Elementaire wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis – hoeksteenserie 5 – J. van Rijckenborgh

BESTEL ELEMENTAIRE WIJSBEGEERTE VAN HET MODERNE ROZENKRUIS

Op zijn zoektocht naar waarheid komt de mens heel wat inzichten en methoden tegen, die zich met allerlei benamingen sieren. De wijsbegeerte zoals die door het Gouden Rozenkruis naar buiten wordt gebracht maakt duidelijk waar het in wezen om gaat. In Elementaire wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis gaat J. van Rijckenborgh onder andere in op de betekenis van magie en inwijding, involutie en evolutie, geboorte en dood. Hij legt de nadruk op de belangrijke processen van regeneratie en schetst een duidelijk beeld van het levensbedrijf zowel aan deze zijde als aan gene zijde van de sluier, waarbij hij ongemakkelijke consequenties niet uit de weg gaat. Hieronder volgen hoofdstuk 1, het voorwoord en de inhoudsopgave. 

1. DRIE VERMOGENS DIE GEWEKT MOETEN WORDEN

De belangstellende lezer die dit boek in handen neemt en enige indruk wil verkrijgen van de wijsbegeerte van de moderne rozenkruisers, kan niet volstaan met een oppervlakkige kennismaking. Hij moet zich bewust zijn een zware studie aan te vangen, die al zijn aandacht en diepe overweging vereist. 

De wijsbegeerte van het Rozenkruis geeft geen beschouwingen over het leven, doch zij grijpt het leven van de leerling zelf aan; zij is zeer persoonlijk en men zal bij het lezen steeds weer de indruk krijgen dat de geestesschool zich direct tot de student richt.

Deze methode van behandeling heeft natuurlijk haar minder aangename zijde; immers, zij zal hier en daar wrevel en toorn kunnen opwekken; doch het onmiskenbare voordeel doet ons haar verre verkiezen boven andere en meer gebruikelijke methoden. De lezer moet namelijk worden verontrust, de leerstof moet hem sterk bezighouden en aantasten en vooral zijn intellectuele belangstelling als met een zwaard doorkruisen. Ieder die kennis neemt van waarachtige Rozenkruisers-literatuur, moet beseffen dat het er de werkers van de geestesschool niet om te doen is literaire of kentheoretische gaven te demonstreren, teneinde daarmee aardse en materiële belangen te ondersteunen, doch dat zij hun arbeid in dienst van de geestesschool ondernemen, ook al zou deze arbeid volkomen indruisen tegen hun particuliere stoffelijke belangen, hetgeen meestal het geval is.

De schrijver richt zich tot u, staande op zijn veld van dienst, in overeenstemming met zijn toestand-van-zijn, om te getuigen namens de grote verheven Lichtbroederschap van de mensheid. Deze broederschap staat onder vele namen bekend, zoals de hiërofantale geestesschool, de mysterieschool van de Christushiërofanten, de innerlijke kerk, de orde van Melchizédek, de orde van het Rozenkruis en vele andere.

De leerling, die van dit boek kennis neemt, dient het naar ons gevoel zó te zien, dat deze broederschap zich in deze hoofdstukken direct tot hem richt; een contact, waarin de persoonlijkheid van de schrijver, of het organisatorische apparaat van het Lectorium Rosicrucianum, volkomen op de achtergrond verdwijnt.

Daaruit blijkt onmiddellijk dat de broederschap, waarvan wij willen getuigen, zich bij niemand aandient als een vereniging, een organisatie, of een kerkelijk instituut. Wij spreken van ‘school’; en bij het bestuderen van dit boek bevindt u zich als het ware in de voorhof van deze school. Het begrip ‘school’ moet u hier evenwel op exclusieve wijze verstaan. In deze school wordt de mens namelijk niet afgericht volgens de intellectuele methode; het biologische hersenbewustzijn wordt er niet getraind en er worden geen examens afgenomen, noch diploma’s uitgereikt.

De school van het Rozenkruis doet een beroep op drie vermogens, die in het geheimzinnige microkosmische systeem van de mens als in een doodsslaap sluimeren. De school tracht, dwars door alle tegenstand heen, deze drie vermogens te wekken en tot werkzaamheid te stuwen. En zodra er zich iets van deze drie vermogens bij de leerling openbaart, ontstaat de gewenste verhouding tussen leerling en school. De leerling ervaart, ziet en kent dan eerstehands alles wat de school tot hem overdraagt, alles waarmee de school hem verbindt.

Is deze verhouding fundamenteel geschapen, dan zal de leerling zeer bewust het nut en de noodzakelijkheid inzien van alles wat de school hem voorstelt. Aldus wordt het duidelijk dat de geestesschool geen populair geloof stelt, doch een klaar en positief weten. Geen weten in de zin van verzamelen van feitenmateriaal, van dogma’s, frasen, stellingen, hypothesen, enzovoort, die de mens tenslotte toch met lege handen laten staan, maar weten begrepen als omvatten, doorschouwen, innerlijk bezitten, onweerstaanbaar en volstrekt.

Als de verhouding tussen de school van het Rozenkruis en de belangstellende bestudeerder van deze hoofdstukken zich op deze basis ontwikkelt, is er geen sprake van autoriteit en van stupide volgzaamheid, doch van innerlijk herkennen, van het bewust volgen van een in het eigen zelf gewaarmerkt pad.

Drie sluimerende vermogens moeten zich dus in het leven van de leerling openbaren: het vermogen tot een nieuwe wil, het vermogen tot een nieuwe wijsheid, en het vermogen tot een nieuwe werkzaamheid.

De mens heeft een wil, doch deze is bandeloos terzake van het ene en experimenteel of speculatief terzake van het andere. De uitkomst van een wilsinspanning staat nooit van tevoren vast en mocht zulks in enige zaak het geval zijn, dan tast men in het duister met betrekking tot de eventuele nevenverschijnselen of de gevolgen van de gewekte weerstand. Daarom is de mens alleen reeds door zijn wilsleven omringd met zorg en angst. De menselijke wil is dan ook nimmer bevrijdend. Bovendien is de wil bloedsgebonden, dat wil zeggen, afhankelijk van de mogelijkheden en krachten die in het bloed aanwezig zijn.

De mens heeft ook de beschikking over een zekere wijsheid, hier te begrijpen als intellectueel vermogen, verstandelijke hersencapaciteit. De leerling zal inzien dat de mens ook wat dit vermogen betreft geheel afhankelijk is van de uiterlijke, dus zichtbare, driedimensionale dingen. Niet voor niets zegt de Bijbel: ‘De wijsheid van de mensen is dwaasheid bij God’. Absolute kennis kan nimmer bezit worden van een uit de zinnen levende mens. Datgene wat men wijsheid noemt, is een vorm van beschouwing, aangeleerd door zintuiglijke waarneming en sterk beïnvloed en verminkt door opvoeding en bloedstoestand.

De mens ontplooit eveneens een zekere werkzaamheid. Is het resultaat van deze arbeid niet buitengewoon bedroevend ? Is het veel meer dan activiteit om ‘brood en spelen’? De werkzaamheid van de mens staat geheel in het teken van de strijd om het bestaan, met nog wat tijdverdrijf en wat geestelijke romantiek, al naar zijn aard.

De drieheid van wil, wijsheid en werkzaamheid, zoals deze in de aardse natuur tot ontwikkeling komt, is voorts gebonden aan een laaiende natuurdrift, die men aanduidt als begeren. Dezelfde drieheid, gebonden door het begeren of de natuurdrift, is eveneens verantwoordelijk voor het tot stand komen van het biologische bewustzijn, het ikbewustzijn, en de meest kenmerkende eigenschap daarvan is: zelfhandhaving. De zelfhandhaving en het begeren zijn uitermate speculatief en buitengewoon grillig in hun doen en laten. Als mensen door bepaalde ervaringen ontgoocheld zijn, springen zij van het ene object naar het andere, en in hun nood dansen zij hun natuurdansen met hypothesen en andere schijngestalten. Verreweg alle godsdienstige drang is uit de ervaring van zelfhandhaving en begeren te verklaren.

Als de leerling deze toestand helder zou inzien, zou hij de noodzakelijkheid gevoelen van een fundamentele omkering. Hij zou walgen van zijn tegenwoordige toestand en als gevolg daarvan zou hij trachten zijn begeren en zelfhandhaving te neutraliseren.

De vraag mag hier worden gesteld, hoe zulk een neutralisatieproces zich dan zou moeten ontwikkelen. Het antwoord luidt: de leerling moet zijn oude leven niet meer willen, de door hem verzamelde schijnwijsheid prijsgeven, en zich aan het dramatische spel van begeren en zelfhandhaving onttrekken.

Sommige mensen zijn in staat de fundamentele omkering gemakkelijk door te voeren voor zover het de zeer gebroken realiteit van godsdienst, kunst en wetenschap betreft. Zij kunnen gemakkelijk het speculatieve van de godsdienstige hypothesen inzien, het niet-bevrijdende van dat wat men kunst noemt, en het hopeloze en satanische van de wetenschap. Doch oneindig veel zwaarder is het, zich fundamenteel los te maken van zijn diverse natuurinstincten, daar de mens ‘uit de natuur’ en ‘van de natuur’ is. De natuurinstincten kunnen een mens veel meer aan het oude leven binden dan godsdienst, kunst en wetenschap.

De leerling mag zich hier niet bedriegen. Hij kan soms geweldig van leer trekken tegen belemmeringen buiten zichzelf, terwijl het veel nuttiger zou zijn te strijden tegen al datgene wat hem in het eigen zelf belaagt. De student van het Rozenkruis moet zich dit dagelijks herinneren. Daar zijn bijvoorbeeld de maatschappelijke ambities, waarvoor hij wellicht bereid is de ‘geestelijke’ bijl te gebruiken, en daar is de vreselijke ik-waan.

Uit de lagere ambities en de ik-waan vloeit jaloersheid voort, een van de ontzettendste teisteringen van de mensheid. Jaloersheid is een ‘grimmigheid’, zoals de spreukendichter zegt, en, volgens het Hooglied, ‘een onuitblusbaar vuur’. Jaloersheid is een bezetenheid; zij wekt een dermate onverzoenlijke haat, dat zij in vele gevallen moordend is.

Daarom zegt de spreukendichter, dat de mens, die in dit natuurinstinct vastzit, ‘generlei losprijs aanneemt’, ‘hij stelt zich niet tevreden met geschenken, hoe groot ook’, ook al zou God hem de hand reiken ten hemelgang. Hij wenst de ondergang van zijn slachtoffer, de vlam van de jaloersheid moet zijn slachtoffer verschroeien. Het resultaat duidt hij dan aan als ‘recht’.

De fundamentele omkering moet dan ook diep ingrijpen in alle menselijke natuurinstincten. De leerling moet de strijd aanbinden met zichzelf, een strijd op leven en dood.

De fundamentele omkering is basis voor het wekken van de drie nieuwe vermogens die door de geestesschool worden bedoeld. Ten eerste: een nieuwe wil, die in God ontstoken wordt; ten tweede: een nieuwe wijsheid, die het godsplan doorlicht; ten derde: een nieuwe werkzaamheid, die het mede tot verwerkelijking stuwt.

Deze drie processen, die van het begin af door de geestesschool in samenwerking met de leerling worden ondernomen, vormen de sleutels tot nieuwe menswording, een wedergeboorteproces waarin de gehele wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis opgaat. Het welslagen van deze drie processen is afhankelijk van de bovenvermelde fundamentele omkering; én van het feit, of er in het bewustzijn nog iets aanwezig is van herinnering aan het oorspronkelijke geestelijke bezit van de mens.

Zulk een bezit moge in zijn verschijning of werking geschonden, karikaturaal of zelfs gevaarlijk zijn, niettemin schenkt het de mens een niet te onderdrukken neiging tot het onderzoeken van de verborgen zijde van de dingen. Door deze preherinnering wenst de mens het waarom, waartoe en waardoor te omvatten en ontwikkelt hij een dynamisch vermogen om later, wanneer de weg gezien wordt, uit tal van belemmeringen los te breken.

De nieuwe wil wordt door de geestesschool in de leerling ontwikkeld door middel van de geestwet; de nieuwe wijsheid door de filosofie van de geestwet; de nieuwe werkzaamheid door de toepassing van de geestwet.

De geestwet is de goddelijke idee, die aan wereld en mensheid ten grondslag ligt.

De filosofie van de geestwet draagt deze goddelijke idee tot de leerling over; zij doet haar lichten voor zijn verstand; zij doet hem zijn mateloze verwijdering schouwen van het oorspronkelijke vaderland; zij doet hem de menselijke verwording ten opzichte van de goddelijke idee begrijpen en schenkt hem een klare visie op de weg terug.

De toepassing van de geestwet is de verwerkelijking van de goddelijke idee, de harde en onverbiddelijke weg terug; de verbreking der aardse natuur en haar driften en het bouwen van de nieuwe mens.

De geestwet kan ook worden aangeduid als: God, van wie wij verbroken zijn; de filosofie van de geestwet als: Christus, die in oneindige liefde van God uitgaat om ons te redden, zich om onzentwil neerbuigt tot het gevallene en zich daartoe gevangen geeft aan de stof; de toepassing van de geestwet als: de Heilige Geest, die het gehele wedergeboorteproces toepast, uitvoert en doorzet.

Een bonafide geestesschool is steeds te herkennen aan het feit dat zij terzake van deze drievoudige procedure van geen enkel marchanderen weet.

Voor de lezer, die van al deze dingen kennis neemt, draagt dit boek een informatief karakter. Indien men evenwel later als leerling tot de geestesschool zou willen toetreden, zal men klaar moeten inzien dat de school met een eis komt, met een louterende, regeneratieve opgang, met een proces. Zonder dat zou de school geen geestesschool zijn.

De mysterieschool van het Rozenkruis wil met alle belangstellenden een binding maken, een verbond sluiten, op volstrekt vrij-democratische grondslag. Wat de school van haar leerlingen vraagt, voert zij zelf als levensstaat; en niets kan de leerling worden voorgesteld dat hij niet volvoeren kan.

De geestesschool is een werkplaats waarin daden geboren worden, als gevolg waarvan door de drie krachten, die van de school uitgaan, de drie sluimerende vermogens bij de leerling gewekt worden. Door de wisselwerking tussen de drie heilige krachten en de leerling, wil de leerling wat de geestesschool wil, weet hij wat de geestesschool weet en doet hij wat de geestesschool doet, met onverbrekelijke zelfdiscipline en in vrijwillige gehoorzaamheid.

Zij die zo de mysteriën van het Rozenkruis zien en innerlijk ervaren, zijn met groot enthousiasme bezield, zij stralen van tomeloze energie en intense blijdschap. Met grote ootmoed stellen zij zich voor het onkenbare vuur der geestwet. Met opgericht hoofd staan zij voor het ontdekkende licht van de universele liefde, waar de filosofie van de geestwet hen aanraakt. En als met uitgespreide armen verbeiden zij de heilige doop in het levende water van de goddelijke regeneratie, als de toepassing van de geestwet al hun aandacht en toewijding opeist.

VOORWOORD

Dit boek is bestemd voor hen, die, gedreven door de herinnering aan oorspronkelijk goddelijk leven, oriëntering zoeken in de universele wijsbegeerte van het Rozenkruis. De inhoud is een bewerking van een aantal voordrachten, die in de jaren 1944-1946 in cursorisch verband gegeven werden. Moge het boek zijn weg vinden naar vele zoekenden en helpen waar dit mogelijk is.

J. van Rijckenborgh

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord

  1. De drie vermogens die gewekt moeten worden
  2. De Christushiërarchie of geestesschool
  3. Magie
  4. Inwijding
  5. Wat wordt ingewijd?
  6. Involutie – evolutie
  7. Het rad van geboorte en dood
  8. Reïncarnatie
  9. De samenstelling van de aarde en het dialectische levensveld
  10. De drievoudige, de negenvoudige, de twaalfvoudige samenstelling van de mens
  11. De zevenarmige kandelaar en de menselijke tempel
  12. Het proces van regulatie en wereldredding
  13. De nieuwe wereldbroederschap
  14. Spiritisme I
  15. Spiritisme II
  16. Spiritisme III
  17. Hypnotisme – magnetisme – handoplegging
  18. Levenshouding en vegetarisme
  19. Levenshouding en nicotine, alcohol en andere narcotica
  20. De kosmische twee-eenheid I
  21. De kosmische twee-eenheid II
  22. Onze verhouding tot staat en politiek
  23. Onze verhouding tot het overige esoterische levensveld
  24. Het gebed
  25. De Bijbel
  26. Het Gouden Rozenkruis

Bron: ‘Elementaire wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis’ door J. van Rijckenborgh (hoeksteenserie 5)

BESTEL ELEMENTAIRE WIJSBEGEERTE VAN HET MODERNE ROZENKRUIS

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *