin van ‘slecht’, doch als nagenoeg totale afgeslotenheid van de oorspronkelijke mensenwereld. De andere groep heeft van den beginne een binding gehad met de oorspronkelijke wereldvelden. Zo werkt het resultaat van de arbeid der geestesschool onder andere als een hernieuwde herinneringsopwekking in de gehele groep van mensen die ‘herinnering’ bezitten.

De tweede groep, de alleen-religieuze, verloor haar herinnering totaal en is daardoor structureel anders. De ineigen oorzaak van dit verlies is onbekend, althans bij ons; wij hebben er alleen rekening mee te houden.

De herinneringsmens, dus de esoterische mens, kan en moet religieus zijn; doch het religieuze type kan niet esoterisch zijn. De herinneringsmens kan van de devote en overtuigde religieuze mens leren waarachtig religieus te zijn; de omgekeerde weg is echter niet mogelijk.

Als het in het religieuze kamp misloopt, als alle pogingen tot nieuwe belevendiging van de kerk op niets uitlopen en men zich daar verbaasd afvraagt wat hiervan wel de reden kan zijn, is de zaak voor de gnosticus volkomen duidelijk. Hij kan het evenwel niet uiteenzetten, want men zou hem niet begrijpen. Daarom is het de taak van de herinneringsmens, door tactvol optreden en zich geheel voegende naar de aard van de religieuze mens, deze behulpzaam tegemoet te treden en hem een zekere leiding te geven.

Dit is in de wereldhistorie bij herhaling gebeurd. Men denke aan de oudtestamentische historie van Hiram Abiff, de meesterbouwer, die Salomo bij de tempelbouw hielp. Salomo, de religieuze mens, was vervuld van verlangen een tempel te zien verrijzen waarin hij zijn Heer en God op waardige wijze zou kunnen dienen. Hij was echter niet in staat deze tempel zelf te bouwen en riep daartoe de hulp van de meesterbouwer in. De meesterbouwer is de getransfigureerde mens, die de weg van de ware tempelbouw kent, en innerlijk de kracht en het vermogen bezit waarmee de goddelijke tempel gebouwd moet worden.

Willen de kerken van nu uit hun impasse komen, dan zullen zij bewust een zelfde hulp moeten aanvaarden. Maar dat zou de erkenning van de eigen hopeloze staat insluiten en die is onder de huidige verhoudingen niet te verwachten. Bovendien zitten erin deze samenwerking, die vroeg of laat moet komen, nog vele problemen.

In de oudheid zijn er perioden geweest waarin de kerk – dus de religieuze massa – geheel geleid werd door ingewijden, door herinneringsmensen. Toen kwam er een tijd waarin de ingewijden alleen hielpen bij tempelbouw, instructies gaven en dergelijke. Ook dit contact werd vervolgens verstoord en sindsdien zette zich de degeneratie in, die tot de huidige toestand gevoerd heeft.

Het zal nu niet meer mogelijk zijn geheel deze weg terug te gaan, dat wil zeggen: eerst komen tot een gedeeltelijke samenwerking met de herinneringsmens en vervolgens diens leiding aanvaarden. De kosmische omstandigheden zijn namelijk geheel en al veranderd door het optreden van de Christusgeest. De kerk heeft daardoor haar oude betekenis verloren: de taak, door de kerk in de oudheid vervuld, is opgeheven. Het voorhangsel van de tabernakel is vaneengerukt en de mens kan niet meer tot de oudtestamentische onmondigheid worden teruggebracht. Wat men ook proberen moge, het zal niet gelukken.

Het is voor iedere mens, hetzij religieus, hetzij esoterisch, mogelijk en noodzakelijk individueel een eerstehands binding te maken met de Christusstraal: volkomen direct, zonder tussenpersoon, vrij van autoriteiten. De weg tot zelfautoriteit is, in Christus, voor iedere mens veiliggesteld.

Om aan deze nieuwe eis te kunnen voldoen is er, zoals gezegd, een nieuwe magische methode nodig. Daartoe heeft zich een nieuwe gnostieke wereldbroederschap gevormd, die leeft uit de tweevoudigheid van religie en magie. Het is een nieuwe vrijmetselarij, op positief christelijke grondslag.

Als gevolg van deze christelijke magie, in alle landen der aarde van-onderen-op begonnen, heeft zich in dit wereldveld een horizontale straling gevormd die niet uit dit wereldveld zelf te verklaren is. In dit stralingsveld, dat de gehele wereld omspant en door een net van vuurtempels in stand wordt gehouden, wordt de gehele mensheid gebaad, als gevolg waarvan er zich een wonderlijke reactie ontwikkelt. Het misdadige en werkelijk slechte element wordt gesepareerd. De herinneringsmens zal de weg tot het ware pad vinden. En de religieuze massa zal haar Christusaanraking op een andere wijze kunnen vieren, vrij van persoonlijke autoriteiten, vrij van kerken.

Zo zal het grote werk van mensheidsredding zich voltrekken door de neochristelijke magie der wereldbroederschap, gesteund door een horizontaal krachtveld van-onderen-op. De grootse taak, die alle esoterici op de schouders is gelegd, moet allen die in dit stralingsveld leven willen, nu duidelijk voor ogen staan. De roep der Broederschap gaat uit tot allen die verstaan kunnen, mede de handen aan de ploeg te slaan. Het grote mensheidswerk roept zijn werkers!

BESTEL ELEMENTAIRE WIJSBEGEERTE VAN HET MODERNE ROZENKRUIS

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *