De droom van Christiaan Rozenkruis tijdens de eerste dag van de Alchemische Bruiloft

Nauwelijks sliep ik of ik kreeg het gevoel dat ik in een duistere gevangenistoren lag, naast ontelbare andere mensen, aan zware ketenen geklonken. Wij waren zelfs van het zwakste lichtstraaltje verstoken en kropen als bijen over elkaar heen, waardoor wij elkaars ellende nog vergrootten. Ofschoon noch ik, noch een der anderen in het stikdonker iets kon zien, hoorde ik toch steeds hoe de een zich boven de ander trachtte uit te werken, als zijn ketenen of boeien ook maar iets lichter waren. Afgezien daarvan had geen van ons veel op de anderen voor, daar wij allen arme sukkels waren. 

Nadat ik met de anderen lange tijd in deze ellende had doorgebracht, waarbij de een de ander voortdurend uitmaakte voor ‘blinde’ en ‘gevangene’, hoorden wij eindelijk het geschal van vele trompetten. Ook werd er zo bekwaam op trommels geslagen dat het ons zelfs in onze ellende verkwikte en verheugde. 

Terwijl dit geluid weerklonk, werd het luik van de toren van boven opgelicht en werd er een weinig licht bij ons toegelaten. Toen had men ons eerst recht over elkaar moeten zien tuimelen! Allen krioelden door elkaar, en zo moest wel wie zich te veel naar boven had gewerkt, door een ander weer onder de voet gelopen worden. Kortom, ieder wilde de bovenste zijn. En ook ik talmde niet, maar worstelde mij, niettegenstaande mijn zware boeien, onder de anderen uit en trok mij op aan een steen, die ik had weten te bereiken. Maar ook daar werd ik herhaaldelijk door anderen aangevallen, waartegen ik mij steeds zo goed mogelijk met handen en voeten verweerde. 

Wij dachten niet anders dan dat wij allen zouden worden vrijgelaten. Het zou echter heel anders lopen, want nadat de heren, die van boven door de opening van de toren op ons neerkeken, zich een weinig met dit gespartel en gekrioel hadden vermaakt, beval een oude man met sneeuwwit haar ons stil te zijn. Nauwelijks was zijn bevel opgevolgd, of hij begon, voor zover ik het nog onthouden heb, als volgt te spreken: 

Dacht ge uzelf niet hoog verheven,
arm menselijk geslacht,
ach, hoeveel goeds ware u gegeven
door mijner moeder kracht.
Als ge echter niet wilt luist’ren,
zult ge u steeds sterker kluist’ren,
gevangen blijven in de nacht.

Maar mijn geliefde moeder
vergeeft het kwaad dat werd verricht.
Zij wil haar schoonste gaven
weer tillen aan het licht.
Doch dit geschiedt slechts weinig keren:
men zou haar schatten niet waarderen
en houden voor een droomgezicht.

Moge, het feest ter ere
dat wij nu vieren gaan,
haar lof zich thans vermeêren,
goed werk wordt er gedaan:
een koord zal zij nu laten dalen,
en zij die ’t grijpen, zonder falen,
zij mogen straks in vrijheid gaan.

Nauwelijks was hij uitgesproken, of de oude Dame beval haar dienaren het koord zeven maal in de toren neer te laten en diegenen die eraan zouden blijven hangen, omhoog te trekken. Gave God dat ik in staat was de opwinding te beschrijven die toen onder ons losbrak, want ieder wilde het koord bemachtigen en hinderde daardoor de anderen. Na zeven minuten werd er echter met een klokje een teken gegeven, waarna de dienaren vier optrokken. Ik kon met geen mogelijkheid bij het koord komen, omdat ik, zoals gezegd, tot mijn grote ongeluk op een steen aan de wand van de toren was geklommen en daardoor het koord, dat in het midden neergelaten was, niet kon bereiken.

Ten tweeden male werd het koord neergelaten. Maar omdat de ketenen voor velen te zwaar waren en hun handen te zwak, konden zij het koord niet langer vasthouden en sleurden zij menigeen, die zich misschien nog wel had kunnen vasthouden, mee naar beneden. Ja, menigeen werd er afgetrokken door een ander, die er zelf niet bij had kunnen komen. Zo was in onze grote ellende de een nog afgunstig op de ander. Zij wier gewicht zo zwaar was dat hun de handen van het lijf getrokken werden, waardoor zij dus niet omhoog konden komen, boezemden mij het meeste medelijden in.

Zo kwam het dat er tot de vijfde keer nog slechts weinigen omhooggetrokken waren. Want zodra het teken werd gegeven, waren de dienaren zo vlug met het optrekken dat de meesten over elkaar heen tuimelden. De vijfde maal werd het koord zelfs geheel leeg opgetrokken, waardoor de meesten, onder wie ook ik, aan onze bevrijding gingen wanhopen en God aanriepen zich over ons te ontfermen en ons zo mogelijk uit deze duisternis te bevrijden; waarop Hij inderdaad enkelen van ons verhoorde. Want toen het koord ten zesden male omlaag kwam, grepen enkelen zich daaraan vast. En toen het bij het optrekken heen en weer slingerde, kwam het, wellicht door Gods wil, vlak bij mij. 

Snel pakte ik het beet, waardoor ik hoger dan alle anderen kwam te hangen en aldus eindelijk, boven verwachting, uit de toren kwam. Hierover was ik zo verheugd dat ik de wond, die bij het optrekken een puntige steen aan mijn hoofd veroorzaakt had, niet eerder voelde dan nadat ik, samen met de andere bevrijden, bij de zevende en laatste keer moest helpen bij het optrekken, zoals ook bij alle voorafgaande keren gebeurd was. Hierbij stroomde door de inspanning het bloed over mijn kleren, waarop ik echter in mijn vreugde geen acht sloeg. 

Nadat het koord voor de laatste maal was neergelaten, waarbij nog de meesten omhoog getrokken werden, liet de oude Dame het weghalen. Zij verzocht haar oeroude zoon, de andere gevangenen haar mening over te brengen, waarover ik mij hogelijk verwonderde. Na enige tijd te hebben nagedacht sprak hij hen aldus toe:

Gij, lieve kinderen, hier bijeen,
wat lang werd verwacht
is thans volbracht.
Wat hier, in haar genade groot
mijn moeder uwe vrienden bood,
zult ge hun stellig niet misgunnen.
Een tijd van vreugd gaat nu beginnen,
waarin allen zijn elkaar gelijk,
waarin niemand arm zal zijn of rijk.

Wie veel werd opgedragen,
men zal veel van hem vragen.
Wie veel werd toevertrouwd,
moet tonen dat hij bouwt.
Houd daarom op met luid te klagen:
wat deren nog slechts weinig dagen!

Zodra hij deze woorden gesproken had, werd het luik weer dicht gedaan en afgesloten, waarna er opnieuw trompetgeschal en tromgeroffel weerklonk. Het geluid was echter niet zo krachtig of men hoorde het bittere geweeklaag der gevangenen in de toren boven alles uit, waardoor de tranen mij over de wangen liepen. Spoedig daarop nam de oude Dame met haar zoon in daarvoor gereedstaande zetels plaats en beval de verlosten te tellen. Toen zij het aantal had vernomen en het op een kleine goudkleurige plaat had geschreven, wenste zij ieders naam te weten, die door een knaap werd opgeschreven. Nadat zij ons een voor een had aangekeken zuchtte zij en sprak tot haar zoon, zo, dat ik het duidelijk kon horen: ‘Ach, wat heb ik een medelijden met die arme mensen in de toren. O, gave God dat ik hen allen mocht verlossen!’ Hierop antwoordde haar zoon: ‘Moeder, aldus heeft God het beschikt. Hem mogen wij niet weerstreven. Als allen heer en meester waren, het goede der aarde bezaten, en aan de dis gezeten waren, wie zou ons dan het eten opdienen?’

De moeder zweeg, maar spoedig daarna sprak zij: ‘Laat nu deze mensen van hun boeien bevrijden,’ hetgeen ogenblikkelijk geschiedde. Ik was nagenoeg het laatst aan de beurt en ofschoon ik mij anders altijd naar anderen richtte, kon ik nu niet nalaten een buiging voor de oude Dame te maken en God te danken, die, door haar, mij genadiglijk en vaderlijk uit de duisternis naar het licht had gevoerd. Anderen volgden mijn voorbeeld en ook de oude Dame boog. Tenslotte werd aan ieder een gouden gedenk- en teerpenning uitgereikt, waarin aan de ene zijde de opkomende Zon geslagen was, en, voor zover ik mij kan herinneren, aan de andere zijde de drie letters D.L.S. Vervolgens kregen wij allen verlof om heen te gaan, teneinde ons werk te hervatten, met de vermaning ter ere Gods onze naaste te dienen en over datgene wat ons was toevertrouwd te zwijgen. Dit beloofden wij en zo gingen wij uit elkaar. 

Door de wonden die mijn boeien hadden veroorzaakt, kon ik echter niet goed vooruitkomen, daar ik hinkte met beide voeten. De oude Dame zag dit al gauw, lachte erom, riep mij bij zich terug en zei tot mij: ‘Mijn zoon, bekommer u niet om dit gebrek, doch gedenk uw zwakheden en dank daarbij God dat Hij u heeft toegestaan, reeds op deze wereld en ondanks uw staat van onvolmaaktheid, deel te hebben aan een zo groot licht. Behoud deze wonden om mijnentwil.’

Daarop liet het trompetgeschal zich wederom horen, hetgeen mij zo deed schrikken dat ik ontwaakte. Eerst toen bemerkte ik dat alles slechts een droom was geweest. Deze had zich echter zo diep in mijn bewustzijn gegrift dat hij mij bleef verontrusten en het mij ook voorkwam alsof ik nog steeds de wonden aan mijn voeten voelde. Hoe dit ook zij, ik begreep toch wel dat God mij vergund had dit mysterieuze en verborgen bruiloftsfeest bij te wonen, waarvoor ik Zijne Goddelijke Majesteit met kinderlijk vertrouwen dankte en bad dat Hij mij ook verder in zijn vreze zou bewaren, mijn hart dagelijks met wijsheid en inzicht zou vervullen en mij tenslotte, ook al verdiende ik het niet, genadiglijk naar het gewenste einddoel zou leiden. 

Bron: De Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis, deel 1, door J. van Rijckenborgh

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *